Jan Siebelink, Margaretha

Zoemende vliegen rond bleke billen

Jan Siebelink

Margaretha

Uitg. De Bezige Bij, 343 blz., € 19,50

In de roman Margaretha volgt Jan Siebelink in grote lijnen wat er over Margaretha van Parma (1522-1586) in geschiedenisboeken is opgetekend. Ze was dochter van Karel V en Jeanne van der Gheynst, dienstmeisje in een kasteel in Oudenaerde in Vlaanderen. Margaretha was dus een bastaard, zoals dit weinig fijnzinnig heet, en de haar omringende hofkliek peperde haar dat uiteraard ongenadig in. Karel V liet haar overigens niet in de steek, hij huwelijkte haar uit dynastieke motieven eerst uit aan Alexander de Medici en na diens dood in 1537 belandde ze in het huwelijksbed van Ottavio Farnese. Dit alles om de Habsburgse bezittingen in Italië ook in de toekomst veilig te stellen en eventueel uit te breiden.

In de Nederlandse geschiedenis speelde ze een rol toen ze enige tijd optrad als vertegenwoordigster van Philips II (haar halfbroer) in de Nederlanden. Ze was landvoogdes van 1559 tot eind 1567 en probeerde tevergeefs te bemiddelen tussen het Spaanse hof, dat een streng godsdienstig en economisch bewind eiste, en de Nederlandse en Vlaamse adel, die pleitte voor verdraagzaamheid. Jane de Iongh publiceerde in 1965 een biografie over haar die een beeld schetst van een zeer ongelukkig leven, van een kwetsbare vrouw die vaak ziek was, die leed aan ernstige minderwaardigheidsgevoelens en die ook in haar privé-leven weinig geluk kende.

Hoe voeg je aan deze historische achtergrond en aan deze biografische beelden nog iets nieuws toe? Toch is dat niet de vraag; de vraag is hoe je van deze gegevens een Jan Siebelink-boek weet te maken. Siebelink koos voor de terugblik achteraf. Margaretha van Parma bevindt zich op oudere leeftijd in Italië. Ze wordt omringd door een aantal getrouwen die er nog het beste van proberen te maken. Ze is moe, ziek en verwaarloosd en blikt terug op haar leven. Siebelink beschrijft tot in alle morbide details haar aftakeling: haar tandeloze aanblik, haar pijnen, haar verdorde lichaam. Haar nog steeds af en toe opbloeiende seksuele lust lijkt daarmee sterk te contrasteren. Siebelink is er een meester in dit soort verbindingen te maken: hier dus die tussen aftakeling en lust. Zie bijvoorbeeld de scène waarin Margaretha zichzelf als oude vrouw van top tot teen in de spiegel bekijkt: «Met gestrekte vingers, als vroeger over de plooien van een nieuw jurkje, dwaalt ze over haar lichaam. Haar bloed stroomt nauwelijks meer, maar in die mond, onder de jacht in het brandend hete, zwetende leer van het zadel gedrukt, tussen haar en de rug van het paard, klopt het bloed nog.»

Op deze momenten, en er zijn er veel meer, begint dit boek los te komen van zijn historische-roman-kluisters, ik bedoel los te komen van de plicht een aaneengesloten geschiedenis van een leven in de historie te geven. Siebelink volgt de belangrijke gebeurtenissen uit dat leven vaak op de voet, wat mij betreft iets te vaak. We krijgen highlights uit de vaderlandse geschiedenis in korte scènes op ons bord: de inzegening van Margaretha, de aanbieding van het Smeekschrift der Edelen, de toespraken en de politieke machinaties van de prins van Oranje, het gekuip van Granvelle en Philips II, het rauwe gedrag van Egmond en Hoorne. In dit soort scènes blijft Siebelink niet erg ver verwijderd van de historische kroniek, al voegt hij er altijd wel een of andere rare toets aan toe: een schreeuw uit het volk, een hondje, een precieze kledingbeschrijving. Of een niet erg historisch betrouwbare maar wel echt siebelinkiaanse verhaallijn waarin Margaretha zich tot op hoge leeftijd sterk aangetrokken voelt tot de prins van Oranje en zich uitleeft in erotische fantasieën over hem.

Maar deze roman leeft pas werkelijk in de sprekende details, zoals dat moet in romankunst en zoals ook Siebelinks andere werk altijd in de detaillering zijn kracht krijgt. In de scènes dus die de gebeurtenissen toelichten en kleuren en die hij met volle kracht in een eigenaardig licht weet te zetten waar hij het patent op heeft. De vermenging van lust en onlust, de doodssymboliek naast de allerbanaalste prietpraat. En zo gepresenteerd dat het af en toe verschrikkelijk op de lachspieren gaat werken. Siebelink weet op zijn beste momenten menselijk gedrag zeer aanstekelijk van alle illusies te ontdoen. Dan is hij op z’n sterkst. Ontluistering, dat is het aambeeld waarop hij zijn werken smeedt. Ziehier een scène waarin Margaretha last krijgt van indigestie en onder begeleiding van een hofdame de bosjes in moet duiken: «Was het de ganzenleverpaté met kweepeer die haar zo in de war had gebracht? Mét het gepieker over de godsdienst? Zat er ook de teleurstelling over de afwezige prins bij? Het dichte hoge struikgewas verderop bereikten ze niet. Vlak voor een mesthoop waaruit bruine drab in een greppel drupte, ging ze snel zitten. Haar dame tilde de rokken op, joeg vliegen weg die op de bleke billen van de landvoogdes aanvlogen. Luidruchtig ontlastte ze zich.» Jan Siebelink in optima forma. Al schijtend peinzen over godsdienst en de afwezigheid van de geliefde, terwijl de vliegen rond je blote billen zoemen.