Trollen tegen Europa

Zolang mensen klikken

In de aanloop naar de Europese verkiezingen stelt de Europese bestrijding van nepnieuws nog steeds niets voor. Google, Facebook en Twitter komen hun beloften over openheid onvoldoende na en de trollen en alt-right influencers hebben vrij spel.

‘Bedankt, namens migranten en vluchtelingen overal ter wereld.’ Met een kordate tik van zijn houten hamer sluit de voorzitter de vergadering. De zaal klapt. Het is 19 september 2016, de week waarin afgevaardigden van nationale overheden naar het Verenigde Naties-hoofdkwartier in New York zijn gereisd voor urenlange sessies en misschien een foto met Stevie Wonder of Leonardo DiCaprio. De kogel is door de kerk: er komt een niet-bindend ‘pact’ voor veilige en gereguleerde migratie, getekend door alle 193 landen ter wereld. Over ruim twee jaar zullen zij hun beloften in Marokko inlossen en een handtekening zetten onder het Pact van Marrakech.

Dat is vooral symbolisch: door te tekenen stellen landen samen te willen werken aan migratieproblematiek, maar het verplicht hen tot niets. Het is juridisch niet bindend en verplicht landen niet hun nationale wetten aan te passen of een bepaald aantal migranten op te nemen.

Maar die nuances zijn niet aan iedereen besteed. ‘They have a plan: no borders. (…) I rejected that plan, is that okay?’ zegt president Trump eind 2017 in een toespraak. Het blijkt de voorbode van wat zich zal ontwikkelen tot een van de krachtigste recente voorbeelden van desinformatie. In april 2018 verklaart parlementslid Martin Hebner van de rechts-nationalistische AfD in de Duitse Bundestag: ‘Das ist ein No-Borders-Program.’ In juli kondigt de Hongaarse leider Orbán aan het pact niet te tekenen. En de kritiek komt pas echt op stoom wanneer de Oostenrijkse extreemrechtse activist Martin Sellner in september een opzwepend filmpje op YouTube zet met de titel ‘Stop het VN-migratiepact – niet in onze naam!’ ‘Dit is de genadeslag’, zegt Sellner tegen zijn webcam. ‘Dit is de doodstraf voor de natiestaat, zijn soevereiniteit en voor de democratie.’

‘Marrakech’ is het schrikbeeld van Europese politici en ambtenaren die zich momenteel voorbereiden op de golf van desinformatie die verwacht wordt in aanloop naar de Europese verkiezingen eind mei. Binnen een paar weken wordt het filmpje van Sellner 100.000 keer bekeken. Op de sociale netwerken Discord en Telegram verspreidt de activist een petitie en vraagt mensen zijn filmpje overal te verspreiden. Al snel doen allerlei verzonnen interpretaties de ronde. Het pact zou grenzen afschaffen; leiden tot de invasie van honderden miljoenen migranten van Afrika naar Europa en zelfs het begin van de Derde Wereldoorlog inluiden. Driekwart van de honderd meest bekeken YouTube-filmpjes over het pact zijn afkomstig van rechts-extremisten, rechts-populisten en complotdenkers, stelt de Britse denktank Institute for Strategic Dialogue in een rapport. Wanneer op 31 oktober de Oostenrijkse premier Kurz verklaart uit het pact te stappen, is Sellner verrukt: ‘We hebben het gedaan!’

Na Kurz’ beslissing stijgt het aantal Twitter-berichten over ‘Marrakech’ met zevenhonderd procent. En belangrijker: ook reguliere dagbladen en nieuwsprogramma’s rapporteren nu over ‘Marrakech’. In heel Europa gaan politici ermee aan de haal. FvD-leider Baudet vraagt een Kamerdebat aan, verschijnt in verschillende praatprogramma’s en lanceert een petitie tegen het pact. ‘Kritiek op migratie wordt een misdrijf’, zegt europarlementariër Marcel de Graaff (pvv) tijdens een persconferentie, in strijd met de waarheid. In Oslo breken gevechten uit tussen voor- en tegenstanders na een demonstratie tegen het pact en besluit de rechts-populistische Vooruitgangspartij het pact niet langer te steunen. In december valt het Belgische kabinet over de beslissing wel of niet te tekenen. Op 10 december, wanneer vertegenwoordigers van nationale overheden elkaar in Marrakech treffen, zijn 29 landen, waaronder tien Europese, van gedachten veranderd. Zij tekenen niet.

