Anna Blaman in de jaren vijftig.Waarom gaan ál haar boeken over de liefde? © Kees Scherer / Maria Austria Instituut

‘Gelukkig zijn is meespelen vanuit je eigen dierlijke vitaliteit of je vergeten aan de warme oppervlakte van de ander (…). Maar hoe mee te spelen als je eenzaam en ingetogen was, en een wijd voorhoofd had waarachter waarheidsdrift leefde en kritiek op het leugenspel des levens?’

Deze zin uit Anna Blamans Eenzaam avontuur uit 1948, geeft het levensgevoel weer van Berthe, een bijfiguur in het verhaal van de intellectueel Bart Kosta, die zijn vrouw kwijtraakt aan een ordinaire kapper en aan zijn jaloezie onderdoor gaat. Van dit boek zegt Blaman dat het een getransponeerde persoonlijke ervaring is, en dat ze zelf Kosta is. Het is geen geheim dat Blaman een relatie had met een verpleegster die na een tijdje verliefd werd op een dansleraar. Net als in Blamans andere romans is het een heteroman die stem geeft aan haar eigen liefdesgevoelens en aan haar eigen jaloezie. Dat het boek in het naoorlogse Nederland toch opschudding veroorzaakte om zijn passages over homoseksualiteit, komt onder meer door de aanwezigheid van deze Berthe, die ook een beetje met de vrouwelijke hoofdpersoon flirt, zonder dat er verder iets gebeurt. Die maatschappelijke opschudding is dan ook niet meer echt na te voelen. Hoe zit dat met haar definitie van geluk, en hoe lees ik een mensenleven later haar werk?

Eerst de idee dat je alleen in de liefde gelukkig bent. Welke literaire schrijfster maakt dat nog het grondthema van haar werk? Omdat Anna Blaman op zo’n literair voetstuk staat, werd ik eerlijk gezegd bij het lezen een beetje verrast door het damesromanachtige. Naast alle diepe psychologische observaties en inzichten die haar werk ook biedt, tref ik bijvoorbeeld leutige dialogen tussen een verpleegster en haar vriendin in De verliezers, wanneer ze samen zitten te eten en te scrabbelen. (Schrijf maar eens mooi over een spelletje scrabble.)

Waarom, vroeg ik mij af, gaan ál haar boeken eigenlijk over de liefde?

Het antwoord op de vraag krijg ik in haar essay Erotiek in de literatuur. Daarin zegt Blaman dat schrijvers het hebben over de dingen die hen werkelijk bewegen op een waarachtige en strikt persoonlijke manier – met dien verstande dat die ‘in het kunstwerk zijn opgeheven tot anoniem menselijk belang’.

Voor haar lijkt een schrijver op je beste vriend. Wat doen hele goede vrienden? Precies. Altijd hetzelfde. ‘Men vertrouwt elkaar het geheim toe van z’n liefdeleven, van het ontbreken of van het bestaan ervan.’ Eerlijk, zonder taboes, en strikt persoonlijk.

In de literatuur gelden ook geen taboes, ‘alleen nog maar de wetten die het harmonisch geordende kunstwerk in zichzelf stelt’. Blaman ziet kunst als een voorpost van geestelijke bevrijding, omdat het het bekende conventionele patroon van seksuele opvattingen doorbreekt. Dat levert de kunstenaar boze reacties op. ‘Het is gemakkelijker om op grond van conventionele gemeenplaatsen precies te weten wat al of niet zedelijk is dan dat consciëntieus voor jezelf uit te maken.’

Haar boeken gaan niet over homofilie en al helemaal niet over homoseksualiteit. Ze schrijft over liefde in het algemeen, waarbij je voelt dat ze uit haar eigen leven peurt. Zo moet het ook, vindt ze. Toch blijkt uit alles dat ze heel erg beïnvloed is door haar tijdgenoten Sartre en De Beauvoir. Haar levensbeschouwelijke opvattingen zoals ze die in haar werk presenteert, zijn nauw verwant aan het naoorlogse literaire existentialisme. De existentialist maakt onderscheid tussen alleen maar zijn (zoals een boom alleen maar ‘is’ en geen bewustzijn heeft) en een vorm van zijn die je als mens via transcendentie kan en moet zien te bereiken. Door jezelf via autonome handelingen uit te drukken.

