Zoiets voel je aan

Hildelies Balk
De Kunstpaus: H.P. Bremmer 1871-1956
Thoth, 556 blz., € 39,90

H.P. Bremmer leek niet in de wieg gelegd om een beroemd man te worden. Zijn ouders waren katholieke middenstanders en als kunstschilder bleek hij over een middelmatig talent te beschikken. Doordat hij op het juiste moment de juiste mensen tegenkwam en doordat hij bijzonder overtuigd was van zijn kijk op kunst wist hij zich op te werken tot een ware kunstgoeroe.

Kort na zijn huwelijk met een bemiddelde dame gaf hij het schilderen eraan en ging cursussen kunstbeschouwing geven aan kleine groepjes particulieren. Deze ‘Bremmerclubs’ bestonden grotendeels uit dames en heren uit de bourgeoisie en aristocratie, al gaf hij tegen gereduceerd tarief ook les aan cultuurhongerige onderwijzers. Daarnaast gaf Bremmer decennialang een maandblad uit met reproducties van kunstwerken. Dit netwerk van vaak vermogende kunstliefhebbers koppelde hij aan het door hem opgebouwde netwerk van bevriende kunstenaars en kunsthandels, zodat zijn cursisten dikwijls naar huis gingen met een schilderij of beeldje. Ook handelde hij zelf en adviseerde hij bij het aanschaffen van werk van andere kunstenaars.

Een kunsthistorische opleiding vond Bremmer volstrekt overbodig. Hij was niet geïnteresseerd in historische, technische of iconografische details en vertrouwde volledig op zijn eigen ‘kunstgevoel’. Echte kunst had te maken met spiritualiteit, verwees naar het eeuwige, het hogere. En zoiets voel je aan of niet.

In haar uitputtend gedocumenteerde biografie, die een boeiend beeld schetst van het vooroorlogse kunstklimaat, karakteriseert Hildelies Balk dit type connaisseurschap als ‘snel, intuïtief, arrogant en naïef’. Bremmer gold als dé autoriteit op het gebied van Van Gogh, maar kleunde er vaak naast. Omdat hij uitgesproken ideeën had over de eisen waaraan een kunstwerk moest voldoen, en van technisch onderzoek niets wilde weten, was hij net als andere connaisseurs van dit type een gemakkelijke prooi voor slimme vervalsers. Dus stond ook hij te jubelen toen ineens Vermeers Emmaüsgangers werd ontdekt.

Niet alleen zijn hoogdravende en zweverige kunstopvatting wekte op den duur weerzin – Huizinga sprak vol walging over ‘bremmerij’, die resulteerde in ‘kots en gekwebbel’ – ook op het feit dat Bremmer wel erg veel dingen tegelijk deed kwam kritiek. Hij was docent, uitgever, criticus, verzamelaar, handelaar, adviseur en een expert die echtheidscertificaten uitschreef. In 1937 schreef Jan Engelman in De Groene Amsterdammer dan ook terecht dat Bremmer door die belangenverstrengeling zijn geloofwaardigheid als onafhankelijk kunstkenner ondergroef.