Zodra je op me ligt

Nog voor ik aan Kom van Erik Jan Harmens begon, dacht ik een tikfout te zien op de Franse titelpagina: ‘k kom’. Het staat er eenzaam boven aan de verder witte bladzijde. Dat niemand dat heeft opgemerkt. Maar al in het tweede gedicht zie ik dat het natuurlijk niet om een ordinaire tikfout gaat, maar dat dat losse lettertje in veel gevallen in de bundel een taalkundige verbeelding is van onzekerheid, woede en kwetsbaarheid:

met vinger en duim
een oog gevormd
waardoorheen ik
als door een hoepel
zag hoe ik als jongen
t tong verloren
naar buiten werd weer
naar binnen gedrongen

Harmens gebruikt de ‘t’ ook als ‘het’ wordt bedoeld. Zoals ‘er’ in Kom teruggebracht wordt tot het eenvoudige lettertje ‘r’: ‘door r niet/ te noemen/ is ze r niet’. Soms verwijst de ‘k’ naar het overbekende scheldwoord, in regels als ‘door de k hoer/ die t mes beethield’, maar niet altijd, zoals in de frase ‘met terugwerkende k’.

Het gaat me even om dat aarzelen: ‘t tong verloren’. Zoals in eerdere bundels grijpt Harmens ook in Kom de mogelijkheden van de taal aan om de lezer te beroeren. Niet alleen wát er staat, maar vooral hóe het er staat, zegt vaak al genoeg. Een goed voorbeeld is deze titel van een gedicht uit Gospels en psalmen (2008): ‘But youuuuuuuuu left me just when i needed you most’. In zo’n titel gebeurt van alles tegelijk: ik moet erom lachen en ik voel de triestige eenzaamheid en treurigheid van de ‘ik’. Niet alleen heeft de tearjerker van Randy VanWarmer zich in mij vastgehaakt, maar zonder omhaal van woorden ben ik meteen ín het gedicht.

Harmens durft allerlei tegenstrijdige en ingewikkelde emoties op te zoeken en die op een directe wijze te presenteren, juist door er met een grote boog omheen te lopen. Zo wordt in Open mond uit 2013 in een gedicht het woord gegeven aan een ‘ik’ die trek heeft in ‘kantonees’, maar niet alleen het nummer van het gerecht wil noemen maar ‘de volledige naam van het gerecht’ wil uitspreken. Zo kan de ‘ik’ hopelijk horen wat hij eventueel nog kan verbeteren aan zijn uitspraak. Intussen vormt zich een enorme, waarschijnlijk ongeduldige rij. Misschien was het beter om gewoon maar weg te gaan, denkt de verteller achteraf, ‘al weet je nooit wie ik dan was tegengekomen en hoe ik daar/ dan weer op zou hebben gereageerd’. Wat een onnadrukkelijke slotregel, wat een tragikomisch en pijnlijk gedicht.

ALS JE

boven op me ligt
met je zon- en
feestdagengezicht
je komkomlippen
clownrood gestift
lig jij niet
boven op me
maar een ander

we weten wie
die ander is
maar noemen
r niet

alsof we r
daarmee
buiten de
deur houden

In Kom is Harmens nog bondiger dan voorheen. De bundel bestaat uit titelloze gedichten, met korte regels die dicht op de spreektaal zitten en soms in de buurt komen van rapteksten. Zoals in eerdere bundels, maar ook in romans als De man die in zijn eentje de Olympische Spelen organiseerde en Hallo muur, is in Kom een ‘ik’ aan het woord die contact wil maken, zich dapper staande probeert te houden maar intussen worstelt, twijfelt en de angst met moeite in bedwang houdt. Soms is het op het randje van de waanzin, juist omdat alles zo helder wordt waargenomen, ook de waanbeelden. Rustig blijven, lijkt deze mens te denken als er staat: ‘adem uit/ alsof je omlaag raast/ met zo’n/ karakteristieke aaa’. Het lijkt niet echt te werken, de ‘ik’ durft in elk geval niet over de schouder te kijken. Want ja, dan word je misschien hardhandig beetgepakt en met geweld overmeesterd. Nee, zegt dit gedicht, het is wellicht veel erger dan dat:

want wat
als r niets is
om voor
te vluchten

waar de fak
moet ik
dan naartoe

Het is in al zijn eenvoud een zeer aangrijpend slot. Kom gaat over de moeizame verhouding met de medemens en met jezelf. Het eenvoudige woordje ‘kom’ is meerduidig; het is zowel een uitnodiging als een gebod. Seks en liefde, die je er ook aan kunt verbinden, zijn van alle romantiek ontdaan, maar toch wordt de ander voortdurend gezocht. Hoe leeg het samenzijn misschien ook is, in je eentje gaat het niet. Dus begint een gedicht als volgt: ‘met heel/ me niets/ heb ik/ jou lief’. Dat zit wel goed, zou je denken, maar nee:

zodra je
op me ligt
ontneemt je nabijheid
t zicht

De ander is onmisbaar én een sta-in-de-weg, relaties zijn moeilijk en vol obstakels. Het belangrijkste obstakel is het eigen hyperbewustzijn. En tóch wordt een poging ondernomen om het allemaal te zeggen, al gaat dat niet altijd van harte, soms hakkelend, in regels als ‘kuil in bed/ p platgeplet’, ‘bibbervee/ o opgedreven’, ‘vlam in me pan/ b binnenfik’ of ‘zijn zelfs/ daarmee g genokt’.

Zelfs een gedicht dat enkel bestaat uit de letter ‘h’, krijgt binnen de context van de andere gedichten iets schrijnends. Acht vierregelige strofen, met enkel ‘h h’. Wordt hier een poging gedaan te lachen, om alles? Is dit een voorgeprogrammeerde, agressieve vrolijkheid? Of is de ‘ik’ hier een gedicht lang sprakeloos, en krijgt hij zelfs één enkel woord niet over de lippen?

Kom staat vol lenige taal, met verbuigingen als ‘de rigormortste hijg’ en ‘volgemetastaseerde hemisfeer’, en samenstellingen als ‘glowinthedarkpracht’ en ‘poststolichnayasediment’. Gedichten als dunne bomen, inderdaad, die samen één verhaal lijken te vertellen. Om dat verhaal, dat er inhakt, gaat het uiteindelijk:

als je me
aanraakt
kijk ik
hoe je me
aanraakt

in die zin
zit ik r
nooit echt
helemaal in