Zo zijn vrouwen

Is zij een kip zonder kop of een tragische heldin, de barones uit de achttiende eeuw die P.F. Thomése in zijn nieuwe roman, Het zesde bedrijf, als hoofdpersonage opvoert?

Met stijgende verbazing heb ik dit boek gelezen. Zo bekend en tegelijkertijd zo, zo… Ja, zo wat eigenlijk? Ik moest in ieder geval denken aan Le rouge et le noir (1830) van Stendhal. Een roman waarbij je je als vrouw na lezing volkomen uitgekleed voelt. God, wat zijn vrouwen toch dom en mannen vernuftig. Vooral die romantische motto’s van Byron telkens aan het begin van een hoofdstuk, waarmee Stendhal al een voorschot lijkt te nemen op alle vallen waar die vrouwen nu weer in gaan trappen. Eén grote spotternij met het verlangend gemoed van het zwakke geslacht. En dan wil Simone de Beauvoir, die in De tweede sekse een uitgebreide analyse aan Stendhal wijdt, beweren dat Stendhal in zijn werk het loflied zingt op de morele superioriteit van vrouwen! Inmiddels weet ik niet meer of Etta Palm, die de hoofdrol speelt in Het zesde bedrijf, ook echt bestaan heeft. Het zal wel, maar het doet er niet toe voor de roman van Thomése. Ook die couleur locale van Parijs vlak na de Franse Revolutie geloof ik verder wel. De rijtuigen ratelden over de keien, je had pruiken en korsetten, de kapper kwam aan huis en in de opera was het een beestenbende. Thomése doet dat allemaal goed, vlot en natuurlijk, een beetje alsof je Couperus-zonder-franje leest. Maar die historische setting is au fond bijzaak. Wat iets anders is dan dat het er niet toe zou doen hoe hij het laat-achttiende-eeuwse Parijs gestalte heeft gege ven; het is nu zo natuurlijk en onnadrukkelijk ‘knap’ gedaan dat de setting tot een vanzelfsprekend decor is uitgegroeid. Het zesde bedrijf gaat over iets wat het begin is van alles, van alle nastrevingen, van alle kunst, zeg maar gewoon van alle leven, namelijk over de gapende kloof tussen droom en daad, illusie en desillusie. Al eerder liet Thomése een romanheld fijntjes kennismaken met de wet van de zwaartekracht. De 'inbeeldingen’ van de jongeling Herman Visch in Heldenjaren (1994) zijn zo overduidelijk het product van treurige zelfoverschatting dat ze weinig van doen hebben met onstuimige Kees de Jongen-fantasieën, maar alles met pathologische zelfmisleiding. Dat deze Herman Visch zakt voor zijn eindexamen, genoodzaakt is een baantje bij de post aan te nemen, bij meisjes niet verder komt dan ze te beloeren en voor iedereen ongewenst gezelschap is, maakt hem er niet minder van overtuigd voorbestemd te zijn voor een glorieus bestaan. 'Hij wist niet beter dan dat alles er altijd voor hem was en hij kon niet begrijpen dat omstandigheden hem in een bijrol drukten, of erger nog, hem helemaal niet mee lieten doen.’ In het zoeken van hoopgevende verklaringen waarom alles anders verloopt dan verwacht, is hij zeer bedreven en onverbeterlijk. Uiteindelijk gunt Thomése hem enige mate van zelfinzicht. Zelfs lijkt Herman zich erbij neer te gaan leggen dat hij een aardworm zal blijven. ’(“Verlos mij van mezelf,” zou hij willen zeggen. Maar dat kon niet. Het waren de verkeerde woorden. Voor wat hij wilde zeggen waren geen geschikte woorden.’ In Het zesde bedrijf staat Etta Palm, oftewel barones d'Aelders zoals ze in Parijs heet, even vaak met haar mond vol tanden. Hoogtepunt in het boek, of dieptepunt zo men wil, is als zij namens haar vrouwenclubje (Vriendinnen van de Waarheid) spreektijd vraagt in de Assemblée. Voordat ze de pointe van haar betoog heeft gehaald, wordt ze al weer afgevoerd. En zo gaat het steeds bij haar pogingen de Dame te zijn die zij denkt dat zij is. 'Nu voor alles een Dame blijven, schoot het door haar heen. Nu niet vallen, maar stijgen. Zich hierboven verheffen. Maar ze was zo… geschokt, ze kon niets hooghartigs bedenken.’ De koetsier houdt niet de portier van het rijtuig voor haar open, haar minnaar zit niet op haar te wachten, nergens wordt ze met de égards ontvangen die ze had verwacht. Door de politieke veranderingen weet ze niet meer hoe ze zich moet kleden, hoe ze zich moet gedragen en waar ze moet zijn. Met onmiskenbaar sardonisch genoegen heeft Thomése deze vrouw-in-verwarring afgeschilderd. Oud en dik, maar nog steeds deep down ervan overtuigd dat geen man onberoerd blijft door haar fysieke voorkomen. Een beetje zielig en belachelijk, maar omdat Thomése haar net niet al te potsierlijk maakt, ook een beetje voorstelbaar. Zo zijn vrouwen. Zo zijn mensen. Het menselijk vermogen de dingen mooier voor te stellen dan ze zijn, is uit puur lijfsbehoud nu eenmaal groot. Want stel je voor dat de almacht van het alledaagse regeert! Als je even beter kijkt, denkt Etta Palm, kun je daar zo doorheen prikken 'om daarna helder in te zien waar het werkelijk om ging’. Waar het werkelijk om gaat in Heldenjaren en Het zesde bedrijf is de afstand tussen de schrijver en zijn personages. Er is geen alwetende verteller, de schrijver kruipt in de huid van zijn helden. Telkens heb ik terug zitten bladeren om te zien hoe Thomése het voor elkaar krijgt om dan toch nog die dubbelzinnigheid in stand te houden, of iemand nu tragisch of belachelijk is. Omdat hij zowel uitgesproken wreed als met compassie te werk is gegaan, is hij erin geslaagd exempelen van menselijke hoogmoed en lulligheid te creëren. Griezelig goed geslaagd.