POPMUZIEK

Zoeken naar de waarheid

Monsters of Folk

Het is nacht. Mohammed en Jezus Christus zitten te dobbelen. Dan horen ze de stem van God. Hij vertelt ze wat te doen: de bijbel herschrijven voor een generatie van ongelovigen.
Vanaf nu spreken ze ‘twice as nice’, Christus en Mohammed. Maar Yim Yames heeft een andere voorkeur: ‘The one that I like best – he sings inside my chest.’ Twee stemmen vallen de zanger van My Morning Jacket bij. Het zijn Conor Oberst en Matt Ward, respectievelijk al jaren een van de meest gelauwerde en sinds kort een van de meest gelauwerde singer-songwriters ter wereld.
Een band die voor driekwart uit – in kringen van popliefhebbers uit de 3voor12/Oor-hoek – grote namen bestaat: ja, Monsters of Folk is de (ironische, want folk noch metal) naam van wat dan een ‘supergroep’ heet en doorgaans de benaming is voor een collectief dat met moeite de vergelijking met de individuele leden doorstaat, maar nooit met de som daarvan, tenzij er een C, een S, een N en een Y in hun namen zitten.
Ze hebben – na vijf jaar lang pogingen om samen te komen – nu dan eindelijk samen geschreven, de leden, en Yard, Oberst en Yames zingen beurtelings, waarbij de andere twee dan de achtergrondvocalen verzorgen. Geen van de vier bandleden is drummer, dus drummen ze allemaal een beetje. Hoe verschillend hun stemmen ook en bij hun eigen werk hun stijlen, Monsters of Folk klinkt als een band, niet als een verzameling muzikanten. Dat is des te knapper aangezien het album stilistisch bepaald niet eenvormig is. Het zal hun gedeelde voorkeur zijn voor nummers en een productie (het vierde bandlid Mike Mogis) die nooit glad maar wel altijd verzorgd klinken, voor vocalen als een klok (Matt Ward in het overweldigende The Sandman, The Brakeman and Me: dat is Beach Boys-niveau), en voor een losse, maar tegelijk thematische aanpak.
Ze zoeken naar de waarheid en de verlossing, de drie tekstschrijvers, en wanneer die zich dan lijkt aan te dienen, bevragen of zelfs wantrouwen ze haar. In Man Named Truth, een nummer dat op een van zijn laatste eigen albums had kunnen staan, zingt Conor Oberst ronduit: ‘Don’t ever buy nothing from a man named Truth.’
Maar wel blijven zoeken naar toewijding, zoals in het naar de jaren tachtig geprogrammeerde openingsnummer Dear God (Sincerely M.O.F.): ‘Dear God, I’m trying hard to reach you/ Dear God, I see your face in all I do/ Sometimes it’s so hard to believe in/ But God, I know you have your reasons’.
En als Hij niet snel genoeg antwoordt, vragen ze het Hem rechtstreeks, zoals in The Right Place: ‘Is this right? C’mon God, answer me tonite! Is there some fee that you’ll charge me for doin’ what you thought I might?’
De vraag is ernstig, maar de toon laat ruimte voor een kwinkslag, zoals alles aan dit album klinkt naar gedrevenheid zonder het spelplezier te veronachtzamen.

Monsters of Folk, Monsters of Folk (De Konkurrent). Monsters of Folk spelen volgende maand op het Crossing Border-festival