Zoet

Ik stond te wachten voor het veerpontje over de Elbe dat me naar Schmilka zou brengen, vol mededogen met de mensheid. Misschien was het de omgeving, de overvloed aan zuurstof. Soms zie je mensen opeens zo in de weer, met hun fietsjes en uitpuilende tassen. Let een dag lang op de tassen die iedereen met zich meezeult en probeer niet in huilen uit te barsten. Kijk ook naar je eigen tas, de zorgelijkheid die die uitstraalt. Mijn moeder is begraven met haar tas, dat vond iedereen een goed idee op dat moment. Maar ik wil het over het communisme hebben, wat dat met de mensen doet (ik wil trouwens niet met mijn tas worden begraven, ik zeg het maar alvast; als mijn moeder dood kan gaan, kan ik het ook vast).

In de trein waren me twee bejaarde stellen en hun vrachtje opgevallen. Tsjechische landarbeiders die op hun oude dag nog steeds geen rust gegund werd. Decennia staatsterreur hadden het licht in hun ogen voorgoed weten te doven. Als in een roman van Faulkner waren ze bezig de lijken van hun voormalige maten te vervoeren. Hierbij kwam verder weinig respect kijken, of discretie. Toen de trein stopte, sleepten ze twee aan twee de beide lijkzakken over de vuile wagonvloer, in hun kennelijke haast tegen alles en iedereen aan stotend. Zou er iemand zijn geweest die de tijd had genomen de ogen van deze ongelukkigen te sluiten, hun mond, terwijl ze al heengingen?

Wreed werd ik ­opgeschrikt door wat zich afspeelde op de groene glooiing die naar de oever leidde

Er stond een lange rij voor dat veerpontje, zo’n wonderbaarlijke rij waarvan jij eeuwig de hekkensluiter blijft. Gelukkig had ik genoeg om te overpeinzen met die kalmpjes stromende Elbe voor ogen. Zoet deeg bijvoorbeeld, en de vormen waarin zich dat zoal kan aandienen. Er was me een goeie bakker in het vooruitzicht gesteld aan de andere kant van de rivier. Wreed werd ik in mijn kaneelkleurige visioenen opgeschrikt door wat zich rechts van mij afspeelde, op de groene glooiing die naar de oever leidde. De lijkenzakken werden er neergesmeten en met nietsontziende daadkracht open geritst. Het zeemansgraf lonkte, ware het niet dat de langwerpige gevaartes bouwpakketten voor kano’s bleken te bevatten. De twee stellen togen aan het werk, twee mannen, twee vrouwen, en naarmate ik langer naar hen keek werden ze jonger, alsof de pijl van de tijd van richting was veranderd en er werd afgezoefd op het begin van alles.

Wat zoëven nog moegestreden bejaarden waren, werden levenslustige types die een zonnige dag hadden uitgekozen om te gaan spelevaren. De ene man had een blauwgeruite blouse aan, de andere een groen mouwloos shirt, zijn nek was nu al roodverbrand. Een van de vrouwen had haar lange haar in een vlecht op de rug, de andere een sjaal om haar korte krullen. Er werd niet gelachen, niet gepraat, ze hadden geen woorden nodig om samen een boot in elkaar te zetten. Hoe vaak zouden ze dit niet al hebben gedaan met z’n viertjes? Ze kenden elkaar vast al van school, wisten precies wat ze aan elkaar hadden. Waarom is mijn ideaal altijd zo níet avontuurlijk, waarom sjouw ik zoveel boeken met me mee? Ik begrijp dat mensen ten diepste ontaard zijn en dat we in de loop van ons leven allemaal tot de ontdekking komen hoe door en door seksueel verdorven we zijn, maar liever denk ik dat we slechts één keer in ons leven lief hebben. De andere keren vormen een afgeleide daarvan, zijn bedacht.

Toen ik weer opkeek gleden ze het water in, net als de schapenwolkjes raasde de tijd de andere kant op. Ze waren weer geliefden geworden, mensen die niet konden ophouden elkaar aan te raken, binnen een mum van tijd lieten ze zich tegen de stroom in meevoeren naar Dresden, pakten voorzichtig voor het eerst elkaars hand.