Ook na december blijven honderden Twitter-gebruikers in diverse talen over het pact tweeten, ontdekte het Spaanse bedrijf Alto Data Analytics. En op het machinegeweer van de man die afgelopen maart vijftig moslims doodschiet in Christchurch, Nieuw-Zeeland, staat: ‘Hier heb je je migratiepact.’

De afgelopen maanden onderzocht Platform voor onderzoeksjournalistiek Investico in samenwerking met het internationale journalistencollectief Investigate Europe hoe online desinformatie in aanloop naar de Europese verkiezingen wordt bestreden. Die bestrijding stelt nog vrijwel niets voor, blijkt uit gesprekken met meer dan honderd wetenschappers, onderzoekers, politici, ambtenaren, journalisten, factcheckers, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en werknemers van techbedrijven. Campagnes als ‘Marrakech’ zouden zich de komende maanden probleemloos kunnen herhalen. Europese ambtenaren hebben nauwelijks capaciteit om desinformatie te bestrijden en mogen zich niet met desinformatie binnen de EU bezighouden. Sociale-mediabedrijven Google, Facebook en Twitter komen hun beloften over openheid onvoldoende na. Zo blijft de strijd tegen desinformatie een moeizame aangelegenheid van factcheckers en reguliere media, die zich voortdurend moeten afvragen of hun correcties het fake monster niet voeden.

‘Ik heb het nooit over fake news’, zegt Rebekah Tromble. De Amerikaanse politicoloog werkt aan de Universiteit Leiden en doet al jaren onderzoek naar de verbanden tussen desinformatie, filterbubbels, vijandig online gedrag en politieke communicatie online. Ze werkt aan onderzoek dat ‘gezond gedrag’ op Twitter definieert en bekijkt op Facebook de invloed van sociale media op democratie en verkiezingen. ‘Ik bestudeer misinformatie, foute informatie zonder gericht doel; en desinformatie, onjuiste informatie die verspreid wordt met een specifieke (politieke) agenda.’

Wetenschappers zoals Tromble richten zich niet op losse onjuiste berichten, maar onderzoeken de verspreiding van desinformatie, de netwerken die erachter zitten en de invloed van de verzenders. ‘Invloed is een cruciaal fenomeen online: het betekent dat iemand een machtige stem heeft en deze gebruikt voor impact, of dit nou politiek of commercieel is’, schrijft Data & Society-onderzoeker Becca Lewis eind 2018. Een open deur misschien, maar belangrijk: niet elk onjuist bericht is even schadelijk. Alleen de berichten die worden opgepikt door YouTube-bekendheden, opiniemakers of politici met veel volgers, kunnen grote gevolgen hebben. Zo ging het ook bij ‘Marrakech’. Reguliere influencers brachten berichten uit gesloten netwerken zoals 4chan, Discord en Telegram naar openbare sociale media, zoals Facebook, YouTube of Twitter. En daarna naar kranten en televisie, totdat ze het publieke debat bepaalden.

Journalisten spelen een rol, zegt Tromble. Kranten en nieuwsprogramma’s staan onder druk om snel te produceren en pikken misleidende berichten soms op zonder voldoende context te geven. Zo verspreidt desinformatie zich van de online marges naar het publieke debat. ‘Soms willen journalisten alleen laten zien dat een deel van de bevolking hierin gelooft. Maar als dit onjuiste informatie versterkt, zijn zij net zo verantwoordelijk.’

‘We beginnen vandaag met nepnieuws’, zegt Eva Jinek begin maart terwijl ze in de camera kijkt. ‘Volgens de minister van Binnenlandse Zaken Kajsa Ollongren is het gevaar zo groot dat het onze democratie onder druk zet.’ Ollongren, rechts van Jinek, knikt: de dreiging is reëel. Ze verwijst naar Rusland waar ‘trollen-fabrieken’ staan, maar ook ‘andere onvrije landen met dit soort politieke leidingen’ maken gebruik van desinformatie. Het gaat niet alleen om nepnieuws maar ook om het uitvergroten van echt nieuws, legt ze uit. Zo wordt geprobeerd groepen in de samenleving tegen elkaar uit te spelen en de democratie te destabiliseren. Denk aan Brexit, of aan de discussie over Catalaanse onafhankelijkheid. Gebeurt dat ook hier, vraagt Jinek. Dat weet ik niet, antwoordt de minister. ‘Maar we zijn niet immuun als Nederland.’

