Kijken

Zoet licht

Voor schilders was het eeuwenlang de essentie om met licht en kleur het landschap te verbeelden. Met verf. En Dante, die keek – en schreef – met de ogen van een schilder. Met inkt.

Karel Appel, Horizon of Tuscany no. 28, 1995. Olieverf op linnen, 115 x 300 cm © Karel Appel Stichting / courtesy Slewe Gallery

Het schilderij werd, in 1995, een losse, ruimtelijke verweving van veel kleur. Dat kwam tevoorschijn toen het gemaakt werd: een bochtig landschap van vette, gekleurde verf. Het is breed van opzet. De vormvertelling begon bovenin op het doek. Daar tegen de rand zien we een buigzame beweging die een heuvelachtige horizon voorstelt. Eerst was daar nog weinig kleur. Een lucht is er eigenlijk niet te zien. Of die luchtige streep is een smalle strook van golvende wolken. Wat zich bovenin al wel losmaakte, tussen glijdende wolken, was die beweeglijkheid van korte streken en toetsen kleur die straf door het landschap op en neer beweegt. Het landschap werd daar ingestemd – zoals met een strijkstok de klank van een viool op klank wordt gebracht. De korte, kromme vorm van de kleurstreken volgt een zekere drift in Karel Appels handschrift. Het handschrift is voor het karakter van schilderkunst sowieso bepalend.

Verder waren er omstandigheden. In de zomer was Karel Appel gaan werken op het brede balkon van een villa in Toscane. Het huis was wat hoger gelegen. In dit heuvellandschap was de horizon een opeenvolging van welvingen. Vanaf zijn balkon zag Karel Appel de horizon vrij dicht voor zich. Daarna ging de blik van de schilder naar beneden, ook heen en weer, en zag hij in de plooien van het land tegelijk ook het volume ervan. Hij keek er goed naar, tot het handschrift zich begon los te maken van wat hij zag. Het werd zelfstandig. Met de korte, kromme streken, de kleuren dicht op elkaar, maakte hij toen, van verf, een kleurrijk overzicht van het landschap. Essentie was bonte kleur en licht in kleur: zo maakten schilders al eeuwenlang schilderijen van verf.

In de Divina Commedia, Purgatorio, canto 27, nadert het gezelschap het einde van de tocht over de Louteringsberg. Dante komt nu aan bij het Aardse Paradijs dat eerder de Tuin van Eden was waar de eerste mensen voor het eerst gezondigd hadden en smadelijk uit werden verjaagd. Vergilius was niet gedoopt en mocht de tuin niet betreden. Langzaam verdween toen Dante’s wijze leidsman uit het beeld van de vertelling. Maar hij nam afscheid met een laatste goede raad: neem nu je eigen wens tot gids: de steile/ maar ook de smalle weg is nu doorstaan// Zie daar de zon, zijn licht bestraalt je voorhoofd/ de bloemen en de struiken en het gras. De dichter vertelt wat komen gaat: zon, licht, bloemen, altijd lente. Eerst is er zicht op het Aardse Paradijs. Ik lees en hoor de luisterrijke woorden in zijn relaas. Er begint een bonte veelheid van kleur, van zoete geuren en geluiden, van een zachte wind. In zijn verbeelding zag Dante de tuin nu kleurrijk opengaan – ik denk met de ogen van een schilder. Hij zag atmosferische beweging. We komen in een natuur die je overal tot leven ziet komen. Canto 28 begint voorzichtig, woord voor woord:

‘langzaam, langzaam liep ik door het veld heen/ dat onder ’t voortgaan geurde, overal’

Verlangend nu om ’t rondom te verkennen/ en ook erbinnen, ’t goddelijk groene woud/ zo dicht dat ’t daglicht werd getemperd// verliet ik, niet meer wachtend nu, de rand/ en langzaam, langzaam liep ik door het veld heen/ dat onder ’t voortgaan geurde, overal.

Giotto, De vlucht naar Egypte, ca. 1305. Fresco, 200 x 185 cm © Scrovegni (Arena) kapel, Padua, Italië

Ik stel me voor hoe langzaam dat voortgaan ging – woord voor woord en stap voor stap. Er was ook veel te zien. Misschien liep Dante daar, in het landschap, ook wel samen met zijn schildervriend Giotto. In de frisse natuur was veel te zien en te leren. Aan beider kunst is te merken dat ze leergierig waren. Vaak zagen ze wat ze zagen als voor het eerst. Ze keken nauwkeurig en geduldig. Toen hij, daarnet, door het veld ging gebruikte Dante het woord langzaam nadrukkelijk twee keer na elkaar: lento lento. Zo omzichtig ging hij dus, stap voor stap, om niets te verstoren en niets te missen.

Mij viel op hoe stil, in De vlucht naar Egypte, de ezel stapt waarop Maria zit met Jezus in haar schoot. Het dier zet zijn stappen heel behoedzaam langs de rand van het bergpad. Van Bethlehem naar Egypte was een tocht in zuidwestelijke richting. De engel wijst de weg. Het zachte licht op de lichtgrijze berghelling waar het gezelschap voorbij komt, is licht uit het oosten. Er staan groene bomen op de berg. Ze waren voor dag en dauw vertrokken: dit is het licht van de dageraad. Voor Giotto was dit een beeld van landschap in zoet licht. In canto 30, intussen, heeft Dante het over de dageraad die in het oosten geheel begloord werd met het rozenrood/ een schijnsel dat de hemel prachtig tooide. Hier is het stille, zwijgzame processie. Alles wat we horen is het kloppen van hoeven op het stenen pad.


PS. Dante heb ik geciteerd in de vertaling van Rob Brouwer (Prima-vera Pers, Leiden, 2016)