Zoiets heet communicatie

Astrid Lampe, Lil (zucht). € 17,95

Medium lampe lil

fragment uit: LIL (ZUCHT)

o god wie spekt haar droom:
poëzie is dope
spuit me plat per acuut - geen

vulpen die gaat lekken in een te hoge vlucht
klassieke thema’s fietsen langs
mijn pc zou ook crashen op zo'n bom data:
verzin een list tom poes!

vlugzout & vette watten, zo'n

lijst… en list
S.O.S. sms
(klassieke thema’s drukken door):… je vlucht gecanceld
‘Je wilt in het gedicht blijven.’ Met deze omineuze regel begint Lil [zucht], de zesde bundel van Astrid Lampe (1955). Je wilt iemand zijn die zich nergens anders bevindt dan in het gedicht, een personage waarmee de lezer kan spelen. Of je wilt dat het lezen je dood wordt. Spreekt de dichter hier zichzelf aan, richt zij zich tot de lezer, of tot de verleidelijke Lil, die buiten het boek niet bestaat? Of spreekt misschien de lezer, die het gedicht binnensmonds voordraagt, de dichter toe? Het kan allemaal, want Lampe schrijft al sinds haar eerste bundel fundamenteel open poëzie, die weigert zich te laten vastleggen.
Ondanks haar grondbeginsel zo weinig mogelijk samenhang in haar gedichten aan te brengen, doet Lampe in Lil [zucht] opmerkelijk consistente uitspraken over de aard van haar poëzie. Niet alleen komt de openingsregel steeds terug, ook steekt ze de draak met romantische clichés, ondergraaft ze hoogdravende pretenties en pareert ze de kritiek die haar werk poogt vast te pinnen:

mijn vertaalprofessor denkt dat mijn zinnen kraantjes zijn
ik zwijg expres in alle talen
naar waarheid naakt zegt hij
poëzie stroomt

In een ander gedicht verzucht ze: 'viel de poëziekenner maar naadloos samen/ met de golddigger waar je je voor uitgeeft, cowboy’. Voelt Lampe zich onbegrepen? Krijgt ze niet voldoende erkenning?
Met dergelijke statements suggereert Lampe dat het de dichter is die bepaalt wat een gedicht betekent, maar dat berust helaas op een misverstand. De dichter heeft het werk uit handen gegeven en het is de lezer die er betekenis aan toekent. De lezer heeft altijd gelijk, en het staat hem vrij net zoveel samenhang aan te brengen als hem goeddunkt, al staat de dichter knarsetandend op de zijlijn. Daar komt bij dat ook Lampe, zeker in deze bundel, niet op goed geluk wat taalflarden door elkaar gemixt heeft, maar zorgvuldig heeft gewogen welke zinnen bij elkaar pasten. Interpretatie is geen annexatie, zoals Lampe op enkele plaatsen lijkt te beweren, maar een kwestie van wellevendheid. De dichter zegt iets, de lezer luistert aandachtig, tracht de woorden te verstaan en reageert erop. Zoiets heet communicatie.
Het werk van Lampe blinkt uit in onverholen aanstellerij, die zowel pretentieus en irritant als virtuoos en meeslepend kan zijn. En zo hoort het. Alle kunst van enig niveau, van Verdi tot CoBrA, van Euripides tot Jagger, stelt zich aan, dringt zich op, overdrijft en klopt zich op de borst. Kunst is onnatuurlijk en misplaatst. Lampe benadrukt de kunstmatigheid van haar poëzie door een opzichtige typografie en door frequent te verwijzen naar tekstverwerkingsprocessen. De regel 'u hebt een grote hoeveelheid tekst op het klembord geplaatst’ loopt als een running gag door de bundel heen. Dichten is knippen en plakken. Alles in Lil [zucht] is virtueel.
Dit digitaal domein staat tegenover de natuurlijke wereld van wolken en rivieren, wilgen en vlinderbomen, maar op zo'n manier dat ze in elkaar overvloeien. Het natuurlijke is maakbaar, het kunstmatige leeft. Zo'n 'oefening in natuurlyriek’, zegt het eerste gedicht, ’(heel fysiek)/ sneeuw ruimen/ gras kuilen’. Poëzie is een cultuurlandschap. In 'Dutch design’ vallen gedicht en polder samen:

verkikkerd glinstert nu

strofe voor strofe mijn liefde een land dat zich uitstrekt
dit land dat zich rekt, kavel aan kavel, wat ooit
nuchter begon met een streek
liep uit op zo'n hemel die niet stopt bij je navel

Hetzelfde gedicht laat echter ook de dubieuze kanten van inpoldering zien, waar het palmvormige eiland voor de kust van Dubai een symptoom is van ongebreideld winstbejag.
Erotiek is in de poëzie van Lampe alomtegenwoordig. De titel van de bundel is exemplarisch: 'Lil’ moet wel een vrouw zijn die met haar vleselijke existentie te koop loopt, de toevoeging tussen vierkante haken oogt als een regieaanwijzing. Seksualiteit is blijkbaar een spel. In een boek dat zo heet, krijgt alles een erotische lading, ook 'ambtenaren// een boel geld in zelfstandige bestuursorganen pompend’, evenals de zon, die ons 'roze-vingert’, en zeker de 'uitgeschopte zeeuwse knopjes van/ het pedante wicht’.
Doordat de stemmen in de gedichten steeds anderen aanspreken en het perspectief per regel kan wisselen, gaan de gedachten van de lezer, die de dialoog wordt ingetrokken, deel uitmaken van een betoverend stemmenkoor, waarbij niet meer valt uit te maken wie wat zegt. 'Je wilt in het gedicht blijven:/ doe mij ’s gauw een bak licht konijntje’: na zo'n aanhef ga je als lezer vanzelf meedoen. De aangesprokene krijgt een intrigerende opdracht:

draag je zeeuwse knopjes dan maar
en haal de baggeraar in ons naar boven
heel fysiek natuurlyriek
nu onze kabeltrekkers pauzeren en met de kabelsjouwers
voornamelijk buiten opereren

Is hier een potige kerel aan het woord, die een Zeeuws meisje een oneerbaar voorstel doet? Enkele regels lager verzucht Lil: 'je moddert wat an je moedert wat af moe moe’, waarop de man weer vraagt: 'ben jij ook zo broodnodig/ aan wat sterkers toe ijskonijn’. In het gedicht lopen verschillende werelden in elkaar over: poëticaal vernuft, lompe seks in een bouwkeet, maanlichtromantiek en de heroïek van de deltawerken. Het is een genoegen daarvan getuige te mogen zijn.

ASTRID LAMPE
LIL [ZUCHT]
Querido, 64 blz., € 17,95