Haar antwoord is een bewustwordingscampagne, getiteld ‘Blijf nieuwsgierig, blijf kritisch’. Die bestaat onder meer uit de checklist ‘Is die informatie echt?’, een radiospotje en een filmpje waarin mensen in bad, in de tram, op de scooter of op de bank naar het scherm kijken van hun mobiele telefoon, iPad of laptop en zich hardop afvragen: ‘Echt?’ Of dat helpt tegen de bewuste verspreiding van desinformatie is de vraag. Maar de overheid kan niet anders. ‘Er bestaat in Nederland geen ministerie van de Waarheid’, zegt Ollongren. Het is niet aan overheden om te beslissen wat echt of nep is. Journalisten en wetenschappers kunnen dat veel beter en ook de sociale-mediaplatforms moeten een steentje bijdragen.

Die terughoudende lijn volgt Europa inmiddels ook, mede omdat de Europese factcheckwebsite EUvsDisinfo zichzelf in diskrediet bracht. Dat leidde vooral in Nederland tot ophef. Deze website hield een zwarte lijst bij met bronnen van desinformatie. Dat ging goed tot begin 2018 bleek dat ook de Nederlandse media de Gelderlander, GeenStijl en The Post Online erop stonden. Namens Nederland eiste Ollongren dat de afdeling zou worden opgeheven. Dat gebeurde niet, maar de EU moest wel iets nieuws verzinnen om geloofwaardig te blijven in de strijd tegen nepnieuws.

‘Soms willen journalisten alleen laten zien dat een deel van de bevolking hierin gelooft. Maar als dit onjuiste informatie versterkt, zijn zij net zo verantwoordelijk’

Ziedaar het Actieplan tegen desinformatie, een kleine zes maanden voor de Europese verkiezingen gelanceerd door de Europese Commissie. Het doel: uitbreiding van de Europese tak die desinformatie uit niet-Europese landen opspoort, versterking van samenwerking tussen lidstaten, vergroting van bewustwording bij burgers en mobilisering van de sociale-mediabedrijven. Het initiatief EUvsDisinfo mag voorbeelden van desinformatie blijven traceren, maar kijkt nu vooral naar eenzijdige berichtgeving uit Rusland. Dat is niet toevallig, want het is deel van een andere eenheid; de East StratCom Task Force die in 2015 werd opgericht om ‘aanhoudende Russische desinformatiecampagnes’ te bestrijden. Inmiddels moet de eenheid óók desinformatie uit andere landen opsporen, maar nadrukkelijk niet uit Europa. Sinds de Nederlandse kritiek verloor de club het mandaat naar Europese media te kijken.

‘We hebben een legitimiteitsprobleem’, zegt een hooggeplaatste EU-ambtenaar op voorwaarde van anonimiteit. Door het beperkte mandaat mist de eenheid desinformatiecampagnes met Europese wortels, zoals die over het Marrakechpact. En kijkt deze niet naar Europese bronnen van desinformatie, zoals de extreem-rechtse YouTube-ster Martin Sellner. Bovendien ontbreekt het de eenheid aan mankracht. Tot voor kort werkten er zes medewerkers, onder wie geen enkele data-analist. ‘Tot 2017 hadden we geen budget’, vertelt de ambtenaar. Het Actieplan verandert dat: in 2019 krijgt de anti-nepnieuwseenheid vijf miljoen euro. Daarvan kunnen tien nieuwe medewerkers aan de slag en worden externe data-analisten ingehuurd. Nog steeds onvoldoende om op systematische wijze sociale media te monitoren of in afgesloten netwerkgroepen of webpagina’s te duiken. ‘We claimen niet dat we alles weten op dit gebied’, zegt de ambtenaar. ‘Dat is aan anderen. Het kan gewoon niet met dit budget. Wij kijken naar de meest voor de hand liggende gevallen.’

Hoe moet de eenheid desinformatie in Europa dan indammen? Niet, zegt de ambtenaar. ‘Wij zijn het enige EU-team dat hier iets aan doet.’ Maar door het kleine mandaat richt de club zich vooral op het vergroten van bewustwording bij lidstaten. ‘Nationale overheden moeten desinformatie serieus nemen. Brussel gaat dit probleem niet oplossen.’

Vandaar dat de Commissie ook het ‘Rapid Alert System’ in het leven riep. In het geval van een nepnieuwscrisis kunnen nationale overheden elkaar daarmee waarschuwen. Afgelopen februari moest de noodlijn nog worden opgetuigd en waren insiders diep sceptisch over het te verwachten effect: ‘Het is niet snel, het is geen systeem en er komen geen alerts – behalve wanneer journalisten iets onthullen’, zegt een Europese diplomaat.