Het grote probleem voor die autonomie vormen mensen die je niet onberoerd laten. Bijvoorbeeld in vriendschappen, wanneer je in het gezelschap van steeds een andere vriend zelf ook steeds een beetje iemand anders bent, zoals zo mooi is verwoord in Eenzaam avontuur, de beschrijving van vier meisjes in een vakantiehuisje die boodschappen nodig hebben. ‘Die boodschappen, daar ging men met z’n tweeën voor, en twee in alle mogelijke combinaties, en dat zijn (…) zes vijandelijke ligues in geestelijke actie tegen de thuisblijfsters. Die thuisblijfsters, die slepen ook de gifpijlen der analyse en spanden ook de bogen der critiek.’

In de liefde is die autonomie een nog veel grotere opgave. Wat als je slaaf bent van je driften en je bereid bent alles te doen wat een ander wil? Als je iemand aanbidt zoals je een god aanbidt? Als je gek wordt van jaloezie, zoals dat bij Blamans personages niet zelden het geval is. In de woorden van Blaman (Eenzaam avontuur): ‘Ik kan willen wat ik ook maar wil, zolang ik maar alleen ben.’

Blaman lijkt te vinden dat je moet proberen je niet echt te laten raken door afwijzing, minachting of onbegrip. En dat is uiteraard een moeilijke opgave. De meeste mensen presteren slechter wanneer ze vernederd worden en bloeien op bij vriendelijkheid en lof.

Blaman laat in haar werk de zwaarverliefden steevast verliezen. Ze verliezen hun object van begeerte, lijden daar verschrikkelijk onder, maar wat ze winnen is zichzelf. Ze zijn een mens geworden in de wereld. En de wezenlijke toestand van de mens is eenzaamheid, zoals Berthe verwoordt in Eenzaam avontuur: ‘Je bent jezelf, je bent alleen. (…). Al wat gebeurt, is dat je soms iemand ontmoet die je vervult met fantasieën, geboren uit een eenzaam hongerend verlangen, meer niet.’

Een briljante hallucinatie dus, de liefde. Toch blijft die voor Blaman een obsessie. Daarom is die vergelijking zo goed, tussen een schrijver en een goede vriend. Want wat doet een vriend die het zwaar te pakken heeft? Die kan er niet over ophouden, die wil de kleinste details doornemen op zoek naar de betekenis ervan, die herhaalt zichzelf, en praat in de clichés der verliefden.

In het essay Angst en uitzicht noemt ze de liefde zelfs een waarde zo groot dat ze uitzicht kan geven in een situatie van doodsangst. Haar voorbeeld is het verhaal van twee Franse zusjes in het concentratiekamp, van wie de een voor de gaskamer werd geselecteerd. Haar zusje liet haar niet in de steek maar bleef vrijwillig bij haar in dat moment in een niet te ontduiken impuls van liefde, ook al kostte dat ook haar eigen leven. Als het om het eigen hachje gaat drijft angst tot lafheid, verraad en verloochening, zegt Blaman. Tot al het mensonwaardige dat in elk mens leeft. Alleen de liefde kan het uitzicht geven op de juiste houding.

Dit essay laat zien hoe serieus ze het meent met haar onderwerp. Maar ook zie je hier goed hoe streng haar moraal is. Voor zichzelf, maar ook voor anderen. Haar werk lezen voelt regelmatig alsof ze een pistool op je hoofd zet. Personages worden nogal eens langs een meetlat gelegd van moraliteit, intellect, verfijning, de aanwezigheid van een zielenleven, wijding, gevoel voor schoonheid, voor abstractie, voor het bijzondere, dingen die er volgens haar wérkelijk op aan komen.

Ook hier klopt de metafoor van die vriendschap mooi. Goede vrienden nemen niet alleen hun liefdesleven zonder terughoudendheid door, maar álle gezamenlijke vrienden en kennissen, om vast te stellen wie er nog bij hoort en wie niet. Blaman vindt iemand al snel karakterloos en dus lui. Bij zelfactualisatie moet je aan de bak. Het goede moet verwezenlijkt worden.

