kunst

Zoeken en experimenteren

Picasso in Parijs

Zoeken en experimenteren

Het Van Gogh Museum heeft een hanteerbaar recept ontwikkeld voor de blockbuster-met-inhoud. Een Grote Naam staat garant voor rijen voor de deur, en de bezoekers krijgen de topwerken die ze mogen verwachten. Tegelijkertijd proberen die tentoonstellingen meer te bieden dan dat: de getoonde werken passen in een discours, of onderbouwen een stelling, en daar worden soms heel rake connecties gemaakt.

In Picasso in Parijs lukt dat ook, ondanks de commerciële fanfare. Het is een beheerst overzicht van Picasso’s werk tussen 1900 en 1907, de periode tussen zijn komst naar Parijs als negentienjarige schilder-journalist en de triomfantelijke doorbraak met de presentatie van Les Demoiselles d'Avignon. Daartussen zit een hoop gezoek en geëxperimenteer. Picasso’s werk in die jaren is even eclectisch als dat van Van Gogh in diens Parijse tijd. Dat wil zeggen: de nieuwkomer wordt geconfronteerd met tientallen nieuwe vormen, technieken en inzichten, die allemaal uitgeprobeerd moeten worden. Van Gogh werd dat al gauw te veel (hij vertrok naar Arles), Picasso slaat zich er manmoedig doorheen. Hij doet alles, éven; in die korte tijd vallen een blauwe en een roze periode en begint de gang naar het kubisme.

De stelling van de tentoonstelling is dat dat eclecticisme gezien moet worden als de zoektocht van een energieke persoonlijkheid naar een eigen stijl, die voltooid wordt met de Demoiselles. Dat heeft een nadeel. De aanname impliceert dat alles wat Picasso ondernam op die triomf gericht was. Met die uitkomst voor ogen is hij dan geen navolger van Cézanne, van Van Gogh of Steinlen, maar ‘hij laat zich inspireren’. Hij kopieert niet, maar hij 'absorbeert’. De tentoonstelling bevat afdoende middelen om ook zonder de echt grote werken van die jaren een paar op z'n minst prikkelende suggesties te doen. De relatie tussen de softe symbolist Puvis de Chavannes en Picasso’s werk uit de blauwe periode, bijvoorbeeld, blijkt onverwacht sterk.

Er doemen ook contexten op die niet tot hun recht komen - de economische, bijvoorbeeld. Zo hangen er zes zeer vroege schilderijtjes naast elkaar, haastig in elkaar gezet op karton, zonder preparatie of ondertekening, die Picasso maakte voor een tentoonstelling bij de kunsthandelaar Ambroise Vollard in 1901. Ze zijn zeer ongelijksoortig, lijken allemaal op werk van andere schilders, en zo was ook de kritiek: dat Picasso al te gretig Toulouse-Lautrec, Vuillard en Van Gogh imiteerde. Dat ensemble toont een zoeker naar een eigen stijl, zou je kunnen zeggen, maar het is evengoed werk van een nieuwkomer die het de handelaar zo veel mogelijk naar de zin wil maken. Er was buiten Vollard maar één galerie die zich serieus met de kunst van de twintigste eeuw bezighield, de concurrentie was groot; voor Picasso was het erop of eronder. De zes werkjes passen precies in Vollards catalogus van die jaren, die leunde op de 'post-impressionisten’: Gauguin, Van Gogh et al. Om de relatie te beklinken maakte Picasso drie portretten van de backers van de tentoonstelling, Pedro Manach, zijn agent, die Vollard zo ver gekregen had, Gustave Coquiot, die het voorwoord in de catalogus schreef, en Vollard zelf. Hij gaf voorts twee schilderijen weg aan critici die gunstig over hem geschreven hadden.

Het duurde jaren voor die investering zich uitbetaalde. In 1905 begonnen Leo en Gertrude Stein Picasso’s werk te verzamelen, in 1906 deed de Rus Sjtsjoekin de eerste van vele aankopen. Pas toen kocht ook Vollard Picasso’s werk aan; pas toen kreeg de schilder de financiële armslag voor die grote doorbraak.

Als signaal daarvan geeft de tentoonstelling niet de Demoiselles - die is niet te lenen - maar het weergaloze zelfportret uit Philadelphia. Ook dat is een schilderij waarvoor je zonder reserve een uur in de rij wil gaan staan.


Picasso in Parijs, 1900-1907. Van Gogh Museum, Amsterdam, t/m 29 mei. www.vangoghmuseum.com