Essay: Democratie en islam

Zoek kennis, zelfs in Irak

Een islamitische democratie in Irak — het zal moeilijk zijn, maar niet onmogelijk. Wellicht komt ayatollah al-Sistani met een islamitische variant die ruimte biedt aan principes van democratie, mensenrechten en de scheiding van kerk en staat.

In het hele Midden-Oosten spelen geschiedenis en religie een bepalende rol. De islamitische geschiedenis komt in het dagelijks leven tot uiting door geloof, volksgebruiken, een dagelijkse taal die rijk is aan religieuze verwijzingen en de onuitwisbare herinnering aan militaire overwinningen en tegenslagen. Zelfs bij de hoogst opgeleide en minst fanatieke moslim weet deze geschiedenis een emotionele snaar te raken. Toen Yasser Arafat en zijn bondgenoten hun organisatie Fatah (overwinning) noemden, wisten moslims meteen dat dit een verwijzing was naar de 48ste soerah van de koran, waarin wordt gerefereerd aan de zege over joden en Arabieren die geen gehoor wilden geven aan de roep van God. De sjiïtische moslims, wier hele identiteit wordt bepaald door het onrecht dat hun is aangedaan door een soennitische meerderheid, beschikken meer dan wie ook over dit historisch besef.

De sjiïeten zijn op alle fronten benadeeld. Door Ottomanen, Britten, soennitische Arabische hasjemieten, pan-Arabische nationalisten, Baathisten en de eerste regering-Bush, die toezag hoe tienduizenden sjiïeten werden gedood toen het regime van Saddam na de eerste Golfoorlog op bloedige wijze een opstand van sjiïeten neersloeg.

Sinds de val van Saddam Hoessein maakt Irak een periode van geweld door. Om een einde aan de chaos te maken, heeft ayatollah al-Sistani opgeroepen tot algemene verkiezingen volgens de westerse one man, one vote- traditie. Want was het niet de bedoeling het regime van Saddam omver te werpen opdat de Irakezen hun eigen regeringsvorm konden kiezen, evenals de mensen die aan het hoofd van deze regering zouden staan? Washington ziet het liefst dat Irak uitgroeit tot het democratische model bij uitstek in de regio. En de regering-Bush moet zich ervan bewust zijn dat democratie zonder vrije verkiezingen niet mogelijk is. De vraag is echter of de toekomstige islamitische staat Irak de democratie kan invoeren via een islamitisch sjiïtisch instituut. Kortom, biedt de islam ruimte voor democratie?

Als dominante religie van Irak is de islam nauw verweven met de sociale en culture structuur van het land. Derhalve vormen religie en religieus leiderschap een bepalende factor voor de toekomst van Irak. Ook probeert het naburige Iran, de meest invloedrijke sjiïtische staat ter wereld, een rol op te eisen in de toekomst van Irak. Door de hele geschiedenis heen zijn Iran en Irak met elkaar in conflict geweest. Naast politieke en culturele verschillen vormde religie altijd de belangrijkste bron van conflict tussen de twee naties. Momenteel is er zelfs een theologisch duel gaande tussen Najaf in Midden-Irak en Qom ten zuiden van Teheran, met als inzet het leiderschap over alle sjiïtische moslims ter wereld.

Deze religieuze confrontatie werd ingezet door ayatollah Ali al-Sistani uit Najaf en ayatollah Nasser Makarem Shirazi uit Qom. Aanleiding was een simpel debat over de levensstijl van de gewone moslim. Staat de islam roken toe? Mogen vrouwen autorijden? Deze vragen werden door de Islamitische Studentenbond, een hervormings gezinde beweging uit Teheran, aan de twee geestelijken voorgelegd. De antwoorden van de ayatollahs laten zien dat hun meningen over theologie en de rol die theologie in een moderne moslimmaatschappij inneemt, mijlenver van elkaar verwijderd zijn.

