Zoete vrijheid

Laatst was ik bij de tandarts die zorgelijk naar mijn gebit keek.

‘Het heeft met uw generatie te maken’, zei hij, ‘die zijn opgevoed met te veel suiker.’

Het klopt. Zoet was de bevrijding van mijn ouders uit het jappenkamp die met suiker werd gevierd. Koffie en thee dronken wij thuis met vier scheppen, dan wel vier klontjes suiker. Bijna alle Indische gerechten maak je met koeladjwawa (palmsuiker). Ons broodbeleg bestond uit boter met bruine suiker.

Mijn vader vertelde een verhaal van de paus die – ergens in de zeventiende of achttiende eeuw – als eerste van een gezant suiker uit Turkije te proeven kreeg. Hij verbood het meteen, want de smaak van het genotmiddel had hem uitzicht geboden op de hemel en als het gewone volk dat paradijs zou zien zouden ze niet meer werken.

(De schrijver Boudewijn Büch, aan wie ik dit vertelde, herinnerde zich toen een anekdote over de paus rond 1900. Er werd destijds een speciale wijn gestookt van druiven met een grote hoeveelheid cocabladeren waardoor een hallucinogeen effect ontstond. Die wijn zou pas in de jaren dertig zijn verboden en de paus verbood ook die wijn voor het gewone volk terwijl hij er zelf vele kisten van bestelde.)

Suiker en zout waren de daadwerkelijke smaakmakers van het leven. Wie bijna in het kamp de hongerdood was gestorven en daaraan mensen had zien overlijden, weet dat eten zin kan geven aan het bestaan. Veel eten betekende veel vrijheid. Een rot leven, omdat de oorlog je verleden maar ook je toekomst grotendeels had verpest – waar nog eens de verloren strijd om Indië, dat toch het paradijs was, tussendoor kwam – kon je toch nog zin geven door smakelijk te eten, met ruim suiker en zout.

De keukentafel is namelijk het enige stuk land waar je onder alle omstandigheden heer en meester mag zijn. Daar staan de suikerpot en het peper-en-zoutstel als soldaten op wacht. Elk dieet is een vorm van gevangenschap, een poging om je te dresseren.

De hoge bloeddruk, de rotte tanden, de obesitas en de hartkwalen – welvaartsziekten worden ze genoemd – zijn de prijs van onze vrijheid.

Mijn vader zei tegen zijn vrienden dat hij in zijn mond ondertussen een mooie ‘middenklasser’ had zitten. Als hij lachte zag ik zijn gouden kiezen.

De keukentafel is het enige stuk land waar je onder alle ­omstandig­heden heer en meester mag zijn

Toen kwam de Coca-Cola in mijn leven.

Wist ik wel dat er in 1930 een Coca-Cola-fabriek in Amsterdam was geweest? Dat die fabriek in de Tweede Wereldoorlog geen cola kon maken omdat de Rotterdamse bottelarij was gebombardeerd? Zo rond 1960 kreeg ik mijn eerste koude cola op een warme dag.

Bevrijding! Hemels! Zoveel lekkerder dan ranja.

Ik mocht niet vaak cola drinken – mijn ouders vonden het domweg te duur – maar intuïtief begreep ik dat er een manier van leven aan vast zat. Later begreep ik dat dit een Amerikaanse ‘way of life’ betrof. Zoals dat ook vast zat aan het roken van sigaretten, waarmee ik trouwens op mijn twaalfde begon.

Slecht? Voor het lichaam zeker. Voor de geest een balsem. Wijn, cola, sigaretten, whisky – alles wat het fysiek te gronde richt maakt het leven waardevol, zeker als je een depressieve persoonlijkheid bent. Pillen vallen trouwens ook in die categorie zingevers. Bezuinig niet op pillen als ze je helpen. Je gaat er misschien eerder door dood. Nou en? Pillen zijn suiker voor de geest.

‘Het goedkoopste is de rest te trekken’, zegt de tandarts over mijn kies die op de röntgenfoto op een gedeukte Volkswagen lijkt.

Ik vraag of er nog mogelijkheden zijn om het verval te maskeren. Er gaan bedragen over tafel die ik moet lenen.

Ik nader de middenklasser.

Wat heb ik eigenlijk gedaan met mijn zoete vrijheid?

Ik sta met een mond vol halve tanden en gebroken kiezen.