Anderhalve maand later, zo’n twee maanden voor de Europese verkiezingen, wordt het dan eindelijk gelanceerd. In een Brussels vergaderzaaltje krijgen de nationale afgevaardigden, één per land, instructies. Melden ze straks een casus, dan trillen de smartphones van hun Europese collega’s direct; overheden kunnen zo meteen reageren. Aldus het Rapid Alert System: een WhatsApp-groepje van ambtenaren dat bovendien, net als de Europese anti-nepnieuwseenheid, alleen desinformatie uit niet-Europese bronnen mag aankaarten.

Luister naar Speurwerk

De derde aflevering van Investico’s podcast Speurwerk bespreekt dit artikel, en de vraag: hoe bestrijdt Europa desinformatie? Het is te beluisteren via Investico’s website en via de andere bekende podcastkanalen

Alle ogen zijn gericht op Rusland. Niet gek, na alle ophef over de Russische beïnvloeding van de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016, de onjuiste berichtgeving over de vliegtuigramp MH17 en de Russische inmenging tijdens het Oekraïne-referendum. Maar ook niet geheel terecht. ‘De sterke Europese focus op externe dreigingen is een fout’, zegt Paul Butcher. De Schot is onderzoeker bij de Brusselse denktank European Policy Centre. ‘Desinformatie kan overal vandaan komen en door iedereen worden gemaakt. En Rusland staat laag op de lijst’, zegt hij. De grootste dreiging komt volgens hem van individuele extremistische activisten die vanuit hun slaapkamer elkaar helpen hun wereldbeeld te verspreiden. Zij zitten ook in Europese landen en volgen vaak de agenda van rechts-nationalistische partijen, zegt Butcher. Op eigen houtje, zonder orders te krijgen van deze partijen zelf.

Ook in Nederland zijn er nu weinig indicaties dat de Russen het op ons gemunt hebben, zegt Peter Burger, docent aan de Universiteit Leiden en medeoprichter van het factcheck-initiatief Nieuwscheckers. Zo zijn er geen Russische media die specifiek gericht op Nederland desinformatie verspreiden. ‘Natuurlijk was er de misleidende informatie over MH17 en het Oekraïne-referendum’, zegt hij. ‘Er gebeurt wel wat, maar de overheid legt te veel nadruk op externe dreigingen ten opzichte van binnenlandse desinformatie.’

Maar de EU-landen kunnen weinig anders: richten ze hun pijlen wel op binnenlandse bronnen van desinformatie, dan kunnen ze van censuur of een politieke agenda beticht worden. Duitsland en Frankrijk werden al beschuldigd van autoritaire praktijken nadat zij wetten tegen online haatzaaierij en ‘onaannemelijk nieuws’ invoerden.

Dus kijken de Europese Commissie en de lidstaten naar de techbedrijven. Die staan onder politieke druk vanwege hun rol in diverse recente affaires. Onjuiste berichten en gestuurde advertenties op sociale media stuurden de uitkomst van het Brexit-referendum en beïnvloedden de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Afgelopen september vroeg de Commissie de techbedrijven een ‘code of practice’ te tekenen. Google, Twitter en Facebook beloven daarin actie te ondernemen tegen neppe accounts en berichten, samen te werken met academici en meer openheid te geven over advertenties. De maatregelen zijn vrijwillig. ‘Dit is de eerste keer dat de bedrijven vrijwillig hebben ingestemd met zelfregulerende maatregelen die desinformatie wereldwijd zullen bestrijden’, schrijft de Commissie euforisch.

Maar uit gesprekken van Investico en Investigate Europe met Facebook en Google, en een mislukte poging Twitter een reactie te ontlokken, blijkt dat in de praktijk nog weinig is gebeurd. ‘Sorry dat ik zo laat ben’, zegt Tessa Lyons-Laing via haar webcam tegen haar interviewers. ‘Ik moest allemaal lange gangen door om hier te komen.’ Lyons-Laing en de communicatiemedewerker die haar vergezelt, zitten in het Facebook-hoofdkantoor in Silicon Valley, in een klein kamertje met de naam Waterfall. Het kamertje vormt een vierkant rechtsboven op mijn computerscherm. In de digitale videoconferentieruimte van Facebook zijn vijf andere vierkanten van de partij: vier met ons, de Europese journalisten, en één waaruit Facebooks Berlijnse communicatiemedewerker meeluistert. Achter haar op de muur hangt een illustratie van een vuist met de tekst ‘Resist fear, assist love’.

