DE GEWONE MAN 

Zoektocht naar een Haagse held

Heel politiek Den Haag zegt in zijn naam te spreken: de gewone man. Maar iedereen heeft een ander beeld van hem. Over één ding zijn alle partijen het wel eens: hij is ontevreden. Over de wereld of over zijn eigen leven. Hoeveel aandacht hij ook krijgt, hij voelt zich niet gehoord. Wie is hij, en wat wil hij? Op zoek naar Jan de Jong.

HIJ BETAALT ALTIJD de rekeningen, werkt hard, spaart vlijtig en wil niets meer dan een betere toekomst voor zijn kinderen. Vraag een willekeurige politicus naar zijn mening over hem en het regent lofuitingen, van het soort dat je gewoonlijk alleen op begrafenissen hoort. Anderen zouden klagen, over het bescheiden inkomen of de verloedering van zijn buurt, maar hij niet, al is hij nog zo boos. Nee hoor. Even slikken en weer doorgaan, de handen uit de mouwen. Zo is hij, de gewone man. Een prachtvent.
Voorbij de lovende woorden wordt het door de politici gegeven signalement minder eenduidig. Volgens Rita Verdonk zitten de toestand in de zorg en het onderwijs, de files en de immigratie hem dwars. Maar hoe weet zij dat? Volgens Geert Wilders heeft Rita weinig op met de gewone man, zo zei hij eerder tegenover De Telegraaf. Geert daarentegen mag hem bij de voornaam noemen: Henk. Samen met zijn Ingrid betaalt Henk het gelag voor Mohammed en Fatima, betoogde de leider van de Partij voor de Vrijheid tijdens de Algemene Beschouwingen, afgelopen september. En Henk mag dan geen zeikerd zijn, hij betaalt zich volgens Wilders blauw aan zorgpremies en heeft zijn buik vol van de ‘vette volgevreten links-liberale grachtengordelelite’ en van de ‘dagelijkse overlast, straatterreur, criminaliteit en verloedering die veel allochtonen met zich meebrengen’. Wilders kan het weten, want hij zegt met zijn Partij voor de Vrijheid als enige te spreken namens deze ‘gewone Nederlander die het niet cadeau krijgt’. Diens mening peilen is eenvoudig, liet hij zich in een interview met nu.nl ontvallen: ‘Je hoeft maar naar de reacties op nujij.nl te kijken.’
Er is nog iemand die het volgens Wilders goed voor heeft met de gewone man: Jan Marijnissen. Die waardering is niet wederzijds. De SP wijdde zelfs een speciale brochure aan de negatieve gevolgen van Wilders’ politieke programma – afschaffen minimumloon, versoepeling ontslagrecht – voor de gewone man. Die heeft dan ook heel andere zorgen dan Wilders meent, aldus de SP, die overigens heel geëmancipeerd spreekt over ‘gewone mensen’. Deze mensen, niet noodzakelijk blank, hebben volgens Tweede-Kamerlid Emile Roemer ‘een gemiddelde auto en een bescheiden inkomen’ en moeten ‘van de baas op reguliere tijden werken’. Volgens Marijnissen zijn zij degenen die te maken krijgen met de schaduwkanten van de neoliberale globalisering, bijvoorbeeld omdat hun bedrijf naar het buitenland vertrekt. En ze zijn te nuchter om te geloven in het sprookje van de neoliberale Europese Unie. Het zijn al met al, zo vatte de dit jaar afgetreden fractievoorzitter het eerder samen, ‘mensen die recht hebben om te klagen, dat niet doen, maar doorgaan en uiteindelijk slagen’.
Verschilt de gewone man zoals Wilders hem omschrijft al op een aantal punten van die van de SP, andere partijen lijken het soms zelfs over een heel ander persoon te hebben. Bij de PVDA is dat begrijpelijk: Wouter Bos gaf op het laatste partijcongres aan dat ze de laatste jaren wat uit elkaar gegroeid zijn, hij en de gewone man, door hem ook de ‘deugdzame burger’ genoemd. Mark Rutte spreekt liever over de ‘Hard Werkende Nederlander’, HWN voor intimi. Die is ook vlijtig en voortdurend het haasje, maar allerminst gewoon. Sterker, hij keert zich volgens de VVD-aanvoerder ‘tegen de terreur van de middelmaat’. Om de verwarring compleet te maken blijkt die gewone man die wars is van politici in de Brabantse gemeente Oirschot ook nog eens in de gemeenteraad te zitten. Als lijst De Gewone Man, in drievoud maar liefst!
Het maakt alleen maar nieuwsgieriger. Wie is deze gewone man nu werkelijk, en wat wil hij? Zoveel is duidelijk: het gaat om een door en door fatsoenlijk mens, die niet van klagen houdt, maar diep in zijn hart onvrede voelt over waar het met Nederland naartoe gaat. En niet te vergeten: zoals hij zijn er tallozen. De zwijgende meerderheid. Het lijkt op wat de Britse Daily Telegraph enige tijd geleden waarderend de ‘coping classes’ noemde: de mensen die ondanks alle tegenslagen doorbijten. Zonder te morren of de hand op te houden. Wie kent ze niet? Hoe moeilijk kan het zijn die gewone man op te sporen en eens en voor altijd duidelijkheid te scheppen, een einde te maken aan de onzekerheid bij de politiek?

