Zolang er nog maar aantrekkelijke stewardessen zijn

Eeuwenlang hebben filosofen en theologen volgehouden dat we in de beste van alle mogelijke werelden leefden, een standpunt dat vooral gebaseerd was op de aanname dat God, die almachtig was, eenvoudig niet op het idee zou kunnen komen iets verkeerds in het leven te roepen.

Wat wij, in onze onwetendheid, het kwaad noemen, zou een heilzaam onderdeel van Gods perfect uitgekiende heilsplan zijn. En vanzelfsprekend zag Hij nooit enig detail over het hoofd. Niet iedereen kon zich echter in deze visie vinden, daarvoor waren de chaos en ellende waardoor het leven gekenmerkt wordt, domweg te evident. Vandaar dat er utopieën werden ontwikkeld, waarin de wereld opnieuw vorm kreeg. Men wilde ten minste een deel van Gods schepping overdoen, maar dan beter.

Medium warmedam

Theatermaker, cineast en beeldend kunstenaar Alex van Warmerdam (1952) plaatst zich, blijkens de titel van zijn tweede dichtbundel, in die traditie. Op het omslag prijkt een houten vrouw met een enigszins slonzig uiterlijk, die neerziet op haar schepping. Zou zij even tevreden zijn als de God uit Genesis? Het eerste gedicht laat helaas zien dat de nieuwe wereld van Van Warmerdam nooit een succes kan worden, daar de drie personen waaruit God bestaat op geen enkele manier blijken samen te werken. ‘Ik heb de wereld geschapen’, aldus de eerste spreker, ‘maar niet alles.’ Onder zijn of haar verantwoordelijkheid vallen bijvoorbeeld de inktvis, de vrouw, de duinen en vuur en water, maar ‘de rest is van een ander’. Deze komt in de tweede strofe aan het woord, waar hij een claim legt op, onder meer, de wind, de basgitaar, klei, ‘de kapsters in de dorpen’, ‘de steiger met de lekke boot’ en het heimwee. Ten slotte spreekt de derde, ‘die zelden wordt genoemd’:

er is nogal wat onafgemaakt gebleven

en het nodige waar ik mij voor schaam

maar met voldoening kijk ik terug

op de driftaanval, het sluwe vosje

en het opgestoken haar

De laatste regel suggereert dat hij zijn collega, die zich immers laat voorstaan op het uitvinden van kapsters, van nalatigheid beticht. Niettegenstaande de verbeteringen die nummer drie beweert te hebben aangebracht, is de wereld die het collectief heeft neergezet een hopeloos allegaartje, waar bedrog, razernij en achterdocht de stemming bepalen. Het laatste gedicht van de bundel zou opgevat kunnen worden als een bescheiden disclaimer:

Ik ben een simpel ventje

van hout en klei

ik verteer mijn kipje

en denk na

Van Warmerdam roept een onherbergzaam universum op, een kil Hollands landschap met rivieren en populieren, waarin mensen dromen van overspel, kinderen worden verwaarloosd en bejaarden opgegeten, gestorvenen geërgerd uit de dood verrijzen en een onderwijzer een spreeuw bakt en die door de plee spoelt, ‘niet als offer/ maar als onbetekenend gebaar’. Jozef en Maria nemen hun intrek in een uitgehold varken, maar als hun wonderkind niet bereid is de zegen te geven aan lammen en blinden en ‘alleen maar naar de vliegen slaat’ wordt het opgevuld met zand en op een zijden kussen gezet.

‘Ik wil de mensen schoonheid brengen’, zegt de dichter, vlak nadat hij, precies midden in de bundel, ‘puur als onderbreking’, drie totaal niet terzake doende woorden heeft uitgeroepen: ‘Liniaal! Suikerspin! Berghelling!’ Meent hij wat hij zegt? Kan dit zooitje ongeregeld doorgaan voor schoonheid? ‘Bedroefd om alles wat ik heb teweeggebracht/ ga ik slapen’, zegt hij. Misschien is dat waarin Van Warmerdam zich onderscheidt van de naijverige God uit het Oude Testament. Hij is zich ten volle bewust van zijn onmacht. Bij alle wreedheid en grimmige humor weet de dichter deernis te wekken met een stompzinnige mensheid die er, ondanks alles, het beste van probeert te maken.

In een van de wat langere gedichten zit een dementerende man met zijn voeten in het water. Hij lijkt te hallucineren, want boven een wilg ziet hij een aantrekkelijke stewardess lopen. In het water speelt zich intussen iets anders af:

er is een snoek

die jonge eendjes vreet

maar medelijden heeft

met ieder menselijk wezen

Met verwondering kijkt de man naar het uiteinde van zijn arm, waar zich een ‘wonderlijk mechaniek/ bezaaid met levervlekken’ blijkt te bevinden. Even later duikt de snoek weer op:

zou hij een mens zijn

dan was hij Kees

die op zijn twaalfde

is doodgereden

De slotstrofe ziet een lichtpuntje: ‘je bent slechts somber/ in een helder ogenblik’.

Van Warmerdam heeft, anders dan het openingsgedicht doet vermoeden, de bundel zorgvuldig opgebouwd. Niet alleen vertoont het geheel een cyclische structuur, ook komen ogenschijnlijk willekeurige elementen steeds terug. Hierboven signaleerde ik al klei, spreeuwen en populieren, maar het gaat, afgezien van de bijbelse allusies, bijvoorbeeld ook om zilver, de zee, vissen, een tuinman en een rottend been. Er zit systeem in de waanzin, een mens kan leren in te zien hoe hij eraan toe is.

En men kan altijd dromen, zoals een ongelukkige echtgenoot doet die met blote voeten op de bus stapt en zichzelf moed inspreekt met de mantra ‘er komt een nieuw systeem/ er komt een nieuw systeem’. En een man met schulden, die buiten een haas door vuile sneeuw ziet lopen, stelt vast dat er binnen vlammen zijn, ‘een latex buikje/ en een flesje brandewijn’. Er is dus hoop, ondanks alles.


Ik zal ongezien ter wereld komen

per ongeluk

een slak vertrappen

en een vis

naar lucht zien happen

ik zal stiekem doodgaan

als iedereen televisie kijkt


Medium bkwarmer

Alex van Warmerdam: Ik heb de wereld geschapen_. Nieuw Amsterdam, 54 blz.,€ 19,95_


Beeld: Alex van Warmerdam roept een onherbergzaam universum op (Bart Koetsier / HH)