M.J. Brusseprijs

Zo werkt het in Den Haag

Flapteksten en inleidingen van boeken zetten de toon en wekken verwachtingen. Zo ook bij Het slagveld: De lange weg naar het kabinet-Rutte van historicus en journalist Bert Bukman. Achter op het boek staat dat Bukman ‘een geheel nieuw perspectief’ biedt op de kabinetsformatie in 2010: ‘Want anders dan vaak wordt verondersteld is de totstandkoming van het kabinet-Rutte een aaneenschakeling van toevalligheden en – vooral – van de foute inschattingen van tegenstanders.’ Wie degenen zijn die veronderstellen dat toevalligheden en foute inschattingen géén rol zouden hebben gespeeld, wordt niet vermeld. Maar de tekst pretendeert daarmee wel dat Bukmans boek nieuwe inzichten geeft. De vraag is of dit klopt en voor wie dan?

In zijn inleiding beschrijft Bukman zo’n ‘toevalligheid’: als vvd, cda en pvv bij de parlementsverkiezingen in 2010 geen 76 maar 74 zetels hadden gekregen, was pvv-leider Geert Wilders ‘vrijwel zeker in de oppositie terecht­gekomen’. Bukman schrijft hier eigenlijk dat als de verkiezingen anders waren gelopen de formatie anders was gelopen. Zo ken ik er nog wel een paar. Weliswaar was nog niet eerder, immers met slechts één Kamerzetel, het verschil tussen de grootste partij, de vvd, en de een na grootste partij, de pvda, zo klein, waardoor dus met een minieme andere zetelverdeling de parlementaire geschiedenis inderdaad een andere was geweest. Toch irriteert deze ‘als’. Van dit soort ‘toevalligheden’ hangt de geschiedenis aan elkaar.

Een tweede ‘als’ in de inleiding van Bukman roept eveneens ergernis op, maar dan vooral door die aanname op de flaptekst dat vaak verondersteld zou worden dat het kabinet-Rutte niet het gevolg zou zijn van toevalligheden en foute inschattingen. ‘Als’ toenmalig cda-Kamerlid Ab Klink in september 2010 zijn Kamerzetel niet had opgezegd, had er na afloop van de formatie een ander kabinet op het bordes van Huis ten Bosch gestaan. Dat klopt, maar dat was wat de gehele parlementaire journalistiek direct doorzag in die beruchte week dat Klink zijn ontslagbrief schreef.

Is het daarmee verkeerd dat Bukman laat zien hoe minieme verschillen, individuele beslissingen en persoonlijke verhoudingen de geschiedenis beïnvloeden? Absoluut niet. Juist goed dat hij dat doet. Zo werkt het in Den Haag, en ook elders in de wereld. Alleen daarom al is dit boek een aanrader voor elke student politicologie, zodat die zich realiseert dat de politieke theorie door de politieke praktijk wordt gedwarsboomd. Maar doe als schrijver niet alsof jij die ontdekking doet.

Bukman heeft zijn vlot te lezen boek geschreven na gesprekken met wat hij sleutelfiguren noemt. Welke dat zijn, vermeldt hij niet, hij heeft anonimiteit moeten beloven. Enerzijds is dat begrijpelijk. Zo werkt dat in de journalistiek, ter bescherming van je bronnen. Maar daardoor weet je als lezer niet, wanneer Bukman als verteller in het hoofd van een politicus kruipt en meent te weten wat die man of vrouw denkt, waarop dat is gebaseerd. Vult de schrijver dat in of heeft hij het van de persoon in kwestie vernomen? En Bukman kruipt in menig hoofd. Zoals in dat van Mark Rutte: ‘Dat zal mij niet gebeuren, denkt hij bij zichzelf, en hij waakt er zorgvuldig voor dat hij niet in die fuik belandt.’ Of in dat van Wilders: ‘Van een term als “kopvoddentaks” en het bestempelen van een minister als “knettergek” zijn de meeste kiezers niet gediend, realiseert hij zich…’

De koningin laat de schrijver daarentegen letterlijk aan het woord. ‘“Dat vind ik nou ook”, repliceert Beatrix. “Maar hij wil niet…”’ Ook dat is opmerkelijk. Niet omdat formeel uit gesprekken met de koningin niet mag worden gelekt. Dat is aan degenen die dat hebben gedaan. Maar omdat het dan in dit geval ook om letterlijk uitgesproken tekst moet gaan. Zijn die zinnen van Beatrix op schrift gesteld door de twee aanwezigen bij het gesprek, de adviseurs Ruud Lubbers en Herman Tjeenk Willink? Zo niet, dan putten zij of een van hen uit de herinnering en was juist hier parafraseren op zijn plek geweest.

Wat een vraag is bij een boek dat een gebeurtenis uit de recente geschiedenis beschrijft, is of toekomstige lezers het ‘volle’ verhaal van Bukman kunnen volgen tegen de tijd dat de formatie van het huidige minderheidskabinet met gedoogsteun van de pvv echt geschiedenis is geworden. De schrijver introduceert zo veel personen, zo veel zijlijnen, zo veel details, dat de hoofdlijn soms uit zicht raakt. Anderzijds maken die zijlijnen, die de lezer van nu weinig nieuwe inzichten geven, in de toekomst het beeld van de Haagse politiek in het begin van de 21ste eeuw mogelijk completer.

Wat in het boek niet voldoende uit de verf komt, is hoe de andere leden dan de dissidenten van de toenmalige cda-fractie – behalve Ab Klink waren dat Kathleen Ferrier en Ad Koppejan – de draai maakten naar regeren met de gedoogsteun van de pvv. Hebben zij geen moment van twijfel gekend? Wat waren de beweegredenen om in te stemmen met deze constructie? Geloofden ze echt dat ze hiermee de verantwoordelijkheid namen voor een anders onregeerbaar geworden land? Was het eerlijk om het congres het resultaat voor te leggen onder het dreigement dat als de leden dit zouden afschieten het cda helemaal ten onder zou gaan?

Tot slot nog het slot van het boek, vóór de epiloog. Daar schrijft Bukman dat Geert Wilders ‘zijn gevoel voor humor’ niet heeft verloren als hij tegen de Volkskrant zegt het belangrijk te vinden dat allerlei politici niet op het bordes staan als het minderheidskabinet wordt beëdigd: ‘Zoals Job Cohen en Femke Halsema, en die man van d66, hoe heet hij ook alweer?’ Humor, mijnheer Bukman?

Bert Bukman. _Het slagveld: De lange weg naar het kabinet-Rutte. _Meulenhoff,287 blz., € 19,95