Maar zo vanzelfsprekend als de politici op het Binnenhof over hem praten, zo huiverig zijn de wetenschappers om zich uit te spreken over wie de gewone man is. De medewerkers van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen zeggen desgevraagd niets over hem te weten. Ik probeer het bij Jan Latten, demograaf bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Tevergeefs. Hij noemt het hele idee van een gewone, gemiddelde Nederlander zelfs ‘problematisch’. Neem de met 1,66 meter geringe lengte van de gemiddelde Nederlander. Logisch, want de baby’s tellen ook mee in zo’n getal.
Helemaal vreemd is het fenomeen desondanks niet. De ‘gemiddelde mens’ hield in de negentiende eeuw al de gemoederen bezig van sociologen. Het begrip kwam van de Belg Adolphe Quételet, een van de pioniers van de sociale statistiek. Voor hem was het tegelijkertijd een ideaal; anderen vonden het onzinnig om over een gemiddelde mens te spreken. De crux zit ’m in de statistische verdeling van de gemeten waarden, zoals lengte, politieke voorkeur of inkomen. Alleen als al die waarden dicht bij het gemiddelde zitten, kan enigszins zinvol gesproken worden van een gemiddelde, gewone mens. Dat is enkel het geval bij relatief homogene groepen, zoals bij Quételets eigen onderzoek onder Franse dienstplichtigen, die in fysiek opzicht veel op elkaar leken.
Misschien was op die manier vroeger nog wel iets van een ‘gewone Nederlander’ te onderscheiden, geeft Latten toe: ‘Je had een arbeidersklasse, wat notabelen en daar tussenin de middenstand. De samenleving van de jaren vijftig was vrij eenvormig, met weinig keuzemogelijkheden. Eén voorbeeld: de meeste mensen gingen het huis uit, er was een huwelijk en de rest van hun leven waren ze getrouwd. Tegenwoordig kun je ook gescheiden zijn of alleenstaand of ongetrouwd samenwonend. De samenleving is bovendien in sociaal opzicht veel mobieler geworden.’
Volgens Latten is het onmogelijk nog langer een omvangrijke, min of meer homogene groep in de samenleving aan te wijzen, een stiekeme meerderheid waartoe de gewone man zou kunnen behoren. Over de middenklasse wordt vaak gesproken. Maar het enige wat haar bindt, aldus Latten, is dat zij gevormd wordt door de middelste groepen in de inkomensstatistiek. En ook Jan Modaal is een predikaat dat enkel iets zegt over werk en inkomen.