Shirazi is een van de zes mullahs die door ayatollah Ali Khamenei, de Opperste Leider van Iran, zijn aangesteld om een voortrekkersrol voor heel Iran te spelen. Shirazi is stellig van mening dat het roken van tabak in welke vorm dan ook een zonde is. Hij maakt daarbij gebruik van de term «haram» (verboden). In tegenstelling tot Shirazi geeft Sistani blijk van een open, democratische houding ten opzichte van sharia en fatwa, het islamitische recht. Sistani is van mening dat de meeste levenskwesties kunnen worden opgelost met behulp van gezond verstand. Bij ernstige zaken die de feilbare menselijke rede te boven gaan, moet een beroep op de wet worden gedaan. Met andere woorden: mensen moeten vrij zijn in het bepalen van hun eigen lot.

De Iraanse ayatollah hanteert termen als «moeten» en «verplicht». Hij vindt dat geestelijken dwang moeten uitoefenen op de maatschappij. Hij baseert zich hierbij op het uitgangspunt dat de meerderheid van de gelovigen niet in staat is goed van slecht te onderscheiden en daarom de leiding van de geestelijken nodig heeft.

Sistani gebruikt termen als «aanbevolen» en «bij voorkeur». Voor geestelijken ziet hij een rol weggelegd als morele adviseurs en vertrouwenslieden bij ethische aangelegenheden. Hij vindt dat het individu zich moet kunnen beroepen op zijn vrijheid, het grootste geschenk van God aan de mens. De zienswijze van Sistani is in feite aristote liaans. In zijn ideale maatschappij zijn leiders normale, deugdzame burgers. Omdat volgens de islam de mens verantwoordelijk is voor zijn eigen daden, verwerpt Sistani het idee dat mensen de gevolgen van hun daden kunnen ontlopen door klakkeloos te doen wat de geestelijken zeggen.

Anders dan bij Sistani is wijlen ayatollah Khomeini’s zienswijze platoons. Plato had een strakke hiërarchische indeling van de maatschappij voor ogen, met aan het hoofd een verheven koning-filosoof. In 1979 richtte Khomeini zijn Islamitische Republiek Iran volgens dit principe in. Hij schreef een grondwet waarin de mullah, aangeduid als De Opperste Gids, de absolute macht heeft, een macht die de stoutste dromen van tirannieke monarchen overtreft.

Sistani is de primus inter pares van de Iraakse sjiïtische theologen. Tijdens het bewind van Saddam Hoessein leefde hij onder huisarrest en kon hij zijn positie niet gebruiken om zijn visie op het sjiïtische geloof te verkondigen aan sjiïeten buiten Irak. Nu Saddam weg is, kan Sistani meehelpen om Najaf, de plaats waar zich de tempel van de sjiïtische leider bevindt, te herbouwen tot het centrum van het sjiïtische geloof. Sistani is een leerling van wijlen grootayatollah Abol-Qassem Khoi, die door velen werd beschouwd als een van de grootste sjiïtische theologen van de twintigste eeuw. Khoi predikte een versie van de islam waarin de nadruk ligt op persoonlijke deugdzaamheid. Hij wees er herhaaldelijk op dat geestelijken niet naar politieke macht moeten streven, maar als arbiters moeten fungeren tussen overheid en maatschappij.

Anders dan zijn religieuze opponent Khomeini, die publieke en politieke inmenging predikte en eiste dat de mullahs de macht grepen uit naam van de jihad tegen het imperialisme en zionisme, mijdt ayatollah Sistani elke openbare bijeenkomst. Hij verschijnt niet op televisie en verleent geen audiënties. Ook heeft hij geen partij via welke hij aan politieke machtsspelletjes kan deelnemen. Hij is immers van mening dat mullahs niet de politicus moeten uithangen. Sommige analisten beweren dat Sistani zo geïnteresseerd is in verkiezingen omdat de sjiïeten in Irak een meerderheid vormen en daarom een dominante positie in een toekomstige regering kunnen innemen. Deze bewering is gebaseerd op een essentialistische kijk op politiek die nauwelijks voeten in de aarde heeft. Volgens deze kijk zouden alle Amerikaanse katholieken tijdens elke presidentsverkiezing precies dezelfde stem moeten uitbrengen, en zouden alle hindoes in India steeds dezelfde partij steunen. Sistani vraagt juist om verkiezingen omdat hij wil voorkomen dat de nieuwe politieke situatie ten prooi valt aan etnische en sektarische verdeeldheid.

