Zoek de ruimte op

Roelof ten Napel levert met Een zoon van een fraaie, tastende roman af – naar iets nieuws. Is het een stroming?

Roelof ten Napels stijl barst van verlangen © Melanie Marsman

Er beweegt zich op het ogenblik iets in de Nederlandstalige literatuur dat je met enige fantasie een nieuwe stroming zou kunnen noemen. Voorzichtig en peinzend schrijven, dat doen ze, dromerig ook, meer los van de maatschappij, om maar eens een groot woord te noemen. Ernaast gaan staan, niet midden in de modes en de blabla. Niet meeschrijven maar erover peinzen, dicht bij huis, in de provincie, niet in de grote stad of op de weg ernaartoe, maar in de buitengebieden en het gevoel dat daarbij komt kijken. Engagement met zichzelf en met literatuur. Literatuur expliciet belangrijk vinden. Tasten naar iets ‘nieuws’, zonder dat je weet wat het zou kunnen zijn. Geen statements, geen toespraken over ‘de nieuwe post-covidwereld’, geen zelfbenoemde leiders met leuzen uit het jaar nul. Rustige jongens en meiden. Zouden ze al bij elkaar komen? Geen idee. Te veel drinken? Vast wel. Heel hard lachen om de grootschrijvers, de meewillentellers, waar ze zo’n hekel aan hebben, de meningenhandelaren. Ja, dat ook. Sturen ze elkaar al werk toe, zoals de tachtigers dat vroeger deden, en hebben ze er dan slapeloze nachten over?

Tom Holland hoort erbij, die ineens de hele schrijftraditie aan het uitvinden is en net doet of hij van niks weet, Joost Oomen natuurlijk, met dat rare sprookjesverhaal over een Bietenkoningin, Marieke Lucas Rijneveld, die helemaal alleen een nieuwe stijl uitprobeert en net doet alsof het zomaar komt aanwaaien. Maarten van der Graaff begon er al mee. Rebekka de Wit met haar We komen nog één wonder tekort. En nu dus ook Roelof ten Napel, die met Een zoon van een fraaie, voorzichtig tastende roman aflevert. Er beweegt zich iets.

Geen hoogdravende uitbarstingen, geen krachttaal, maar stiltes

Ten Napel beoefent wat ik hier nu maar een ‘kleine stijl’ noem. Geen hoogdravende uitbarstingen, geen krachttaal waaraan je meteen kunt zien dat je te maken hebt met de ‘hogere’ literatuur, maar een stijl die de stilte opzoekt, die ruimte tussen de zinnen openlaat, niet invult, die de lezer de kans geeft die ruimte zelf in te vullen. Een kleine, zeer uitnodigende stijl, die barst van verlangen. Praten mensen met elkaar zoals Ten Napel schrijft? Het lijkt erop, ja, zo praten we soms, als we iets te zoeken hebben, als we ’s avonds laat als de televisie uit is nog even bij elkaar zitten. Of bij elkaar op bezoek gaan. Met stiltes en onhandigheden. Neem een scène waarbij de jonge studente Sara het hoofdpersonage Wolff uitnodigt naar een avondje te komen in een studentencafé. ‘Wolff kon niet goed peilen of ze er gewoon goed in was om aardig te zijn. Sommige mensen hadden zo’n moeiteloos, vanzelfsprekend charisma. Maar – donderdagavond? Ze keek vriendelijk, vragend.’ Gewoner kan niet, dit is ‘echt’, dit is gewone, ‘kleine’ literatuur, maar juist daarom ongewoon en op zoek naar het grote. Naar de ruimte tussen de regels waar de gesprekken voortzweven en zich vasthaken. Deze Wolff wantrouwt mensen, hij wantrouwt zichzelf, daar gaat het in deze roman om, hij kan zich niet voorstellen dat iemand gewoon aardig is. Ten Napel zorgde ervoor dat ik via dit soort piepkleine scènes met de personages begon mee te denken, ik liep met ze mee, ik formuleerde hun verlangens. Ja, die Sara is gewoon aardig, zonder bijbedoelingen, die heeft ze niet, ze is ontwapenend aardig, ze ontwapende al mijn bijgedachtes, ook die van Wolff, ze is nieuwsgierig, ze ziet Wolff. In deze roman kijken mensen naar elkaar. Ze is dus doodgewoon Sara en ze is aardig en ze probeert de schuchtere Wolff erbij te betrekken.

Opvallend is dat Ten Napel haar uiterlijk niet beschrijft. Ze is ‘een meisje’, een ‘studente’. Hij wil haar principieel niet vastleggen, net zomin als hij de andere personages een uiterlijk meegeeft. Geen beschrijvingen van lengte, haargroei, kleding. Geen typeringen, en toch zie je ze voor je verschijnen: die fijne Sara, Wolffs jeugdvriend Bent, die ineens verliefd wordt op een strenggelovig meisje en daar hevig van ontdaan raakt. Fedde, die Wolff tijdens een eindexamenfeest op school ineens zoende. Ezra, de gitaarspeler en zanger. Geen van de figuren krijgt beelden mee. Maar ik begon ze steeds scherper te zien, omdat ze voor me uit door de stad lopen. Ze zijn er altijd ‘gewoon’. ‘Wolff’, ‘Ezra’, ‘Bent’, ‘Robin’, ‘Sara’, ‘een jongen’, ‘vrienden’, ’vader’, ‘moeder’. Geen uiterlijke beschrijvingen. Wolff bevraagt ze, kijkt naar ze laat ze tegen hem praten, denkt over ze na en houdt van Robin. Af en toe kleine verwijzingen naar literatuur: Bonhoeffer, Barthes, Borges, Kierkegaard, Simone Weil. Nooit nadrukkelijk. Plus kleine bespiegelingen over aanwezigheid en stilstand, over herinneren, over literatuur dus.

Veel beleeft die Wolff niet, een roman als deze is snel naverteld, maar dan weet je niks. Hij heeft moeite zich te ontworstelen aan zijn christelijke achtergrond, zijn ouders begrijpen hem niet, toch kan en wil hij ze niet loslaten. De worsteling met zijn homoseksualiteit speelt een rol. Hij schrijft gedichten. Zijn nieuwe vrienden waarderen hem zomaar, onvoorwaardelijk, en dan verschijnt Robin en krijgt hij het gevoel dat hij werkelijk aanwezig is en zich niet meer hoeft te verbergen. ‘Hij dacht aan Robins gezicht. Robins blikken.’

Vergeet deze samenvatting. Lees de roman alsof je voor het eerst literatuur leest, als een uitvinding ervan, als iets volkomen nieuws dat nog verder gaat groeien. Zoek de ruimte op tussen de zinnen en de woorden. Ga mee met de voorzichtigheid ervan, denk mee, lees zinnen vaker, blijf opletten, laat je meeslepen, veeg het stof van je gezicht. ‘Kijk uit het raam, waar komen die kleuren vandaan?’