Jaap Scholten

Zoetsappige treinkaping

Jaap ScholtenMorgenster Uitg. Contact, 249 blz., ƒ 34,90

Twee jaar na de Molukse treinkaping bij De Punt publiceerde de Amerikaanse schrijfster Mary McCarthy (1912-1989) haar roman Kannibalen en zendelingen (1979). Ik weet niet of die gijzelingsactie voor haar een directe inspiratiebron was, maar het is wel opvallend dat zij haar verhaal over een vliegtuigkaping juist in Nederland situeerde, zij het in de Flevopolder in plaats van in de Drentse weilanden. Blijkens de dankbetuiging voorin haar roman kwam ze op de gedachte aan Nederland mede door toedoen van Cees Nooteboom met wie McCarthy goed bevriend was. ‘Hij en de zangeres Liesbeth List deden in mij de genegenheid voor Nederland ontwaken die het boek, naar ik hoop en geloof, uitstraalt.’ Hans van Mierlo, op wie ze onvermijdelijk een beetje verliefd raakte, Harry Mulisch, Joop & Liesbeth den Uyl en Han Lammers, toenmalig landdrost van de Flevopolder, deden de rest. Zij voorzagen haar van informatie, opdat zij een geloofwaardig beeld van de Nederlandse reacties in de media en van de politiek kon schetsen op een terroristische actie. Kannibalen en zendelingen werd McCarthy’s slechtste roman. Wat een spannende, thriller-achtige geschiedenis had moeten worden over de grondslagen van terreur en het sociale gedrag van mensen die een tijdlang bij elkaar opgesloten zitten, werd een saaie, bloedeloze en bedachte constructie. De schrijfster die met haar romans De groep (1963) en Vogels van Amerika (1971) bewees dat de beste boeken voortkomen uit een mysterieuze combinatie van meedogenloosheid en mededogen, had zich kennelijk verslikt in haar ambitie iets te schrijven wat in literair, sociologisch en antropologisch opzicht interessant moest zijn. De ambitie van Jaap Scholten met zijn nieuwe roman Morgenster zal misschien een andere zijn geweest, maar zijn falen om van een spannend gegeven een navenant boek te maken, lijkt op dat van McCarthy. Het is op zich een wonderbaarlijk fenomeen dat een in alle opzichten veelbelovend onderwerp in de handen van een geoefend schrijver uiteindelijk op niets kan uitlopen. Of vloekt het recht willen doen aan een complex historisch gebeuren met het bedrijven van literatuur, oftewel het schrijven van een mooie dwingende roman? Ook Scholten bewees immers eerder, met zijn debuutroman Tachtig (1995), te beschikken over vertellerslust, humor, gekte en stijl. In Morgenster laat hij dat allemaal in de kast liggen, en trekt in plaats daarvan een vlakke verteltoon te voorschijn, een obligate compositietruc en een looiige manier van feitjes opdissen. Net als McCarthy dankt Scholten zijn bronnen: 'medewerkers van het Moluks Historisch Museum, gegijzelden, scherpschutters, chirurgen, verloskundigen, helikopterpiloten, astrologen, genetici en anderen.’ En net als zij is hij blijkbaar uiteindelijk bezweken onder het gewicht van hun kennis. Terwijl een romancier zich toch niet bepaald zou hoeven bekommeren om de geloofwaardigheid van het een en ander, maar uitsluitend om de voorstelbaarheid. De voorstelbaarheid die staat of valt met een soort verhalende noodzaak: wat zeg je wél en wat zeg je niet om een drama-in-de-dop ook tot een drama uit te laten groeien. In Morgenster zwabbert Scholten tussen twee opties, lijkt het wel. De ene is de treinkaping bij De Punt in juni 1977 op een bijna-documentaire manier in herinnering te roepen. De andere is de worsteling te schetsen van een jongen die erachter komt dat hij eigenlijk het leven van een ander leidt. Zijn lot is verbonden met de treinkaping, omdat als gevolg van de hectische situatie in het ziekenhuis, waar na het militaire ingrijpen slachtoffers en gewonden naartoe werden gebracht, op de kraamafdeling twee jongensbaby’s met elkaar zijn verwisseld. De beide verhaallijnen gaan geen verbinding aan, maar blijven alle twee nogal onbestemd in de lucht hangen. Wat er wél gebeurt, is bijna te zoetsappig voor woorden. Jaap Scholten heeft zich al met al niet zozeer vertild aan zijn onderwerp, als wel er opmerkelijk weinig mee gedaan. Zijn spetterende debuutroman indachtig, is Morgenster niet geworden wat het misschien had kunnen zijn. Af en toe vonkt je bij wijze van herkenbaar ingrediënt iets tegemoet, een zin, een beeld, een lach, maar over het geheel genomen laat de roman zich gedachteloos en indifferent wegslikken als een grijzig soepje. Geen enkele zinsnede of zin nodigt uit tot citeren. Zoals ik bij Kannibalen en zendelingen het grote gebaar van een John Updike miste, ging ik bij Morgenster van de weeromstuit verlangen naar het meer vette lef van een Leon de Winter, of de smeuiige verhalende kracht van een Kees van Beijnum. Jaap Scholten is te netjes gebleven. Het zal allemaal wel kloppen, maar het leeft niet.