Veel mensen zijn bezorgd dat Sistani — geboren, getogen en gedeeltelijk opgeleid in Iran — tekenen van Perzische hoogmoed vertoont die zou kunnen leiden tot een Iraakse variant op de Islamitische Republiek Iran. Omdat enkele van zijn familieleden nog steeds in Iran wonen, kan hij het slachtoffer van chantage worden. In dat geval zou Sistani een soort Trojaans paard kunnen worden waarmee de Iraanse hardline-geestelijken invloed over heel Irak kunnen krijgen. Iedereen die Sistani’s levenswandel kent, weet echter dat dit het tegengestelde is van wat hij wil. Sistani behoort tot de quiëtistische school van het sjiïtische geloof, die zich altijd tegen de combinatie van theologie en politiek heeft verzet.

Wat de sjiïtische geestelijken verdeelt, is hun interpretatie van soenna’s. Soenna’s zijn geloofsartikelen die door de profeet Mohammed zijn overgedragen in de vorm van uitspraken, handelingen en goedkeuringen. Zij zijn door authentieke en bekende geschiedschrijvers opgetekend in traditionele geschriften. De soenna’s staan ook aan de basis van veel geschillen en zelfs oorlogen tussen moslims. Eigenlijk vormt de grootste kloof tussen de sjiïeten en de soennieten het verschil van interpretatie van de soenna’s. Volgens de meerderheid van de soennieten heeft de profeet geen opvolgers aangewezen voordat hij stierf; dit zou hij aan het volk hebben overgelaten. De sjiïeten geloven daarentegen dat hij Ali, de leider van de sjiïeten, als zijn opvolger heeft aangewezen.

In de geschiedenis van de vroegste en wellicht enige authentieke islamitische orde ten tijde van de eerste kaliefen ontstonden al drie sleutelaspecten van het republikeinse regeringsprincipe zoals dat later in het Westen vorm kreeg: 1. een verkozen staatshoofd, 2. de verantwoordelijkheid van het staatshoofd ten opzichte van het volk en 3. de plicht van beide partijen zich in te spannen voor openbare zaken en sociale aangelegenheden. Dit laatste wordt specifiek bevestigd door de koran (3-159, 42-38).

De eerste vier heersers uit de islamitische geschiedenis waren koningen noch keizers. Deze kaliefen (Abubakr, Osman, Omar, Ali) werden door de bevolking gekozen als leiders. Het overerven van kaliefen betekende een breuk met het electorale principe.

Het was geen toeval dat de profeet geen opvolger aanwees (als we de beweringen van de sjiïtische minderheid even buiten beschouwing laten). Dit is een duidelijk teken dat de islam geen specifieke regeringsstijl voorstaat, geen dynastiek, dictatoriaal, democratisch of stammensysteem. De koran en de soenna’s vormen daarentegen een voedingsbodem voor een islamitisch bewind en bevatten specifieke aanwijzingen voor tijdgebonden problemen. De koran speelt in op (maar sanctioneert niet) de realiteit van een door een patriarch geleide stammenmaatschappij. Tevens geeft het geschrift echter een aanzet tot meer geavanceerde regeringsvormen.

