Zolang ik leef

Sinds kort zit ik op voetbal, ik begrijp er de ballen van – woordgrap, grappig – maar vind het geniaal! Ik ben vooral gevallen voor de beweging van de armen. Zodra de mens achter een bal aan holt, kronkelen de armen zich in de meest onverwachte hoeken. Al geniet ik ook van de snelheid van de benen, het misleidende dat er in deze sport zit, die technieken, de beslissende uitgesproken taal. Love de regels – die ik nog niet begrijp –, de witte lijnen als bij een tekening, de vlakte, dat frisgroene veld dat tegen de oneindige hemel kaatst en de boomtoppen die overgaan in de voorbij trekkende wolken.

‘Hey! Focus op de bal!’

‘O ja, de bal, ha!’

Online lees ik verschillende verhalen over het ontstaan van de voetbal en deze vind ik het mooist: dat het ding tweeduizend jaar geleden is ontstaan in China. Mensen vulden een pens van een koe tot een bal en c’est ça, spelen maar! Het werd Tsung Chu genoemd: Schop Bal. Schop die opgeblazen lucht – wat evengoed voor een rond pakketje ingrijpende gebeurtenissen kan doorgaan – naar je medespeler zodat jij niet te lang met je eigen onmacht staat toe te kijken naar alles wat voorbij dendert. En er dendert nogal wat voorbij: gestrand huwelijk, hartverscheurend liefdesverdriet, überhaupt verdriet, rouw om een ouder of ongeboren kindje, kettingbotsingen, veel te grote ziektes, eeuwige faalangst, chronische werkdruk, prestatiedrang. Name it en het zit in die bal.

Er hoeven geen ­stroperige conversaties te worden gevoerd, je kijkt naar hoe de ander rent of sloft, springt of blijft staan

Maar omdat voetbal een spel is, vind ik het prachtig om met die gebeurtenis rond te rennen. De bal is concreet, het erachteraan rennen en de ruimte tussen jou en de medespeler zijn de gevoelens die opkomen, wegzakken of zich laten inruilen voor weer volgende.

Dus wanneer ik me machteloos voel, richt ik me tot de bal, tot de medespeler, tot het veld, en het leuke is dat de medespeler sowieso ook kutte situaties kent en de bal doorrolt, nooit voor altijd bij een speler blijft maar van speler naar speler stuitert en zoals dat met ingrijpende situaties en dus met onvermogen ook het geval is, alles tijdelijk is.

Het ontroert me om – met een al dan niet onbekend iemand – op een manier de bal onder controle te krijgen. Deze van de ander af te pakken, mee over te spelen of om van haar nieuwe trucjes te leren. Ik word blij van het idee dat wanneer ik voor mezelf oefen ik de ene keer tegenover een man van zestig sta die de Nederlandse taal niet beheerst en het volgende moment tegenover een veel te wild kind. Dat ik het ene moment met mijn eigen onmacht in de knoei zit en het volgende moment dat wilde kind word, wil zijn, wil blijven.

Ik moet huilen van enthousiasme als ik zoveel mensen uitgelaten zie opgaan in een spel. Omdat er geen stroperige conversaties hoeven te worden gevoerd, je kijkt naar hoe de ander rent of sloft, hoe ze springt of blijft staan, hoe ze zich focust of wegdroomt, of ze ruimtelijk inzicht heeft, of ze lef heeft of een afwachtende positie inneemt, of ze rechts of links is, of ze hard lacht wanneer ze volledig naast de goal schiet… En dus kom je er zonder taal achter hoe lenig je zelf bent, hoe je je verhoudt tot die altijd door bewegende ander, hoe jij op die spelende ander reageert en dus hoe je zelf blijft door bewegen. Ik zou hier een sprongetje kunnen maken naar Johan Huizinga, over de homo ludens: de spelende mens. Mijn levensmotto. Of naar een andere grote denker die al lang onder de grond ligt. Maar met een beetje geluk leef ik voorlopig nog even boven de grond, dus maak ik graag een sprongetje naar de volgende vraag: waarom krijgt niet iedere baby bij haar geboorte een voetbal? Als een goodiebag. Want iedereen kan spelen én… iedereen weet toch dat het leven – als je alles ervan afpelt – erom draait die ingrijpende gebeurtenissen te verwerken? Dus waarom dan niet dit op een zo licht mogelijke manier met je meedragen?

Dus als je me zoekt, ik piel met de bal om de spelregels te doorgronden, toe te eigenen en zolang ik leef hoog te houden.