Zoals de puber in wie de vrouw al zichtbaar is

Manon Uphoff, Begeerte. Verhalen. Uitgeverij Balans, 183 blz., f29,90
ZOALS TE verwachten was met zo'n titel, draait alles in het debuut van Manon Uphoff om begeerte. En om het lichaam. In haar eerste verhalenbundel voert Uphoff een aantal jonge meisjes ten tonele die op de drempel van de grote-mensenwereld staan en in het schemergebied tussen kind-zijn en vrouw-worden belangrijke ontdekkingen doen. In hun groei naar volwassenheid is het eigen lichaam de motor achter alle ingrijpende veranderingen, fysiek zowel als psychisch. Voor meisjes in de puberteit is het nu eenmaal niet anders: het eigen lichaam is indrukwekkender dan de kosmos, interessanter dan jongens, raadselachtiger dan God en belangrijker dan de toekomst. Alle verrassingen die het tijdens het uitdijen en groter groeien in petto heeft, zijn indrukwekkend genoeg om als maat der dingen en als maatgevend voor het verdere leven te worden ervaren. De invloed van ouders, broers en zussen, leraren en vriendjes op de adolescente valt in het niet bij die van het zich vormende vrouwelijke lichaam.

De tien verhalen in Begeerte zijn in twee afdelingen onderverdeeld. In de eerste helft is telkens zo'n meisje hoofdpersoon en (vaak) vertelster, de tweede vijf verhalen laten dat perspectief los ten faveure van een ouderwetse verhalenverteller, die de lezer vijf sprookjes voorschotelt die variaties zijn op hetzelfde thema. Inderdaad: de begeerte.
In het titelverhaal wordt de begeerte geintroduceerd als een verlangen naar zelfkennis dat zich (ook) op een lichamelijke manier uit. Een naamloos meisje wil ontmaagd worden, de tijd is er rijp voor. Ze is net vijftien geworden en er gebeurt veel met haar. Op een zaterdagavond in januari maakt ze zich zo op dat ze ouder lijkt dan ze in werkelijkheid is en bezoekt de discotheek. Om twee uur ’s nachts gaat ze met een geheimzinnige, oosters aandoende man naar huis. ‘De onbekende man en het meisje liepen zwijgend door de binnenstad. Bij elke stap nam haar nieuwsgierigheid toe: niet zozeer naar deze man, maar naar zichzelf. (…) Hij vroeg of ze met hem meeging, naar zijn huis, en ze zei “ja”, eenzelfde aandrang volgend die haar er in bussen toe dreef de doorschijnende velletjes van haar vingers te trekken en naar de streepjes van het wellend bloed te kijken. De spanning in haar werd groot.’
Het meisje laat zich door de onbekende man, die in een Leger des Heils-achtige slaapzaal blijkt te wonen, tot vrouw promoveren. Haar ontmaagding, waartoe ze zo bewust had besloten en die ze ondergaat omdat het nou eenmaal een keer moet gebeuren, openbaart haar een geheel nieuwe kant van zichzelf. Wanneer de man, 'zijn hoofd een zwarte steen tussen haar benen’, haar een oraal genoegen verschaft dat ze nog niet kende, laait er een plotselinge begeerte in haar op, een verlangen om de hitte die ze in haar lichaam voelt, vast te houden. Als hij echter in haar binnendringt, wat gepaard gaat met een scherpe pijn, is het juist intense woede wat ze ervaart. Ze begint zich te verzetten. Ze vecht, maar beveelt de man:
’ “Jij moet ook vechten.”
Er was een drukken, grommen en duwen. Overal waren zijn en haar handen en overal trokken haar nagels krassende strepen, die zich vulden met rood, maar hij ging niet uit haar en het vlammende gevoel tussen haar benen bleef. Al bokte ze met haar heupen en siste ze woorden die ze nooit eerder had gebruikt.’
Dan is ze een vrouw geworden. Weer thuis moet ze denken aan haar favoriete sprookjesfiguren, bijvoorbeeld de jonge zeemeermin, 'die haar prachtige zangstem had afgestaan in ruil voor echte mensenbenen. De pijn die haar gesneden had, bij elke stap - en hoe ze schuim geworden was op de zee.’
HIERMEE IS de toon gezet voor in ieder geval het eerste deel van de bundel. Zoals het meisje door haar ontmaagding ontdekt, moet men wat men begeert, veroveren door te vechten. Er bestaat geen genot zonder vrees, geen lust zonder woede.