Het lijkt erop dat autocratie en islam veel vanzelfsprekender bondgenoten zijn dan islam en democratie. Democratie wordt bepaald door vrijheid van denken en vrije discussie, terwijl de sharia, het islamitische recht, nadrukkelijk discussie verbiedt over de besluiten van de onfeilbare mening van de ulama, de meesters in de rechten. Het hele concept van onfeilbaarheid, of het nu om een persoon of een groep van personen gaat, is per definitie ondemocratisch en onwetenschappelijk. Democratie is mogelijk door middel van kritische discussie, rationeel denken, het luisteren naar afwijkende meningen, het sluiten van compromissen, het kritisch onderzoeken van veronderstellingen, het bewijzen van theorieën door te proberen ze te weerleggen, en boven alles het tolereren van afwijkende meningen. De islamitische wetgeving is door God geopenbaard en daardoor onfeilbaar. Het idee van onfeilbaarheid in al haar vormen en gedaanten is een schier onuitputtelijke bron van ellende geweest, en heeft onverdraagzaamheid, wreedheid en bijgeloof in de hand gewerkt.

Gedurende de laatste 25 jaar is gebleken dat het islamitisch recht in Iran probeert alle aspecten van het persoonlijke leven te bepalen. Het individu is niet vrij om voor zichzelf te denken of beslissen. Hij heeft de voorschriften van Allah te volgen zoals die op onfeilbare wijze door de ulama worden geïnterpreteerd. Een dergelijke ethische code staat haaks op een liberale democratie. In een democratie worden alle gedachten en ideeën als gelijkwaardig beschouwd, terwijl volgens de sharia één persoon voor alle anderen denkt en beslist.

Sistani’s handelingen geven echter wel degelijk blijk van een streven naar een democratisch islamitisch systeem. Hij gelooft dat de islam ruimte biedt voor democratie, maar in die zin dat de islam gelovigen aanmoedigt hun gezond verstand te gebruiken, kennis te zoeken (denk bijvoorbeeld aan de beroemde woorden van de profeet: «Zoek kennis, zelfs in China») en aan hun islamitische principes vast te houden. Maar aangezien religieus gezag en de islamitische leer een goddelijke oorsprong hebben, zou een vrije interpretatie ervan kunnen uitmonden in een debat over de goddelijkheid zelf. Dat is misschien acceptabel in het kader van theologische en filosofische vraag stellingen, maar in de praktijk toegepast leidt dit al snel tot een ondermijning van het geestelijke gezag. Daarmee wordt religie filosofie en kan al net zo snel opzij worden geschoven.

Sistani is zich goed bewust van het gebrek aan democratie in de Islamitische Republiek Iran. Daarom streeft hij ook geen vergelijkbare islamitische republiek na en beziet hij met afkeer het regime dat door Khomeini in Iran in het zadel werd geholpen. Hij roept op tot verkiezingen omdat hij weet dat een meerderheid van de Irakezen een pluralistisch systeem zal kiezen waarin de islam wel de morele context van het land bepaalt, maar geen politieke standpunten dicteert. Bovendien wil Sistani breken met het verleden door de mening van het volk de doorslag te laten geven. De Coalitie heeft voor politieke bevrijding gezorgd; de verkiezingen moeten voor morele bevrijding zorgen. Het enige wat Sistani wenst, zijn vrije en eerlijke verkiezingen in Irak. Hij laat niet zien hoe dat kan worden bereikt, hij is immers geen politicus. Hij geeft simpelweg zijn mening over de huidige situatie. Het is aan de Coalitie en de Bestuursraad om te bepalen of wat Sistani beweert hout snijdt. Bij een eventueel succes zullen zij met de eer gaan strijken.

