Zoektocht om niet te vinden

Alfred Birney, De onschuld van een vis. 191 blz., Contact, 3 34,90
EEN PAAR jaar geleden was regelmatig een commercial te zien van het biermerk Dommelsch (dat toen nog niet zo genant trachtte een high brow-imago op te houden) waarin de tv-kijker, alsof hij door een fotocamera vanuit de ruimte keek, steeds verder inzoomde op een bierdopje op een flesje op de leuning van een strandstoel in het zand op het strand bij de zee aan de Nederlandse kust, in Europa, op de aardbol. Startend in de ruimte werd hij onweerstaanbaar aangezogen door het trotse ‘Dommelsch’ op het minuscule dopje.

In De onschuld van een vis, de vierde roman van Alfred Birney (1951), gebeurt iets dergelijks. De lezer wordt meegenomen naar een stad, met daarin een buurt, met daarin een straat, met daarin een huis, met daarin een kamer, met daarin een jongeman, met daarin een bewustzijn, een geest en een innerlijke wereld. In diezelfde kamer staat ook een aquarium, met daarin eerst nog een heleboel vissen, planten en stenen, en uiteindelijk alleen nog maar een vis. Als die inzoomende Dommelsch-camera dringt het verhaal stukje bij beetje verder door in zowel de fysieke omgeving als het binnenbreinse universum van de protagonist.
De stad is de Hofstad, Den Haag. De buurt een ‘oude Indische buurt met herinneringen aan dingen die nooit voorbijgaan’. De straat is een doodgewone straat, net als de hoek waar Eduard aan het begin van de roman kan worden aangetroffen. Hij staat op het trottoir te kijken naar een huis aan de overkant, dat met zijn gesloten gordijnen een afwerende indruk op hem maakt. Wanneer hij zijn aarzeling heeft overwonnen en met enkele passen ook het verhaal een beetje verder door de trechter duwt, betreedt hij de locatie waar De onschuld van een vis zich verder geheel zal afspelen: het huis van zijn vader.
OP DAT MOMENT begint een heus Kammerspiel, waarin de ontwikkelingen en conflicten zich voor het allergrootste deel in Eduards geest afspelen. Afgezien van enkele bezoekers, noodzakelijk voor het leegruimen van de woning, is er niets waardoor Eduard in contact treedt met de buitenwereld. Hij is alleen, alleen met zijn herinneringen, angsten en vragen.
Een oude scooter, wat meubelen, kleren, potten en pannen zijn de stille getuigen van zijn vaders leven. Eduard, genoemd Edu, is door zijn moeder opgedragen naar het huis te gaan. Zijn ouders zijn al lang uit elkaar, en noch de moeder, noch Joshua en Ella, Edu’s broer en zus, hebben de laatste jaren contact gehad met de vader. Wat er precies met hem is gebeurd, blijft in eerste instantie onduidelijk. Edu verwacht zijn vader niet te zullen aantreffen, maar voelt toch voortdurend de angst dat hij plotseling zal opdoemen. Na verloop van tijd wordt duidelijk dat de vader is overleden, en zijn woning moet worden leeggeruimd.
Eduard heeft zijn vader erg lang niet meer gezien, niet meer willen zien, en door zijn huis te betreden - met tegenzin - wordt hij gedwongen zijn jeugd te reconstrueren en na te gaan welke rol zijn vader precies heeft gespeeld in zijn leven. In zijn eentje in de woning van zijn gestorven verwekker geeft hij zijn herinneringen alle ruimte.
Dat is weinig aangenaam, want 'vroeger’ betekent vooral geweld, waanzin, haat en agressie. De in Indonesie geboren vechtjas heeft, sinds hij na de onafhankelijkheidsstrijd naar Nederland is gekomen, grondig het leven vergald van het gezin dat hij stichtte. In Eduards reflecties en overpeinzingen is dan ook nooit sprake van nostalgie, gemis of liefde. De vader heeft slechts bitterheid en afschuw opgeroepen. Wat hij heeft betekend voor zijn vrouw en kinderen, wordt pijnlijk-mooi geillustreerd door de namen waarmee hij door hen wordt aangeduid: 'de cipier’, 'de beul’, 'de vechtjas’, 'de kluizenaar’, 'de dictator’, 'de controleur’, 'de kolonel’, 'de voormalige gevangenenverhoorder’ en 'de oorlogsmisdadiger’. Alles aan hem was oorlog. Zoals hij tijdens de oorlog gevangenen martelde, zo legde hij in Nederland zijn gezin een terreur op van onverbiddelijke wreedheid en krankzinnige agressie, die uiteindelijk vier verknipte mensen voortbracht.
Nu Eduard ouder is geworden moet hij constateren dat zijn vader hem nog steeds niet met rust laat: ’ ’s Avonds in zijn flat verviel hij in gestaar over de daken van de stad naar de verte waar ergens de geest van de beul rondwaarde, luisterend naar wat nooit besproken werd en almaar bleef cirkelen in zijn gedachten en hem achtervolgde tot in bed. In hardop uitgesproken monologen bespotte hij zichzelf, probeerde zich ruwweg gerust te stellen, zonder resultaat, hij sliep slecht en vervloekte de na jaren teruggekeerde alomtegenwoordigheid van de bruut, de ongewenste stem van de man die schreeuwend op de pieken en echoend in de dalen van de herinneringen zijn anders zo kalme gedachtengang kwam verstoren. Nog steeds. Weer. Toch weer. Het ging maar niet over, zelfs nu niet, juist nu niet.’