Blijkbaar is de gemiddelde Nederlander nog niet hetzelfde als de gewone Nederlander. Het gaat om wat het meest voorkomt, bijvoorbeeld de combinatie van de meest gebruikelijke voor- en achternaam: Jan de Jong. Het CBS kan daar moeilijk mee uit de voeten. Dat zou niet moeten gelden voor de peilers, de mensen wier beroep het is bij te houden wat ‘de Nederlanders’ denken, vinden en willen. Opdrachtgevers horen bovendien niet graag dat iedere Nederlander anders is; hoe groter de overeenkomsten tussen mensen, hoe gemakkelijker het is hier met reclame en voorlichting op in te spelen.
En inderdaad onderscheidt een onderzoeksbureau als Motivaction een aantal grotere, tot op zekere hoogte homogene groepen in de samenleving. Het gaat niet om sociaal-economische klassen, maar om acht sociale milieus, elk met een eigen waardepatroon, van ‘gemaksgeoriënteerden’ tot ‘postmaterialisten’. De twee grootste groepen zijn de traditionele burgerij (18 procent) en de moderne burgerij (22 procent). Beide zijn conformistisch, redelijk traditioneel en zien het gezin als hoeksteen van de samenleving, al houdt de moderne burgerij ook van ‘consumeren en genieten’. Op dit laatste milieu moest het CDA zich tijdens de landelijke verkiezingen in 2006 richten volgens het bij Motivaction ingekochte advies. Dus sprak Balkenende op televisie in RTL Boulevard over snelle auto’s om de moderne burgerij, tuk op technische snufjes, te paaien.
Waarschijnlijk komen de twee soorten burgerij nog het dichtst in de buurt van de gewone man van de politiek. Zeker is het niet. En wie die gewone man dan precies is, blijft bovendien abstract. Daar moet het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), de instantie die de vinger aan de pols houdt van wat ‘de Nederlanders’ denken, vinden en willen, iets aan kunnen doen. De voorlichter verwijst me naar een reeks rapporten en onderzoeken. Geen nauwgezet profiel van de gewone man, maar puzzelstukjes waaruit misschien een beeld kan worden geconstrueerd.
Eén zo’n stukje springt er in de onderzoeken van de laatste jaren meteen uit. ‘Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht’, zo wordt de algemene stemming in Nederland samengevat. Tegelijkertijd is de overgrote meerderheid van de Nederlanders gelukkig, in 2006 maar liefst 82 procent. En slechts een kleine minderheid van 22 procent zegt zich wel eens onveilig te voelen. De ontevreden, bange gewone man zoals de politiek die omschrijft, is blijkbaar helemaal niet zo gewoon. Het gaat om een forse minderheid, aldus het SCP, ‘die ontevreden en wantrouwend is ten opzichte van de overheid, moeite heeft met de verschraling van de verzorgingsstaat, moeite heeft met de verkleuring van Nederland en bovendien van mening is dat zijn stem niet gehoord wordt’.
Interessant genoeg zijn binnen die minderheid ook nog eens twee groepen te onderscheiden, zo blijkt uit een recente rapportage van het Continu Onderzoek Burgerperspectieven. De ‘ontevredenen’ zijn niet gelukkig met hun eigen situatie, maar oordelen over andere mensen niet al te negatief. Dit in tegenstelling tot de ‘wantrouwigen’, die zelf wel gelukkig zeggen te zijn, maar die pessimistisch zijn over de buitenwereld. Zij maken zich bovengemiddeld druk over criminaliteit en veiligheid en hebben het minste vertrouwen in ‘Den Haag’. Het gaat om mensen die veel naar de commerciële omroep kijken en die vaker dan anderen geloven dat niet het kabinet maar Wilders de waarheid sprak over de gang van zaken rond diens film Fitna. De ‘ontevredenen’ bezien daarentegen vooral de grote ondernemingen met achterdocht. Zij maken zich zorgen over de economie en hun inkomen, maar hebben wel vertrouwen in de hulpvaardigheid van hun medemens.
Ziedaar de twee prototypes van de gewone man in de politiek. De ‘wantrouwigen’, voor wie de onvrede ‘de rest’ betreft, voldoen het meest aan de gewone man zoals Wilders die neerzet. De ‘ontevredenen’, die vooral ongelukkig zijn met hun eigen leefsituatie, vertonen opvallende overeenkomsten met de gewone mensen op wie de SP zich richt. Wil de echte gewone man opstaan?

