De kloof tussen oude en nieuwe media

Zolang de inkt nog niet echt droog is

De papieren krant zal verdwijnen. Tot die tijd moet de journalistiek zich serieus afvragen hoe ze met internet omgaat. Elsbeth Etty is van het papier, Bert Brussen van het bloggen.

Bert Brussen schuift aan. De eerste minuten worden in beslag genomen door de smartphone. Terwijl Elsbeth Etty opbelt dat ze wat later is, zet een serveerster een cola op tafel. ‘Voor de heer Brussen. Van de mevrouw aan de bar.’ Het blijkt ene Rosa te zijn, een Twitter-kennis die hij in het echt nog nooit heeft gezien, maar met wie hij 'leuk twittert’. Hij excuseert zich en keert terug naar de tafel zodra hij Elsbeth Etty het café ziet binnenstappen.
Bert Brussen (1975) is een blogger. Hij schrijft voor de website GeenStijl en is oprichter en hoofdredacteur van DeJaap.nl, tegenhanger van de in 2009 door Francisco van Jole (voormalig presentator van de Vara) opgerichte Joop.nl. Brussen staat bekend als een internetevangelist en draaft met enige regelmaat op in de oude media als pleitbezorger van digitale innovaties in de journalistiek. 'We groeien op tussen de resten van vroeger’, zegt Brussen, 'de meeste kranten hebben geen enkel idee wat de mogelijkheden zijn.’
Elsbeth Etty (1951) is meer iemand van het papier. Hoewel haar ouders trouwe lezers waren van De Telegraaf ('In de jaren vijftig een krant die we nu zonder twijfel extreem-rechts zouden noemen’) schrijft Etty al meer dan twintig jaar voor NRC Handelsblad. Daarvoor was ze redacteur van het communistische partijblad De Waarheid. Ze promoveerde in 1996 met een veelbekroonde studie over de dichteres en socialiste Henriëtte Roland Holst en bekleedt sinds 2004 de leerstoel literaire kritiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.
Beiden hebben een dagtaak aan het volgen van de actualiteit. Elsbeth Etty: 'Iedere dag bekijk ik de websites van nationale en internationale kwaliteitskranten. Daarna komen websites als De Papieren Man aan bod, voor de nodige literaire nieuwtjes. Maar elke ochtend valt er eveneens een ouderwetse krant door de brievenbus, hoor, het internet komt later pas.’
Bert Brussen: 'Het meeste krijg ik binnen op mijn rss-reader (Really Simple Syndication, een internettoepassing waarmee je automatisch op de hoogte wordt gehouden van het laatste nieuws - red.), maar dat is vooral voor het regionale man-bijt-hond-achtige nieuws. Ik ben wel geabonneerd op NRC Handelsblad en de Volkskrant, maar alleen digitaal. Ik vind het echt onzinnig om nog abonnee te zijn van een papieren krant. Zeventig procent van alle kosten die een krant maakt, zijn druk- en distributiekosten. Als iedereen zou besluiten om vanaf heden alleen nog maar digitaal te lezen, zouden de kranten ontzettend veel geld besparen. Die verheerlijking van het papier is meestal zo klef en snobistisch. “Ik vind het zo heerlijk om ’s zaterdags in mijn favoriete koffiezaak mijn krantje door te lezen”, dat werk. Afschuwelijk, kom op zeg, zelfs Elsbeth Etty leest online!’
Etty: 'Nou ja, zelfs ik? Ik doe vrijwel niets anders. Als ik denk aan al die pakken papier die het internet me heeft bespaard, snap ik niet dat er mensen zijn die betwisten dat de traditionele krant het op den duur zal verliezen. Dat kun je op je vingers natellen. Het enige probleem is dat er nog geen goed verdienmodel is voor kranten op het net. Ook voor een goede digitale krant is een ervaren redactie vereist en moeten er journalistiek verantwoorde selectiekeuzes gemaakt worden: dat kost allemaal geld. Het gevaar is anders dat de kranten wel erg verbrokkeld raken, tot er een veredelde anp-dienst overblijft. Bovenal moet een krant een geheel zijn, of het nu op papier is, of digitaal.