Het begint me op te vallen hoe vaak Blaman mensen karakterloos noemt, of dom of ‘vroom als een bagijn’. Een priester beschrijft ze als ‘een zwaarlijvig man met pafferige wangen, waarin de paarse kleur van krinkelende adertjes aan lijkvlekken doet denken’. Kleine middenstanders zijn kleurloos en bekrompen. ‘Kan je dat begrijpen?’ laat ze een personage vragen na een filosofische monoloog. Om meteen daarna mismoedig te constateren: ‘Nee, natuurlijk kan je dat niet.’ In Eenzaam avontuur beschrijft ze een van de eerdergenoemde vier vriendinnen als volgt: ‘Ze was de minst ontwikkelde van alle vier en bovendien volkomen oninteressant. Ze kende geen problemen van belang. De wereld was precies zo werkelijk voor haar als die zich aan de waarneming vertoont en haar gevoel verachtte de dimensie van het mysterieuze, onverklaarbare. Wat ze waarachtig voelde, dat was haar slecht gebit.’

Rotterdam, 1949. Blaman schreef al op jonge leeftijd en wist toen al dat ze een interessant ‘zielenleven’ had © Nico Naeff / Nederlands Fotomuseum Rotterdam

Haar hardheid treft me onaangenaam, vooral wanneer ze afgeeft op mensen uit de lagere klassen, die ze soms amper als mensen lijkt te zien. Ik hoef niet diep in mezelf te graven om dat niet-ontwikkelde boerenmeisje terug te vinden dat ik ooit was, en ik protesteer. Wij wisten vroeger thuis ook schoonheid te waarderen, al hadden we een andere smaak, en we probeerden net zo goed in allerlei omstandigheden het goede te doen, al hadden we de definitie daarvan niet zelf overdacht en deelden we die met een heleboel. Ook de ideeën van Blaman zijn tenslotte niet strikt particulier.

Wanneer je positie niet zo zeker is, blijft je vraag, of je nu schrijver bent of niet: hoe begrijp ik mijzelf in deze wereld? Hoe mee te ­spelen – als jezelf?

Maar ik moet toegeven dat ik weliswaar vol zat met gevoelens, maar weinig kon articuleren (en precies daar is Blaman zo ontzettend goed in). En ik was inderdaad onwetend en hing aan elkaar van normen en waarden die als feiten waren aangeleerd, en ook dat wist ik zelf niet. Ik had een zielenleven, om dat woord dan ook maar te gebruiken, dat tot de nok met godsdienst was gevuld.

En, ik weet dat ik tijdens het schrijven ook weleens heb uitgedeeld. Bij het uitkomen van mijn debuut zei een van de inwoners van het dorp waar ik opgroeide op camera dat ik hen ‘op de korrel had genomen’. Het was de vader van een meisje bij wie ik vroeger wel over de vloer kwam. Alles wat ik me intussen eigen had gemaakt over nuances en literaire vormgeving, dat hele complexe verhaal dat een schrijver zichzelf vertelt, dat gold voor hem niet. En toen ik zijn verontwaardiging hoorde, gold dat voor mij ineens ook niet meer. Ik schaamde me alleen maar een verrader te zijn.

Later zou ik begrijpen dat onder meer de nuance de winst was van mijn vertrek uit het dorp. En over nuance gesproken, ook in Blamans boeken is er één sympathiek personage dat minder ontwikkeld is, de uitzondering op haar strenge overtuigingen. Ik doel op de verpleegster die in haar verhalen opduikt, zoals Driekje in De verliezers, ‘een gewone willekeurige vrouw uit de provincie, uit de kleine burgerstand’, een doe-mens zonder conversatie. Maar hoe onontwikkeld ook, door de andere twee hoofdpersonen wordt ze aanbeden. Een van de twee denkt over haar: ‘De hogere goden op de Olympus hadden haar die onopvallendheid, die schijnbare onbeduidendheid meegegeven zodat ze zonder gevaar tussen de mensen verkeren kon.’

Misschien is het, naast de bakvissige passages, en de inmiddels wel erg gemeengoed geworden opdracht jezelf te zijn, Blamans harde blik naar de onderkant van de samenleving die haar werk voor mij wat gedateerd maakt. In recensies van haar werk uit de tijd van verschijnen werd er niets over opgemerkt. Sinds de zegetocht van eerst het marxisme, daarna het postmodernisme en in dit nieuwe millennium het populisme zijn ook de intellectuelen het trivialisme gaan verheffen, en is de gewone man – denk: ruwe bolster, blanke pit – een gevierd personage. Zo openlijk neerkijken is misschien wel het nieuwe taboe.