Het democratische gehalte van een cultuur kan worden afgelezen aan de rechten van vrouwen en minderheden. Volgens de islamitische wetgeving zijn vrouwen minderwaardig aan mannen. Ze hebben vanuit religieus oogpunt minder rechten en plichten. Wat betreft bloedgeld, getuigenissen en erfenissen telt een vrouw als een halve man. Wat trouwen en scheiden betreft is haar positie eveneens minder gunstig dan die van de man. Ook niet-moslim-minderheden hebben nauwelijks rechten. Joden en christenen worden als tweederangs burgers behandeld. In sommige islamitische landen, zoals Iran en Saoedi-Arabië, mogen joden en christenen hun religie niet openlijk belijden. Andere minderheden, zoals de Bahaï en Ahmaiden, worden in Iran en Pakistan vervolgd. Duizenden leden van de Bahaï-minderheid werden geëxecuteerd toen Iran een islamitische republiek werd. Heidenen en ongelovigen worden evenmin getolereerd. De islamitische houding tegen over ongelovigen is gebaseerd op het oorlogsrecht. Ze moeten worden bekeerd, onderworpen of gedood.

Moslims moeten nog leren dat democratie geen «regering door de meerderheid» inhoudt. Dat er ook andersdenkenden zijn.

De islam stelt zich voortdurend vijandig op tegenover de menselijke rede, rationaliteit en kritische discussie. Zonder deze elementen is democratische, wetenschappelijke en morele vooruitgang onmogelijk. Een individu — een morele persoon — dat rationele beslissingen neemt en morele verantwoordelijkheid aanvaardt voor zijn eigen daden is volgens de islam niet goed bezig. De waarheid is dat de islam geen democratie en mensenrechten kan waarborgen zolang de uitoefening van de sharia voorop staat en zolang er geen sprake is van scheiding van kerk en staat. Aan de andere kant zou een hervormd geloof dat vraag tekens plaatst bij het goddelijk gezag waarop de islamitische instellingen zijn gebaseerd, of dat een poging doet tot rationalistische verzachting, in directe tegenspraak zijn met het wezen van de islam.

Volgens het sjiïtische geloof en de islam in het algemeen is geen enkele religieuze expert gemachtigd een decreet uit te vaardigen. De islam kent pausen noch kardinalen. Gelovigen roepen de hulp van geestelijke experts in wanneer zij zelf niet in staat zijn het juiste antwoord op hun vragen te vinden. Is het antwoord van een expert naar hun mening ontoereikend of onredelijk, dan staat het hun vrij de hulp in te schakelen van een andere expert of op hun eigen oordeel te vertrouwen. Volgens de islam kan men het advies van een religieuze expert dus naast zich neerleggen en net als bij een medisch advies om een second opinion vragen. Deze werkwijze is gebaseerd op het belangrijke islamitische principe dat mensen uiteindelijk zelf verantwoordelijk zijn voor hun daden. Aangezien de islam geen biecht kent, hebben gelovigen de plicht zich grondig te laten adviseren voordat zij tot een bepaalde handeling overgaan. De verantwoordelijkheid voor de uiteindelijke beslissing ligt bij de gelovigen zelf.

Een sjiïtische geestelijke kan worden beoordeeld op zijn geschriften en lezingen aan studenten, en door te kijken naar zijn mentoren en naar de jongere geestelijken die hij heeft opgeleid. Volgens al deze criteria is groot ayatollah Sistani een «democratische» mullah.

Er kunnen twee belangrijke intellectuele stromingen in het moderne sjiïtische gedachtegoed worden onderscheiden. Eén daarvan leidt naar Khomeini, de andere naar geestelijken als Sistani. Er is zeker sprake van overlappende gebieden tussen de twee stromingen. De gelijkberechtiging van de vrouw bijvoorbeeld zal in het Irak van na Saddam nog lang geen voldongen feit zijn. Er is echter weinig reden om aan te nemen dat Sistani de democratie zal afvallen.

Het scheppen van een islamitische democratie in Irak is geen onmogelijke opgave. Zo heeft de nieuwe Islamitische Republiek Afghanistan in haar grondwet gelijke rechten voor vrouwen erkend. Er is geen reden waarom Irak geen democratie zou kunnen worden. Het is niet ondenkbaar dat Sistani met een islamitische variant zal komen die ruimte biedt aan principes van democratie, mensen rechten en de scheiding van kerk en staat.