De zoektocht wordt er niet gemakkelijker op. De gewone man is niet gemiddeld, en eigenlijk ook niet zo gewoon, in de zin van de grootste gemene deler van de Nederlandse bevolking. Wat kan er dan wél over hem gezegd worden? Samenvattend: het gaat om een forse minderheid die ontevreden is, óf met de eigen leefsituatie óf met de rest van de maatschappij. De gewone man is traditioneel, ook in zijn gezinsleven, en springt niet al te vaak uit de band. Maar hoe vind ik hem?
De marketingindustrie biedt uitkomst: zoek een ijkpersoon. Tijdschriften gebruiken ze vaak, zulke fictieve mensen die ‘de gemiddelde lezer’ representeren. Jaren geleden had Panorama al Piet. De Yes richt zich op de twintigjarige Suzanne, die sinds kort op kamers woont in Doetinchem. En Volkskrant Magazine schreef voor een gezin in de Utrechtse J.P. Coenstraat. Een ijkpersoon heeft weinig geheimen voor zijn of haar bedrijf. Neem Petra van warenhuisketen V&D, een vrouw van middelbare leeftijd die vooral kleren wil kopen. ‘Petra stoort zich aan lege en onverzorgde rekken, aan tafels waar T-shirts als spaghetti door elkaar liggen en aan bakken vol afgeprijsde artikelen waarin zij niks terug kan vinden’, aldus een woordvoerder van het concern in de krant.
Wie een politiek ijkpersoon zoekt, moet afreizen naar Woerden, volgens de clichés de meest doorsnee stad van Nederland. De inwoners zouden een dusdanig goede afspiegeling zijn van de Nederlandse bevolking dat onderzoekers er in het verleden behalve exit-polls bij verkiezingen ook proeven organiseerden met de chipcard en met het afschaffen van de munten van één en twee eurocent.

Willen we naar Woerden? Dan gáán we naar Woerden. De entree is veelbelovend. Als ik uit de trein stap, zie ik een draaiende molen, scooters en op het stationsplein hangjongeren, maar niet te veel. Eenmaal in het centrum blijkt het toch moeilijker dan gedacht. Bij wie moet ik beginnen? Een voorbijganger die verzekert dat ‘tachtig procent van de Nederlanders de gewone man is’, doet de moed verder in de schoenen zakken. De tijd begint bovendien te dringen: straks is het zes uur en dan zit de gewone man volgens de statistieken thuis aan tafel, voor het avondeten.
Dan lijkt het ineens raak. Uit de Hema wandelt een man naar zijn fiets, een Hema-worst in zijn hand. De gewone man? ‘Nee, die ken ik niet hoor. Elk mens is anders’, grinnikt hij. ‘Morgen rond twaalf uur, dan moet je hier terugkomen, dan is er boerenmarkt. Of misschien moet je hem zoeken in de Schilderswijk’, denkt hij mee. Klaagt hij toevallig wel eens? ‘Alsjeblieft niet. Je hebt van die mensen die altijd klagen, maar ik niet hoor.’ Of hij dan tenminste een Jan de Jong kent hier? ‘Ja, maar die is niet gewoon, die is eigenwijs. Is uit het bestuur van de voetbalclub gegooid.’ En nee, zelf heet hij niet Jan de Jong. Wel Jan trouwens, voegt hij er achteloos aan toe, terwijl hij op zijn fiets stapt.