De mensen die hij lief zou moeten hebben, kon hij slechts als vijanden zien. In Joshua en Eduard wordt het verlangen naar wraak het duidelijkst manifest: 'En laten wij hem maar “de burchtheer” noemen, broer. Laat ons bij nieuwe maan de burchtgracht overzwemmen en hem de strot afsnijden. (…) De terechtgestelde ligt bloedend in het vochtige gras. Sidderend in weerloosheid, zijn handen lam, zijn voeten om te lachen zo zieligjes naar buiten gedraaid. (…) De hemel ziet zwart, maar er brandt een fakkel op de binnenplaats. Mooi zo. Dan kunnen de hersenen van de man nog even de film van zijn strijdvol leven afdraaien. Eerst het verzet tegen de Japanners. Dan de strijd tegen de Indonesische nationalisten. Vervolgens de oorlog tegen zijn herinneringen. Zijn gekte, de troep in zijn kop. Houdt hij ons nog altijd voor zijn tegenstanders? Nooit zag hij wie we waren, zelfs niet toen we alleen maar konden kruipen in bepoederde luiers, graaien naar onze rammelaars. Hij zag alleen maar vijanden.’
Toen Edu klein was, slaapwandelde hij vaak. Zijn vader had daar een gruwelijke hekel aan (of was daar intens bang voor) en reageerde door 'zijn slaapwandelende zoon in zijn stramme gang door het huis van achteren te besluipen. Want het vereist geduld, nietwaar, te wachten tot een slaapwandelaar zich omdraait. Om zo'n dromer heen lopen zonder hem te laten schrikken voordat je een washandje in zijn gezicht gooit, dat was een kunst die de voormalige gevangenenverhoorder uitstekend had beheerst.’ Aan dat natte washandje heeft Eduard zijn leven lang niet alleen een trauma, maar ook een gevoel van paranoia overgehouden.
Paradoxaal genoeg koesterde de vader een schijnbaar tedere liefde voor zijn vissen. Als Edu het huis heeft leeggeruimd en de inboedel van de hand heeft gedaan, wordt hij steeds sterker aangetrokken door het aquarium en zijn inhoud. Tegelijk met de woning ontruimt hij dat ook. Nadat de gestorven dieren, de planten en stenen zijn verwijderd, is er nog een grote vis over, een meerval. Zittend in het kale huis observeert Edu de vis, zwemmend in een kaal aquarium, beroofd van zijn planten. Hij stelt zichzelf de vraag of zijn vader misschien meer van zijn vissen hield dan van zijn kinderen. Het beest gaat meer voor hem betekenen dan zomaar een dier, zelfs zoveel dat hij zich ermee vereenzelvigt.
'Zwemmen in zo'n bak zou iets van slaapwandelen weg kunnen hebben. Alles is goed in de koestering van het warme water, het vaste decor om je heen. Totdat iemand door het beeld komt lopen. Maakt het uit wie dat is?’
DE ONSCHULD van een vis heeft het klassieke, bijna clichematige thema van het vader- zoonconflict. Alfred Birney heeft dat echter op zo'n manier uitgewerkt dat het toch boeiend is. Hij schrijft ergens: 'Er kan een dag komen waarop je je vader werkelijk zoekt. Met de hoop hem niet te vinden.’ Die paradox - de zoektocht naar iets dat voorgoed moet worden vergeten - maakt de roman in zekere zin 'spannend’. En dat is knap, vooral omdat dit een vrij traag boek is. Van handeling is nauwelijks sprake en dialogen zijn schaars. Het zijn de innerlijke monologen, herinneringen en gedachten van Eduard die het verhaal moeten dragen, en het ook kunnen dragen. Door zijn ingetogen stijl, die godzijdank nergens nadrukkelijk 'mooi’ wil zijn, roept Birney een stille, bijna breekbare wereld op, die hij soepel en geleidelijk steeds een stukje verder voor de lezer ontsluit.
Het is dan ook jammer dat naar het eind toe de symboliek nogal opdringerig wordt. Als Eduard alleen in huis is, met het gezelschap van de onschuldige meerval en een echte brouwersiaanse bromvlieg, ligt het er allemaal een beetje te dik bovenop. Dan kan de auteur zich niet inhouden, terwijl hij daar de hele tijd nou net zo goed in slaagde. Als Edu eerst gewag maakt van zijn slaapwandelverleden inclusief zijn vaders straf met het washandje, vervolgens met een in huis achtergebleven washandje een dikke bromvlieg doodgooit en hem daarna in het aquarium gooit waar zijn vriend de vis hem opslokt, moet er met zoveel nadruk iets duidelijk worden gemaakt dat Birney de verder zo prettige onderkoeldheid en suggestiviteit helaas eventjes vergeet.