Dit alles zou misschien snel weer van mij zijn afgegleden als ik niet tegelijkertijd een tweet over mezelf had gelezen. Een lezer schreef dat mijn tweede roman dezelfde harde gergemmentaliteit had als mijn eerste boek en dat derhalve die eerste niet als een afrekening gelezen moest worden, maar als een product van mijn persoonlijkheid.

Gergem staat voor Gereformeerde Gemeente, een kerk die leert dat je als zondig mens voor eeuwig verdoemd bent, tenzij je tot de zeldzame uitverkorenen behoort. God ziet en weet alles, laat geen zonde onbestraft en vrijwel alles is een zonde.

Mijn zondebesef was grondig en ik beleefde dat niet alleen rationeel maar ook emotioneel. Dit is hoe ik daar achteraf naar kijk: een mens wil controle houden, dus je bent geneigd te denken dat je zelf verantwoordelijk bent voor je lot. Je denkt, het ligt aan mij dat ik verdoemd ben, ik ben inderdaad slecht. Je ziet dat continu bevestigd in je kleinste geheime gedachten. Het spreekt vanzelf dat wie in zichzelf niets moois ontdekken kan, dat ook bij anderen niet snel ziet.

Bij Blaman ligt dat heel anders. Ik vermoed dat haar persoonlijke levensomstandigheden, haar ziekte, haar anders-zijn, haar onbeantwoorde liefdes en de soms harde kritiek op haar werk die ze te verstouwen kreeg haar sterkten in de idee dat een mens er alleen voor staat. En dat ze neerkeek op iedereen die nooit nadenkt over zichzelf in relatie tot anderen, op iedereen die zich verschanst achter religie, communisme of een andere vorm van (comfortabel) groepsdenken, geheel volgens de existentiële normen van toen.

Zelf ben ik me er zeer van bewust dat er een ex-gergemmer in mij schuilt. Maar juist omdat ik van dat akelige denken verlost ben, en vaak haast niet meer begrijpen kan wat ik vroeger allemaal als zonde zag, geloof ik graag van mezelf dat ik van mijn personages houd in al hun kleinheid en menselijkheid, waar ze ook toe in staat zijn.

Goed, misschien heb ik (nog) wel een ontwikkeld oog voor het al te menselijke. Misschien krijg je dat ook als je je ophoudt in een nieuwe omgeving vol onzichtbare codes die onopvallend dienen te worden afgekeken, terwijl je ook moet voldoen aan de eis van authenticiteit. Misschien word je een beetje wantrouwig wanneer je dingen altijd slechts vagelijk kent.

Maar wanneer ik iets beschrijf van mensen die ik ken (iets wat elke schrijver doet) doe ik dat niet om met ze af te rekenen, maar om er een verhaal van te maken dat op een of andere manier orde brengt in de chaos van mijn eigen tegenstrijdige ideeën, gedachten en gevoelens. Ik ben er niet op uit om het slechte van een specifiek iemand of van een bepaalde categorie mensen te laten zien. Het kan natuurlijk zijn dat mijn blikverschuiving niet revolutionair genoeg was, dat ik alleen maar ándere dingen bij mensen als tekortkomingen ben gaan zien. Je hebt anderen nodig om gewezen te worden op je eigen blinde vlekken.

Wat zou Blamans thema zijn als ze nu had geleefd? Ik visualiseer een blamanachtige schrijvende millennial. Dat ze op vrouwen valt, is niet iets wat haar nog wezenlijk onderscheidt van andere schrijfsters. Ze zou er zeker niet meer voor onder vuur liggen.

Op een of andere manier kan ik me haar met haar intelligentie niet voorstellen als iemand die met haar vrienden enkel nog haar liefdesleven bespreekt. Aan de andere kant, al bespreken schrijvers nu de hele wereld, het thematiseren van die fundamentele eenzaamheid, dat zoeken naar verbinding, het hunkeren naar intimiteit, dat is gebleven, dat doen schrijvers nog steeds.

Ineens overvalt het me dat ik Blamans werk in mijn studententijd had moeten kennen. Op het moment dat ik me losmaakte van mijn groep om te proberen mezelf te worden, hadden haar boeken vrienden voor het leven kunnen worden. En zijzelf had mijn coole voorbeeld kunnen zijn. Zelfs haar harde oordelen hadden me kunnen helpen het verraad dat ik pleegde te rechtvaardigen. Misschien was ik dan wel net als zij op de motor naar Parijs gereden.