Dat lijkt allemaal wel logisch, maar ik hoorde de hoofdredacteur van Trouw laatst nog zijn duidelijke voorkeur voor inkt uitspreken. De redactie wordt daar op het hart gedrukt dat ze zich niet moet bezighouden met het internet. Dan zie je het helemaal verkeerd.’
Brussen: 'Bij Van Thillo (eigenaar van PCM, uitgever van onder andere 'Trouw’ - red.) is het verhaal dat er online vooralsnog geen winst te behalen valt. Hij is een echte ondernemer en redeneert dat internet niets oplevert. Het overbruggen van de kloof zou hem alleen maar geld kosten.’
Etty: 'Ik merk dat de meeste redacteuren grote moeite hebben om hun stuk op de site te zetten. Dat moet hun werk ook helemaal niet zijn, daar heb je gekwalificeerde jongens en meisjes voor nodig die weten dat een krantenartikel iets anders is dan een stuk op internet. Dat vergt nu eenmaal kwaliteiten die gezeten journalisten nooit hebben hoeven bezitten. En in plaats van nu veel geld te investeren om de oudere generatie te leren hoe ze hun content op het web zetten, lijkt het me handiger om hier nieuwe mensen voor op te leiden. Het is volgens mij ook een kwestie van tijd voordat krantenredacties bloggers uit andere landen aan zich binden om de lacunes op te vullen die zijn ontstaan door de vele bezuinigingen op buitenlandcorrespondentie. Nederland heeft op dit gebied nog veel in te halen in vergelijking met Groot-Brittannië en vooral de Verenigde Staten.’

Een journalist is dus nog geen blogger. Maar is een blogger wel een journalist?
Brussen: 'Nee, zeker niet. 99 procent van de mensen blogt over ditjes en datjes, weinigen hebben de behoefte er iets journalistieks van te maken.’
Etty: 'Hoewel veel bloggers met enig dédain kijken naar journalistiek als non-vak dat iedereen zou kunnen bedrijven, blijkt vooralsnog dat weinig internetschrijvers zich de journalistieke eisen hebben eigengemaakt. Ze pikken het nieuws van een andere site en schrijven er dan een meninkje over. Dat is prima, maar val mij er niet mee lastig. Journalistiek is een vak, een moeilijk vak, dat weliswaar nooit echt zal verdwijnen, maar toch steeds lastiger wordt om uit te oefenen. Opleiding, ervaring: het is allemaal duur. Het metier komt steeds meer onder druk te staan.’
Brussen: 'Het is waar dat de internetjournalistiek in Nederland nog bijster weinig voorstelt. De meeste opgeleide of enigszins ervaren journalisten kiezen er uiteindelijk toch voor om voor een krant te schrijven. En de doorsnee blogger verdient het eigenlijk weer niet om journalist genoemd te worden.
Het lijkt me dat deze fasen allemaal logisch zijn, gezien de historische ontwikkeling van internet. Dit was vooral een bevrijding voor al die mensen die hun opvattingen niet of niet goed verwoord zagen in de kranten of in het maatschappelijk debat. Het was en is een tijd van uitrazen. Daarom zijn “oude” en “nieuwe” media diametraal tegenover elkaar gesteld, de ene als medium van de gevestigde orde, van de normen en waarden van de babyboomers, en de andere als het protestmedium van de stemlozen. In Amerika zie je dat deze media naast elkaar bestaan, elkaar aanvullen en scherp houden. Maar hier bestaat er veel jaloezie tussen de twee kampen die, hoe je het ook wendt of keert, op den duur verenigd zullen worden.
Er is zoveel onbegrip. Ik heb al meermalen meegemaakt dat iemand die voor GeenStijl een weblog wilde beginnen, mij vroeg of hij dan ook tendentieus en kwetsend moest schrijven (verwijzend naar het adagium van de site GeenStijl: 'tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend’ - red.), ook als hij dat eigenlijk helemaal niet wilde. Het heeft allemaal nog tijd nodig.’

De discussie over nieuwe media wordt vaak overheerst door de wederzijdse stereotypering: de oude media zijn links, de nieuwe media rechts. Hoe verklaart u dit?