‘Er is geen wondermiddel’, zegt Lyons-Laing. Ze is productmanager bij Facebook en verantwoordelijk voor alles wat Facebook doet tegen desinformatie. Heel veel, dreunt ze op. Facebook werkt met drie stappen: ‘verwijder’, ‘verminder’, ‘informeer’. Verwijder: Facebook huurt 30.000 mensen in om berichten te verwijderen die niet voldoen aan de ‘community standards’. Denk aan neppe accounts, bots of haatzaaierij. Verminder: Facebook heeft het algoritme achter de newsfeed aangepast zodat zo min mogelijk mensen ‘problematische’ informatie zoals nepnieuws te zien krijgen. Ook werkt Facebook met factcheck-organisaties die helpen te bepalen wat nep of echt is. Informeer: Facebook wil gebruikers meer inzicht geven in wat ze op het platform zien en waarom.

Maar onafhankelijke academici en stichtingen zoals Mozilla die de plannen beoordelen zijn nog niet tevreden. Hoewel Facebook sinds maart dit jaar meer informatie geeft over politieke advertenties, is het onvoldoende om echt inzicht te krijgen in de strategie van adverteerders. Zo toont Facebook niet op wie een advertentie oorspronkelijk gericht was, maar alleen welke groepen mensen uiteindelijk zijn bereikt. En de gedeelde informatie is niet specifiek genoeg: ‘Probeer in het Verenigd Koninkrijk maar uit te vinden of een adverteerder zich op een specifiek kiesdistrict richt’, zegt Sam Jeffers, oprichter van Who Targets Me, een initiatief dat advertenties op Facebook onderzoekt. ‘Facebook toont alleen of het om Schotland, Ierland, Wales of Engeland gaat. Heb je weinig aan dus.’

Ook de algoritmes die bepalen welke berichten boven aan je Facebook-newsfeed of Google-zoekopdracht verschijnen blijven geheim. In de meeste West-Europese landen gebruikt meer dan de helft van de bevolking sociale media als dagelijkse nieuwsbron. Maar zolang de bedrijven afschermen hoe deze algoritmes zijn opgebouwd, is het onduidelijk op basis van welke criteria mensen informatie te zien – of juist niet te zien – krijgen.

‘Waarom is er zoveel desinformatie?’ Vooral door de manier waarop techbedrijven geld verdienen aan extreme informatie, clickbait en advertenties

Ook de factcheckers met wie Facebook samenwerkt hebben geen inzicht in de algoritmes. ‘Ze spanden ons voor hun karretje’, zegt journalist Brooke Binkowski via haar webcam. Tot vorig jaar zomer werkte ze voor Snopes, een factcheckwebsite die eind 2016 met Facebook in zee ging om desinformatie te bestrijden. Ze kregen toegang tot een specifieke omgeving op Facebook waar door een algoritme geselecteerde berichten verschenen en moesten deze voorzien van een label: nep, echt of misleidend. ‘Het was makkelijk werk. Maar ik wilde weten welke berichten Facebook ons wel liet zien en welke juist niet.’ Ze vroeg of Facebook het algoritme dat haar en haar collega’s berichten voorschotelde openbaar kon maken. Dat deed het bedrijf niet.

Volgens Binkowski zouden journalisten geen geld van Facebook moeten aannemen voor de samenwerking: het zorgt voor een afhankelijkheidsrelatie waarin journalisten minder makkelijk kritisch kunnen zijn over het bedrijf. In 2017 ontving Snopes 100.000 dollar van Facebook, in 2018 kreeg factcheck.org 188.881 dollar. ‘Facebook probeert zijn reputatie te verbeteren door samen te werken met journalisten; dat is veel goedkoper en effectiever dan een groot pr-team.’

In een reactie op eerdere kritiek van Binkowski stelt Facebook dat het ‘al jaren toegewijd is aan het bestrijden van misinformatie en sterke relaties heeft met externe factchecking partners’. Snopes en Facebook werken sinds begin dit jaar niet meer samen, de reden is onduidelijk. In een enquête van afgelopen december tonen de negentien factcheckclubs die reageerden zich redelijk tevreden over de samenwerking: het gaat best goed, maar of dit écht verschil maakt tegen desinformatie weten ze niet.

