Zoekend en mijmerend

Nieuw werk van Alejandro Zambra betekent: opletten geblazen. Sinds hij in 2006 zijn romandebuut maakte met het kleine, tedere Bonsai bouwt de Chileense auteur aan een boeiend, stilistisch sterk oeuvre. Zijn proza schurkt het ene moment tegen de poëzie aan en heeft het andere moment meer weg van verhalende essayistiek – over taal, over herinneren, over opgroeien, over literatuur, over de onkenbaarheid van de buitenwereld, zelfs van degenen met wie je dag in, dag uit samenleeft.

Alejandro Zambra roept zijn wereld in een paar regels op © Beowulf SHEEHAN / Opale / Leemage / HH

In de roman Het verborgen leven van bomen (2007) verdwijnt de vrouw van een literatuurdocent spoorloos – niemand weet waarom, waarheen. In de roman Manieren om naar huis terug te keren (2011) nemen een negenjarige jongen en een schrijver afwisselend het woord om zich te verzetten tegen de generatie van hun ouders, maar eigenlijk ook weer niet; zo samengevat klinken Zambra’s boeken veel concreter dan ze tijdens het lezen overkomen, de plot is doorgaans ondergeschikt aan de toon. Drie romans schreef hij tot dusverre en telkens gaat het hoofdzakelijk om de sfeer: onbestemd, dromerig, vaak cerebraal, altijd eenzaam. Nooit schrijft Zambra toe naar een concrete climax of een afgebakende boodschap, zijn hoofdstukken meanderen prettig van bespiegeling naar scène naar oneliner naar gedachteflard, en weer terug.

Het risico van die aanpak, waar Zambra’s werk soms onder lijdt: vaagheid, een gebrek aan spanning. En toch, en daarin openbaart zich zijn talent, wordt het proza nergens vrijblijvend, daarvoor is het gewoonweg te behendig geschreven, te onvoorspelbaar ook: in een verhaal van Zambra (1975) weet je nooit helemaal wat er gaat gebeuren, hoe het de personages zal vergaan. En waar het vooral om draait.

Zijn nieuwste boek is een bundel korte verhalen en die vorm haalt het beste in de auteur naar boven. Mijn documenten is een soepel geschreven verzameling vol typische Zambra-personages, zoekend en mijmerend terwijl ze voor de klas staan, op een kat moeten passen die plots verdwijnt, opgeleid worden tot misdienaar, een affaire beginnen waarvan ze weten dat die geen stand gaat houden of, meer dan eens, met onvermijdelijke maar gelukkig niet overdadige melancholie terugdenken aan vroeger.

Voor sommige auteurs betekent het korte verhaal een vrijbrief om te experimenteren, in vorm of vertelperspectief. De elf geschiedenissen in Mijn documenten zijn juist grotendeels verwant aan elkaar en aan wat Zambra eerder schreef. Ergens is dat jammer, tenminste, na zeven, acht verhalen merkte ik dat ik verlangde naar wat minder opgesierde herinneringsverhalen en ook Mijn documenten heeft te kampen met de klassieke verhalenbundelskwaal: niet alle verhalen halen hetzelfde niveau. Anderzijds: slordig of saai wordt het nergens, en waarom zou Zambra eigenlijk variëren als hij deze ene stiel zo zeldzaam goed beheerst?

In een verhaal van Zambra weet je nooit helemaal wat er gaat gebeuren, hoe het de personages zal vergaan

In Mijn documenten maken we steeds weer kennis met hetzelfde soort hoofdpersonage: vrij intelligent, woonachtig in Chili, vaak werkzaam binnen het universitaire domein en lijkend op de auteur. En steeds weer speelt een aanzienlijk deel van de gebeurtenissen zich af in zijn gedetailleerde gedachtewereld. Zo is er een indrukwekkende, voortrazende monoloog van een middelbare man die zichzelf dwingt om te stoppen met roken. Het verhaal laveert tussen openhartige dagboekaantekeningen en toepasselijke citaten van auteurs die eerder over roken hebben geschreven – verschillende registers die jaloersmakend natuurlijk worden verenigd. En ook vanwege de vele scherpe tussenzinnetjes bleef ik, zoals zo vaak bij Zambra, vanzelf doorlezen. ‘Als ik de maandelijkse bijdragen optel kom ik uit op een soort hypotheek die ik al decennialang loop af te betalen. Of beter gezegd: ik ben iemand die liever rookt dan een huis bezit. Ik ben iemand die een huis heeft opgerookt.’

Een typerend citaat: afgewogen en helder, eindigend met een onverwacht beeld dat bijblijft. Nog zo’n fraai fragment, uit een ander verhaal: ‘In maart 1988 ging ik naar het Instituto Nacional. En daarna kwamen, op hetzelfde moment, de democratie en de puberteit. De puberteit was echt. De democratie niet.’ Geen verdere duiding, geen politieke bespiegelingen: deze drie regels volstaan, meer heeft Zambra niet nodig om zijn wereld op te roepen.

En wat te denken van dit beeldende citaat uit het pronkstuk van de bundel: het verhaal Camilo, een overrompelende verzameling herinneringen aan een jeugdvriend en een vader die zich alleen als keeper op het voetbalveld laat gaan. ‘Ik kon me nooit aan de gedachte onttrekken dat zijn ploeggenoten hem haatten, want hij was zo’n keeper die de hele wedstrijd aanwijzingen gaf, die de verdediging en zelfs het middenveld met harde kreten op de juiste positie zette. Terug, man, terug, pass hem, naar mij, niet dribbelen, terug, man, terug. Hoe vaak heb ik die bevelen wel niet uit de mond van mijn vader horen komen, uitgesproken op een uiterst alarmerende toon. Als hij wel eens naar mij schreeuwde, was het nooit zo hard als de kreten op het voetbalveld.’

Het contrast tussen de vader op en buiten het veld, de feitelijke en daardoor juist zo effectieve stijl, het gebrek aan verdere toelichting: keer op keer bouwt Zambra zijn verhalen op met dezelfde elementen. Mijn documenten is zowel een bevestiging als een vergroting van zijn talent. Een bundel om met potlood in de hand te lezen. En te herlezen.