In de andere verhalen varieert Uphoff verder op dat thema. 'Palingen en preken’ vertelt de geschiedenis van Fred, de zwakzinnige broer van de vertelster. Behalve door wat hij leert tijdens de godsdienstlessen is Fred ook gefascineerd door de palingen in de viswinkel aan de overkant. In een burleske apotheose pakt Fred de ene paling na de andere uit een glad-glibberige bak, om luidkeels hel en verdoemenis te preken en tegen het arme dier uit te varen over de oneerbiedigheid van de paling, zijn slechtheid en verdorvenheid, en zijn grenzeloze onverschilligheid. Om zijn tirade ten slotte te onderstrepen slingert hij het kronkelende beest uit alle macht tegen een stenen muur.
Dit op zich aardige verhaal wordt jammer genoeg door Manon Uphoff voorzien van een moralistisch einde. Wat er eigenlijk al wordt verteld, maar dan tussen de regels, wil ze, misschien uit angst niet begrepen te worden, in de laatste alinea nog eens benadrukken: 'Op de evolutionaire ladder zoekt ieder mens wankelend zijn plaats. Weduwe Kraan begreep dat hij die uitglijdt of naar beneden wordt geduwd, de blik in droefheid en woede op de lager gelegen schepselen richt, ze wegtrapt, maar tegelijkertijd ook redden wil.’
Amen, wil je bijna zeggen. Het was in dit geval absoluut niet nodig geweest de moraal van het verhaal de lezer door de strot te duwen. Een debutante moet men dat echter kunnen vergeven.
In 'Brand’ gaat het al beter. Het is het verhaal over een zus die, gezegend met of vervloekt door een aantrekkelijk uiterlijk, altijd de verkeerde mannen uitkiest. Op een of andere manier slaagt ze er telkens weer in agressie en haat op te roepen. Ze sluit zich op in een burgervrouwsbestaan, dat vlekkeloos lijkt maar, onzichtbaar voor de buitenwereld, veel onheil herbergt. 'In dit bedompte huisje met zijn geplastificeerde vensterbanken en minuscule buitenplaatsje, leerde ik dat iedere man die graag een hand om het middel van mijn zus klemde, nog liever haar angst inademde en het precieze geluid kende van zijn vlakke hand op haar gezicht.’
Ook in die verhouding liggen begeerte en haat dicht bij elkaar, kunnen zelfs in elkaar overlopen. Wanneer Manon Uphoff dan nog een paar keer hetzelfde onderwerp aansnijdt, wordt het wat te veel van het goede. Hoe leuk 'Vlees’ bij vlagen ook is, in dat te lange verhaal wordt de thematiek nauwelijks anders belicht. Het wordt al boeiender als het gaat over vlees en vis, eten en vasten, honger en vraatzucht. Daar komt een prikkelend soort fascinatie om de hoek kijken, die direct resulteert in veel spannender proza. Maar de uiteindelijke wijze les wijkt niet veel af van de conclusies die in de eerste verhalen al getrokken konden worden.
Hoezeer de schrijfster de neiging heeft te moraliseren, blijkt uit de sprookjes in het tweede deel. Ze zijn nu en dan wel grappig, maar moeten door hun vlakheid toch voornamelijk gezien worden als vingeroefeningen, misschien als vooronderzoek voor toekomstig werk.
DOORDAT UPHOFF vaak het perspectief kiest van het nieuwsgierige, verwarde pubermeisje dat haar eerste stappen op het levensgevaarlijke pad van de erotiek zet, wordt de bundel als geheel enigszins voorspelbaar. De nadruk op seksualiteit en het lichamelijke leidt ertoe dat wat broeierig had kunnen zijn, vooral ranzig wordt, en dat wat grote omwentelingen of inzichten zouden moeten zijn, als weinig betekenende, soms kinderachtige voorvalletjes overkomen.
Zoals de puber in wie de vrouw al zichtbaar is, centraal staat in de serieus te nemen verhalen, is ook op stilistisch niveau zowel het meisje als de vrouw te herkennen. Manon Uphoffs stijl is soms volwassen, doordacht en beheerst, maar ook onbeholpen en onzuiver. Dan lijkt ze te snel tevreden, of te gehaast en te nieuwsgierig naar het eigen kunnen en de eigen verbeelding om het geschrevene ook nog eens kritisch te beoordelen en eventueel te herzien. Dat is jammer, want ondanks een moeizaam, aarzelend begin komt Begeerte na verloop van tijd toch redelijk op gang en lijkt Uphoff haar eigen stem, stijl en toon te zullen vinden.
Helaas breekt ze dat met de vertellingen uit het tweede deel weer gedeeltelijk af, doordat de quasi-moderne sprookjes door hun (goed bedoelde) moraliserende houding nogal bleek uitpakken. Gelukkig laat de schrijfster vaak genoeg blijken dat ze hoogstwaarschijnlijk veel meer is dan slechts een van die vele schreeuwerig gepresenteerde, met te gladde foto’s en smeuige verhalen opgehypete meisjesschrijvers die de laatste maanden de literatuur worden binnengewrongen.