Menno Hurenkamp

Zoek het zelf maar uit

Als ik solidariteit schrijf, denkt u aan Joop den Uyl. Als ik vervolgens schrijf dat Den Uyl dood is, voelt u de bui hangen. Maar nee hoor. Het is geen schande dat de solidariteit onder druk staat. Solidariteit betekent zorgen voor je naasten, maar ook het uitsluiten van vreemden. We moeten ophouden werkwillige mensen buiten het land te houden omdat we hun eventuele uitkeringen niet kunnen betalen, schrijft de journalist Jelle van der Meer in het juist verschenen boek Grenzeloze solidariteit. Laat ze maar komen. Als het niks wordt, dan geven we ze ook niks en dat is dan hun probleem. Migranten zijn niet bang voor die ongelijkheid, dat zijn we zelf. En saamhorigheid met iedereen leidt tot een homeopathische dosis rechtvaardigheid.

Solidariteit betekent niet alleen uitsluiting. Het betekent ook apathie. In een recent advies aan het bestuur van de gemeente Rotterdam schrijven de onderzoekers Gabriël van den Brink en Dick de Ruijter dat de stad zich niet meer met collectieve regelingen voor allochtonen moet bezighouden, maar het stimuleren van burgerschap centraal moet stellen. De onderzoekers veronderstellen een tegenstelling tussen solidariteit en burgerschap in een moderne samenleving. Het is het een of het ander. Een overheid die uitgaat van solidariteit zorgt ervoor dat mensen hun verantwoordelijkheid ontlopen en in plaats van actief een plek in de maatschappij te zoeken in een hoekje gaan zitten mokken. Migranten moeten zich (leren) organiseren en zich in het publieke debat mengen. Dus Rotterdam moet niet iedere organisatie van nieuwkomers een zak geld geven, maar alleen die clubs die een zinnige bijdrage aan de publieke zaak leveren.

Bij nader inzien worden bovengenoemde pleidooien helemaal niet tégen solidariteit gehouden, maar tegen regelzucht als gevolg van solidair bedoeld beleid. Misschien moet je wel constateren dat het woord solidariteit besmet is geraakt omdat het meer tégen veranderingen is ingezet dan voor verbeteringen. Ook de sociologe Aafke Komter stelt in het recente Solidariteit en de gift vast dat veel cultuurcritici klagen over de teloorgang van solidariteit, zonder dat duidelijk is wat precies bedoeld wordt. Komter zegt niet dat het meevalt met de afbraak van onze onderlinge lotsverbondenheid, ze geeft nauwkeurig aan waar die te vinden is. Voor het herverdelen van geld, goederen en menselijk contact ontstaan in Nederland en daarbuiten telkens nieuwe vormen. Voor de vuist weg kun je dus niks zeggen over dalende saamhorigheid.

Maar Komter introduceert de «civiele solidariteit» die wel degelijk meetbaar onder druk staat. Het gaat dan om zelfbeperking, beleefdheid, je kunnen verplaatsen in anderen, de bereidheid een privé-belang ondergeschikt te maken aan het algemeen belang. Toenemend assertief gedrag van burgers, variërend van het vaker doorrijden na een ongeluk tot het opkomen voor jezelf hoger waarderen dan het je verplaatsen in anderen, wijzen erop dat deze solidariteit ernstig bedreigd wordt. Een handige wending van Komter om een uitstervende term te vertalen naar het waarden-en-normen-tijdperk, want, zoals ze zelf ook aangeeft, civiele solidariteit heet in het dagelijks verkeer: beschaving. Daar is iedereen dol op.