Brussen: 'Het probleem in Nederland is dat het debat de afgelopen decennia doordrenkt is geweest van de linkse normen en waarden van de opinieleiders en krantenredacties. Elk tegengeluid werd automatisch als moreel fout bestempeld. En bovendien hadden de media lange tijd überhaupt geen oog voor deze andere meningen. Zodra het internet de mogelijkheid bood om onder die muffe linkse deken van quasi-ethiek vandaan te komen, leek het ineens alsof er overal “rechtse schreeuwers” vandaan kwamen. Links Nederland schrok zich te pletter en kwam, om deze nieuwe, populistische opvattingen maar te kunnen duiden, bij voortduring met de moeder aller drogredeneringen op de proppen: de vergelijking met de Tweede Wereldoorlog. Of het nu historici waren of cabaretiers, allen bezweken ze voor het gemak van de parallel met de nsb of nsdap. (Brussen steekt belerend de vinger omhoog:) “Het uitsluiten van bevolkingsgroepen, wanneer hebben we dat eerder gezien?” Walgelijk. Dit wordt de wet van Godwin genoemd: hoe langer de discussie duurt, hoe groter de kans op een Hitler-parallel. Een vreemde, linkse paniekreactie, een ultiem zwaktebod. De waarheid is dat die tegengeluiden niet per se rechts waren, maar gewoon minder politiek correct dan gewenst en dat ze bovendien al veel langer bestonden. Schreeuwen heb ik het nooit gevonden. Maar ja, als er jarenlang niemand naar je luistert, ga je automatisch harder praten.’
Etty: 'Deze wederzijdse typering ontstond rond Fortuyn, die de publieke omroep omdoopte tot linkse kerk. Daarna werd ook NRC Handelsblad in deze hoek geduwd, alleen omdat deze krant kritisch was over de politieke ontwikkelingen van toen. Ineens werd kritisch gelijkgesteld aan links. Onafhankelijkheid werd van de ene op de andere dag een politieke oriëntatie.’
Brussen: 'Maar neem nu Folkert Jensma (van 1996 tot 2006 hoofdredacteur van 'NRC Handelsblad’ - red.), die in jouw krant tamelijk domme dingen over Fortuyn heeft geroepen. Dat kun je moeilijk goede, kritische journalistiek noemen. Dit soort incidenten heeft veel mensen wantrouwig gemaakt voor kranten als NRC Handelsblad.’
In dit kader kunnen we uw column in 'NRC Handelsblad’ van 26 januari niet onbesproken laten. Al in de eerste alinea legt u een verband tussen 'Nederland wordt wakker’, een televisieprogramma van de nieuwe omroep Wakker Nederland, en het nazi-lied 'Deutschland Erwache’.
Brussen: 'Kijk, dat bedoel ik nou.’
Etty: 'Ja, ik vond het wel geestig, omdat iedereen er intuinde. De pvv heeft er zelfs Kamervragen over gesteld. Het was een grap, die bijzonder slecht begrepen werd.’
Brussen: 'Dat refereren aan die oorlog… Je zegt nu wel dat het grappig bedoeld was, maar dat kunnen lezers natuurlijk niet weten.’
Maar toch bent u, meneer Brussen, evenmin wars van hyperbolen. In een eerder interview zei u: 'Zonder de nieuwe media zou de democratie ernstig in gevaar zijn.’
Brussen (lacht hartelijk): 'Ja, dat was een wat gechargeerde uitspraak. Het was een reactie op de algemeen geaccepteerde stelling dat kranten onontbeerlijk zijn voor een “gezonde democratie”. Dat vind ik zo'n gezeur. De oude media klagen alleen maar over de opkomst van het internet, de grijze mannen komen bijeen om tegen elkaar te zeggen dat het allemaal zo erg is wat er met de journalistiek gebeurt. Terwijl ze de kloof op deze manier juist onnodig groot maken. Zo'n Pieter Broertjes of Geert Mak: ze gedragen zich als ethische ombudsmannen en hebben geen oog voor de reële problemen waarin de journalistiek zich bevindt. Het is een misverstand dat zonder kranten de democratie in gevaar zou zijn. Zonder journalistiek zou de democratie in gevaar zijn.’
