TONEEL

Zogenaamde problemen

Hedda
Gabler

In 2004 regisseerde Ivo van Hove in New York Ibsens Hedda Gabler, twee jaar later deed hij het stuk met zijn toneelspelers van Toneelgroep Amsterdam (in het ‘Ibsen-jaar’ 2006, diens honderdste sterfdag). Hij deed toen de belofte dat de (in de pers wisselend onthaalde) voorstelling te zijner tijd op het repertoire zou terugkeren. Met een kleine personele wijziging is dat nu gebeurd. Hedda Gabler gaat binnenkort ook op tournee.
Ik was vijf jaar geleden gefascineerd en besloot nu opnieuw te gaan kijken. Repertoire (in de betekenis van: een voorstelling steeds hernemen) is een zeldzaam goed in Nederland, dit leek me een uitgelezen kans om te zien hoe Ibsens klassieker groeit in de handen van een hecht ensemble dat ouder wordt samen met zijn complexe personages. En we hebben nu bovendien zijn correspondentie, bedacht ik er frivool bij. Dit jaar verscheen in de reeks Privé-domein de selectie uit Ibsens correspondentie onder de titel De zomer beschrijf je het best op een winterdag. In een brief aan zijn Poolse vertaler Moritz Prozor schrijft Ibsen in 1890 het bitse zinnetje: 'Ik heb in dit stuk eigenlijk geen zogenaamde problemen aan de orde willen stellen. Hoofdzaak is voor mij geweest om mensen te tekenen, stemmingen en lotgevallen op basis van bepaalde maatschappelijke verhoudingen en denkbeelden.’
Ibsens sociogram ziet er in dit stuk ongeveer als volgt uit. Hedda Gabler, die onlangs trouwde met de saaie cultuurhistoricus Tesman, omdat ze naar eigen zeggen 'was uitgedanst’, dreigt te worden verwurgd door een familie die haar als jonge moeder wil inlijven, terwijl ze zelf juist droomt van een bestaan als salonfähige dame-op-stand. Een ontmoeting met haar oude vlam Lövborg jaagt Hedda in een fuik van schandalen die haar chantabel maken voor de intrigant Brack, die Hedda’s geheime minnaar wil worden. Op het moment dat de fuik sluit, schiet Hedda zichzelf dood.
De voorstelling is krachtiger geworden, in de zin dat (bijna) alles wat vijf jaar geleden al sterk was, nu aan energie heeft gewonnen. Halina Reijn als Hedda is op een geaarde manier heksiger, ze lijkt de vrouwen om zich heen permanent zodanig te 'regisseren’ dat ze allemaal spijlen worden in haar zelfgebouwde gevangenis. Huishoudster Berte boetseert ze van de domme naar de bereidwillige slavin die Hedda nooit zou kunnen zijn. Tesmans tante Jule (een klein juweel van Frieda Pittoors) wordt door Hedda’s venijnige benadering het pleegzuster-bloedwijn-spook uit haar ergste nachtmerries. En Lövborgs Anonieme Alcoholisten-verpleegster mevrouw Elvsted (een prachtrol van Karina Smulders) ziet niets begrijpend toe hoe Hedda de laatste decimeters bodem onder haar leven wegslaat, zodat Elvsted zich met haar bloedwijn op het volgende te redden creatuur, de kandidaat-weduwnaar Tesman kan storten. De registers die Halina Reijn voor dit hectische spel opentrekt, bespeelt ze werkelijk grandioos en adembenemend. Jacob Derwig, die Lövborg speelt, heeft in het tweede bedrijf een scène met het titelpersonage, waarin íets doorschemert van wat Hedda misschien zoekt in het leven, vergeefs omdat ze ervan wegloopt voor ze het heeft kunnen aanraken. Die sleutelscène heeft in deze hernomen versie, zowel bij Reijn als bij Derwig, aan zeggingskracht gewonnen - hoe weet ik niet, dat is de magie van de tovenaars die toneelspelers zijn. Barry Atsma stopt deze keer in zijn vertolking van de super-marionettenbespeler Brack net iets te veel jaloezie op Lövborg in zijn rol, en net een vleugje too much Sopranos-bombarie in zijn slotscène. Maar dat zijn kleine sleetplekjes op deze verder bloedstollend mooie psychothriller, Ibsens tijdloze topografie van het menselijk tekort.

Vanaf 10 november tournee door Nederland en naar Gent, in november ook nog een week in Amsterdam,www.toneelgroepamsterdam.nl