Net als velen in mijn bubbel luister ik naar de podcast van twee mannen die zich de stem van de elite noemen. Als het gaat om het gevoel macht te hebben over je eigen leven, dan zijn dit mannen die dat hebben, ook al werken ze in een mediaomgeving waar klussen je gegund moeten worden, en positioneren ze zich ten opzichte van geslaagdere figuren als Matthijs van Nieuwkerk. Beiden zijn journalist. Ze leggen eer in een perfecte dictie, kennen hun klassiekers, schamen zich niet voor hun gevoelens en praten in de zekerheid dat alles even boeiend is. En ineens valt het me in dat het misschien niet toevallig is dat ze interviewers zijn. Dat je mogelijk pas echt nieuwsgierig wordt naar hoe het is om de ander te zijn wanneer je je eigen plek in de wereld niet hoeft te bevragen.

Ik had een identiteit waar ik (als je dat donkere zondebesef even wegdenkt) prima mee uit de voeten kon, maar waar naarmate ik ouder werd steeds iets mee bleek te zijn, terwijl ik me daar eerder nooit bewust van was geweest. Op de lagere school merkte ik dat buitenaf wonen tussen de koeien niet goed lag. De populaire meisjes woonden op het dorp. Op de middelbare school was van de Gereformeerde Gemeente zijn veel minder cool (want strenger) dan Hervormd zijn of Vrijgemaakt. Als student bleek dat ik uit een cultureel onontwikkeld milieu kwam, en eenmaal in Amsterdam was de provincie ineens verschrikkelijk bekrompen. Het zijn telkens verschuivingen van zeker naar onzeker. Van goed meekomen naar achterstand. Op den duur ga je leven in de veronderstelling dat veel je ontgaat. En zo ga je ook lezen. En je schrijft onder meer om zaken duidelijk te krijgen.

Anna Blaman schreef al op jonge leeftijd en werd juist steeds zekerder, steeds meer zichzelf. In het essay Mijn eigen zelf schrijft ze hoe ze het haar hele jeugd betreurde dat haar mondaine tante uit Brussel haar niet op waarde schatte, terwijl ze van zichzelf wist dat ze erg goed kon leren en een interessant ‘zielenleven’ had. Als ze op haar achttiende tot haar blijdschap bij die tante mag logeren, neemt die haar mee naar de opera, maar ze moet wel een blote jurk en hoge hakken aan. Blaman zit het uit, met de dood in het hart. ‘Ik zweer, fluisterde ik me zelf toe, dat ik voor de rest van mijn leven zo zuiver en zo moedig mogelijk me zelf zal proberen te zijn.’

Daarmee groeide ook de afkeer van mensen die dat niet zijn, die het leugenspel des levens spelen.

Wat we delen, Blaman en ik, is onze zelfobsessie. Wanneer je positie niet zo zeker is, blijft je vraag, of je nu schrijver bent of niet: hoe begrijp ik mijzelf in deze wereld? Hoe mee te spelen – als jezelf?

In hoeverre blijf je aan die vraag gebonden? In hoeverre ben je vrij? Schijnt je persoonlijkheid altijd onbewust door als je schrijft? Of is je onderwerp, je vertellersstem een bewúste keuze? Je houding tegenover je personages? Je blik op wat waarde heeft? Ik bedoel, in hoeverre heb je daar greep op? Kunnen je toon en je inzet jou als schrijver gaandeweg het proces ontglippen? Misschien had ik het lezen van Blamans zelfverzekerde werk nodig om te begrijpen dat consciëntieus schrijven niet verhelpt dat er ook in je eigen werk iets gebeurt wat je niet in de hand hebt, omdat je het niet doorhebt. Dat je in zekere zin een vreemde blijft voor jezelf. En dat dat droevig is, maar ergens misschien ook goed om te weten.


Dit is een bewerking van de lezing die Franca Treur uitspreekt op zondag 7 november in De Balie in Amsterdam, in het kader van de programmareeks Publieke Intellectuelen. Bekijk de lezing en het gesprek na afloop terug. In een volgende editie spreekt Stephan Sanders over Edgar Cairo