Etty: 'Zonder onafhankelijke journalistiek om precies te zijn. Dit lijkt een onnodige nuance, maar ik merk dat onafhankelijkheid steeds minder vanzelf spreekt. Zo worden de meeste recensiewebsites bijvoorbeeld geacht zichzelf financieel te kunnen bedruipen. Dat betekent eigenlijk gewoon dat er ordinair boeken verkocht moeten worden. Dus krijg je websites en uitgeverijen die pretenderen neutrale oordelen aan te bieden, maar in werkelijkheid gewoon recensies kopen. Al die amateurrecensenten op Amazon.com: ze schrijven gebruikersoordelen, maar doen dit op commissie! En ze krijgen meer opdrachten naarmate er meer door hen opgehemelde producten worden verkocht. Dat is natuurlijk een bijzonder schimmig geheel. In Nederland is dit nog zeker niet het geval, maar wij, literatuurcritici, moeten ervoor waken dat we geen reclamejongens worden. En dit gevaar ligt ook op de loer voor andere takken van journalistiek: journalisten moeten zichzelf niet druk hoeven te maken om dit soort zaken, ze moeten in staat worden gesteld te doen waar ze goed in zijn.’

Wie staan er in deze kloof nu precies tegenover elkaar?
Brussen: 'Tegenover elkaar staan niet de generaties, maar de innovatieven tegenover de conservatieven. GeenStijl zag de kloof en maakte er handig en zonder veel inspanning zijn succesnummer van. Ik ken mensen van twintig die uit een soort vreemde moderniseringsvrees weigeren internet te gebruiken. Dat kan ik echt niet begrijpen.
Hetzelfde gebeurde bij de gratis kranten als Metro of Spits: veel jongeren wezen deze bij voorbaat af. Dit is naast een persoonlijke ergernis van mij ook een diskwalificatie van deze jongeren als toekomstige journalisten: als je je ogen zo moedwillig sluit voor veranderingen in het medialandschap wordt het nooit meer wat met je.
Aan de andere kant heb ik ook een grondige hekel aan babyboomers in het algemeen. Mijn definitie van een babyboomer: iemand van boven de vijftig, het liefst met snor, die zijn normen en waarden verabsoluteert. Marcel van Dam, Hanneke Groenteman, Francisco van Jole, ze zijn allemaal zo overtuigd van hun eigen gelijk dat een inhoudelijk debat met deze mensen uitgesloten is. Wilders, Fortuyn, eigenlijk iedereen die hun ethiek niet deelt, in de ogen van de babyboomers zijn het allemaal fascisten. (Vrolijk verrast:) Al bedenk ik nu dat geen van mijn voorbeelden eigenlijk een snor heeft.’
Etty: 'Maar de archetypische babyboomer was natuurlijk Pim Fortuyn zelf. Geboren in 1948, hoogopgeleid en van nature buitengewoon links. Zodra hij naar het populisme opschoof, was hij ineens geen babyboomer meer. Ik geloof niet zo in die kunstmatige verdeling van generaties. De enige kloof die ik zie, is die tussen journalistiek en non-journalistiek, waarbij het voor de tweede categorie steeds makkelijker wordt om het hoofd boven water te houden, en voor de eerste steeds moeilijker. Met pulp verdien je met minder moeite meer geld, zo is het gewoon. Ik denk niet dat de papieren krant zal verdwijnen, maar wel dat ze zal veranderen in een luxeartikel, waar extra voor betaald moet worden. Bovendien zullen er over een aantal jaar aanzienlijk minder kranten zijn. Wat we welbeschouwd nodig hebben, is één populaire Telegraaf-achtige krant en één journalistieke kwaliteitskrant, een combinatie van Trouw, NRC Handelsblad en de Volkskrant. Amsterdam en Den Haag hadden vijftig jaar geleden wel tien verschillende kranten. Die zijn nagenoeg allemaal verdwenen, wat op termijn ook met de landelijke kranten zal gebeuren. Het is misschien verrassend, uit mijn mond, maar Nederland heeft altijd al te veel kranten gehad.’