Heb ik de gewone man ontmoet? Ja en nee. Op het PVDA-congres deze zomer liet Wouter Bos doorschemeren dat politici niet alleen de zorgen en de wensen van de gewone man vertolken, maar die deels ook zelf bedenken: ‘Vrienden, er is maar één ding waar mensen ons over willen horen: ons eigen verhaal over het leven van heel gewone mensen, wat daar aan de hand is, waar ze bezorgd over zijn, waar ze geïnspireerd door raken, in wat voor land ze willen leven. Een verhaal dat bindt en boeit. En op dat verhaal moeten we elkaar vandaag opnieuw vinden.’
De echte parlementaire democratie zoals wij die in Nederland kennen, begon met de ‘kleine luyden’, die problemen en verlangens hadden. Abraham Kuyper richtte een partij op, de ARP, waarmee hij deze mensen probeerde te vertegenwoordigen. Daaruit ontstond een wisselwerking tussen partij en achterban, waarbij beide elkaar beïnvloedden en kneedden.
Tegenwoordig gaat het anders. Politici weten niet langer wie hun achterban is. Of zij hebben, zoals de SP, moeite deze onder één pakkende noemer aan te spreken – de term ‘arbeidersklasse’ is niet bepaald populair. Dus boetseren reeds bestaande politieke partijen een fictieve achterban, liefst zo groot en breed mogelijk. Dat heeft een hoog moralistisch gehalte. ‘De gewone man’ is altijd netjes, werkt hard en betaalt keurig belasting. De gewone man als nationalistische mythe; net als de sobere calvinistische burger vol van plichtsbesef en gemeenschapszin, zij het niet langer gedwee maar boos.
Uiteindelijk zijn het allemaal wensdromen van politici die verlangen naar de helderheid van weleer. Die duidelijkheid willen over wie hun kiezers zijn, hoe ze leven en wat ze willen. Liefst zonder al te veel tegenstrijdige belangen, want dat representeert zo moeilijk. Het leidt tot de paradox dat hoe pluriformer het electoraat is, hoe populairder generalisaties als ‘de gewone man’ en ‘de hardwerkende Nederlander’ worden.
De kracht van deze predikaten zit ’m in het ondefinieerbare. Iedereen kan zich een eigen voorstelling maken van zo’n gewone man. Maar het blijft een passieve categorie. Misschien is Jan bij de Hema in Woerden er inderdaad wel een. Maar hij beschouwt zichzelf niet als zodanig. Ieder mens heeft immers iets unieks – vinden we althans van onszelf. Dé gewone man zal dan ook niet snel opstaan, zelf het woord nemen en de politici vertellen wat hij nu echt wil. Zo’n type is hij bovendien ook niet, verzekeren diezelfde politici ons. En dat is wel zo comfortabel voor hen.

…………………………………

De gemiddelde Nederlander
Jan de Jong (39) heeft vier vrienden, sport twee uur per week, drinkt vier koppen koffie per dag en gaat om half twaalf naar bed. Jan woont samen met zijn Maria (40,5 jaar, 1 meter 68) in een kleine gemeente van rond de 35.000 inwoners. Hij stemt centrum-rechts. En zijn tongzoen duurt tien seconden, wist Elsevier vorig jaar te melden. Om daar nog even op door te gaan: hij schijnt het 94 keer per jaar te doen, twintig minuten lang.
Zijn Amerikaanse evenknie heet Bob Burns, een 36-jarige onderhoudsmonteur. Deze gemiddelde Amerikaan bestaat echt: hij voldeed aan alle door de onderzoekers gestelde criteria. En dus heeft Burns precies negen vrienden, gaat hij eens per maand naar de kerk en woont hij op vier kilometer afstand van de McDonald’s. Zijn pindakaas heeft hij graag zonder stukjes noot erin.

De hardst werkende Nederlander
De gemiddelde Nederlander is met een werkweek van 23,5 uur zeker niet de Hard Werkende Nederlander. Ook de gemiddelde werknemer schiet met 29 uur per week te kort. Wie komt er dan wél voor in aanmerking? Toch nog een heleboel mensen. Mannen die voltijd werken in de particuliere sector maken volgens cijfers van het CBS jaarlijks gemiddeld de meeste uren: 1726. Maar als gekeken wordt naar hoeveelheid vrije tijd is de hardst werkende Nederlander een middelbaar of hoogopgeleide vrouw van tussen de 35 en 49 jaar met kinderen.
En terwijl van alle leeftijdscategorieën de senioren tussen de 65 en 75 jaar die nog een baan hebben de meeste uren maken, gelden binnen de verschillende beroepsgroepen de jonge IT’ers als de absolute werkpaarden van de Nederlandse economie, met jaarlijks 1830 uur. Dat betekent niet dat de lager opgeleide arbeiders hiervoor onderdoen. De even jonge collega’s in de transportsector maken namelijk met 47,7 uur de langste werkweek.
De hardst werkende Nederlander is dus een man, maar ook een vrouw. Een bejaarde en een jongere, een hoogopgeleide brainworker en een vrachtwagenchauffeur. Mark Rutte mikt blijkbaar op een parlementaire meerderheid voor zijn partij.