Zoekende

Als na ‘Parijs’ onze waarden verdedigd moeten worden, dan moet vooral ook de democratie worden verdedigd. En dus zijn er meningsverschillen in Den Haag. Dat is geen gebrek aan daadkracht.

Zou in het Nederlandse parlement het Wilhelmus worden gezongen, zoals in Frankrijk de Marseillaise, als hier doden zouden vallen bij een terroristische aanslag? Aan dat laatste moet je niet denken, maar toch. Wat zou er gebeuren als een van de Kamerleden in dat geval het volkslied aanheft? Ik vrees dat er een ongemakkelijke situatie ontstaat in de Haagse vergaderzaal.

Dat ongemak zou niks zeggen over de afkeer van de terreurdaad. Het zegt wel iets over Nederland. Ons nationalistisch gevoel gaat als het ware gelijk op met de geringe afmetingen van ons land. ‘De dag der overwinning is aangebroken’, dat is ons te pompeus.

Maar het ongemak zou ook de verschillen in de Tweede Kamer weerspiegelen. Wel of niet koningsgezind zijn, wel of niet vinden dat het een moment is om op die manier nationale eenheid uit te stralen. Het ongemak zou symbool staan voor ons land: we hangen van meningsverschillen én moeizame, soms wat modderige compromissen aan elkaar. Ook in moeilijke en onzekere tijden is er niet ineens grote eensgezindheid in Den Haag om wille van de nationale eenheid.

Gelukkig maar. Want als na ‘Parijs’ onze waarden verdedigd moeten worden, zoals nu vaak te horen is, dan moet vooral ook de democratie worden verdedigd. En dat is meer dan de meerderheid beslist. Dat is ruimte voor fors debat en diepe meningsverschillen, dat is rekening houden met minderheden, dat is het hooghouden van de rechtsstaat. Het is inzien dat juist dat alles nodig is, om al zoekend, tastend, vallend en opstaand verder te komen.

Afgelopen week, toen in Den Haag werd gedebatteerd over de gevolgen van ‘Parijs’, zei iemand op de wandelgang: ‘Ik ben zo blij dat we juist nu een kabinet hebben van vvd en pvda, dat juist nu twee partijen die van mening verschillen in de regering zitten.’ Nederland mag dan een land zijn van compromissen, de ene keer is het zoeken daarnaar gezien de kabinetssamenstelling inderdaad harder nodig dan anders. Eigenlijk werd gezegd dat als de vvd nu samen met het cda had geregeerd de oorlogstaal vanuit het kabinet harder was geweest.

De Haagse strijd over het gebruik van het woord oorlog is enerzijds irritant. Die woordstrijd lijkt zo irrelevant. Heeft cda-leider Sybrand van Haersma Buma als er 130 doden zijn gevallen in Parijs werkelijk niks anders te doen dan te proberen vvd en pvda uit elkaar te spelen, omdat minister-president Mark Rutte (vvd) na 13 november wel meteen het woord oorlog in de mond nam, maar vice-premier Lodewijk Asscher (pvda) niet? Maar het is niet irrelevant. Juist hier gaat het om in een democratie.

Buma omarmt wel het woord oorlog en vindt dat het gebruik daarvan ook gevolgen moet hebben: Nederlandse bommen op Syrië, en niet alleen op Irak zoals tot nu toe. Buma weet dat de vvd daar ook zo over denkt. De cda-leider vindt dat Rutte en Asscher door niet beiden het woord oorlog in de mond te nemen ‘geen moreel leiderschap’ tonen, maar verwarrend communiceren.

Maar zo’n aanval geeft Asscher de kans terug te vechten. ‘Duidelijkheid jegens Nederland betekent juist dat je eerlijk bent over het feit dat deze strijd, deze “oorlog” als je wilt, een hybride strijd is. Het is geen strijd tegen een land, geen strijd die je kunt winnen door alleen bommen te gooien. Het is een strijd die ook met tweets en Facebook-posts gevoerd wordt en die ook gevoerd wordt in Nederlandse klaslokalen.’

Het gaat niet om het woord oorlog, het gaat om de consequenties die het gebruik van dat woord kan hebben. Het gaat over verschil van opvatting over wat Islamitische Staat is en hoe je daartegen strijdt.

Met de wijkagent, benadrukt de pvda. Volgens pvda-fractievoorzitter Diederik Samsom zijn die ‘samen met vele anderen in die wijk de remedie tegen vergaand extremisme en uiteindelijk terrorisme’. De wijkagent als frontsoldaat, je kunt er smalend over doen, maar de sociaal-democraten wijzen op de verschillen tussen Nederlandse wijken met veel laagopgeleide moslims en het Brusselse Molenbeek en de Parijse banlieues.

Dat leidt dan weer tot een aanval van het cda, dat daarin direct kans ziet de pvda in te wrijven dat ook hoogopgeleide moslims zich aansluiten bij IS en dat voor het bestrijden van de terreur in Europa de oorlog in Syrië moet worden aangepakt. Dat dwingt de pvda-leider in te gaan op het belang dat hij niet alleen hecht aan de wijkagent maar ook aan een politieke oplossing in Syrië, afgezien van de militaire strijd tegen IS.

In Den Haag wordt op die manier ook ‘gevochten’ over privacy versus veiligheid, preventieve detentie versus de rechten van iemand die wordt vastgezet, over gemengde scholen versus gemengde wijken, over de islam als bron van alle kwaad versus sociale uitsluiting als grondoorzaak, over het nog meer digitaal verzamelen van gegevens over burgers versus de noodzaak van het inzetten van juist meer menselijke oren en ogen, over de grenzen van Europa, over de uitbreiding van Europa, over de Nederlandse hypocrisie als het om olieleverancier Saoedi-Arabië gaat. Overal wordt van mening over verschild.

Of we met dit Haagse gevecht de oorlog tegen terreur winnen? De politiek is zoekende. Dat lijkt weinig daadkrachtig. Maar als politici niet meer met elkaar in debat gaan, is in ieder geval één gevecht al verloren. Dat om het behoud van de democratie.