Toch groeide het experiment uit tot een van de belangrijkste pijlers van Facebooks strategie tegen desinformatie. Begin april 2019 werkt Facebook met 43 factcheckclubs en journalistieke organisaties die berichten verifiëren in 24 talen. Niet de minsten: het Duitse journalistencollectief Correctiv zit ertussen, net als de Franse en Amerikaanse persbureaus afp en The Associated Press. In Nederland doet nu.nl mee.

De platforms verwijderen informatie zonder openheid te geven waarom, waarschuwt de Brusselse onderzoeker Butcher met zijn lichte Schotse accent. ‘Ze zien nu dat desinformatie hun reputatie schaadt en nemen het zekere voor het onzekere.’ Toen in juli bleek dat drie miljoen Europeanen hun Facebook-profiel hadden verwijderd sinds het Cambridge Analytica-schandaal, verloor Facebook prompt meer dan 119 miljard dollar aan marktwaarde. En bedrijven kunnen verder gaan dan de wetten waar overheden aan gebonden zijn, zegt Butcher. Kunnen we hen vertrouwen om te bepalen wat ‘problematische’ informatie is, of is dit de privatisering van censuur?

‘Om desinformatie te bestrijden moeten we naar het verdienmodel kijken’, zegt Monique Goyens, directeur van de vertegenwoordiger van Europese consumentenbelangen Beuc. Vorig jaar nam zij samen met journalisten, academici, vertegenwoordigers van techbedrijven, omroepen en maatschappelijke organisaties deel aan de High Level Group on Disinformation. Dit overlegorgaan gaf vorm aan de code of practice, de vrijwillige richtlijn die de platforms vorig jaar tekenden.

‘Waarom is er überhaupt zoveel desinformatie?’ Het komt niet alleen door de afzenders van misleidende berichten, beantwoordt Goyens haar eigen vraag, maar vooral door de manier waarop techbedrijven geld verdienen aan extreme informatie, clickbait en advertenties. ‘Zolang mensen klikken, zullen deze berichten worden verstuurd.’ Door hun enorme rijkdom aan data – een monopolie – weten de platforms precies waar wij op aanslaan. Maar wij weten niet hoe ze dat monopolie gebruiken en wat ze afspreken met adverteerders. ‘Misbruiken de bedrijven hun positie? Dat moeten we onderzoeken.’

Precies dat voorstel deed Goyens vorig jaar tijdens de overlegsessies in Brussel. Zonder succes: ‘De Europese ambtenaren stopten ons keer op keer, en nog agressief ook.’ Een voorgekookte zaak, zegt ze: vanaf het begin was duidelijk dat de ambtenaren zelfregulering als enige acceptabele oplossing zagen. ‘En tijdens een pauze vroeg ik aan de Facebook-vertegenwoordiger: “Waarom zijn jullie bang voor een sectoronderzoek?” Hij werd nerveus en reageerde: “Als dat er komt, dan werken we niet meer mee, maar tegen.”’ Drie andere deelnemers beamen dat Facebook de groep onder druk zette en dreigde met het verminderen van steun aan journalisten en academici. ‘Het was gewoon chantage’, concludeert Goyens. Facebook laat weten niet in te willen gaan op deze beschuldiging.

Versplinterd door de glas-in-loodramen valt het zonlicht op zes eilanden van tafels. In de voormalige kapel zitten bijna veertig journalisten, factcheckers, studenten, academici en medewerkers van maatschappelijke organisaties druk te typen. Eén Twitter-medewerker is van de partij. In een hokje in de hoek proberen twee vertalers de presentatie van de organisator bij te benen. ‘Er is een uitdaging, dat is duidelijk, maar wat is die precies? Hoe we desinformatie moeten oplossen weten we nog niet, maar we kunnen een beginnetje maken: door te brainstormen, of samenwerkingsverbanden te smeden.’

De organisatie First Draft, in 2015 opgericht om desinformatie te bestrijden, heeft mensen uit heel Europa uitgenodigd voor hun Collaboration against Disinformation Summit. De locatie: een dertiende-eeuwse abdij, op een uurtje rijden van Brussel. Drie dagen lang kunnen de deelnemers workshops volgen, discussiëren, of genieten van een goed glas wijn of fietstocht door de natuur.

En dit weekend in maart is nog maar het begin. Factcheckers uit allerlei landen komen eind maart samen in Milaan. Begin april presenteren journalisten en uitgevers in Lissabon na sessies door heel Europa de nieuwe Media Literacy Toolkit. Er gebeurt van alles, zegt Rebekah Tromble, de Amerikaanse politicoloog. Van mediawijsheidscursussen en het promoten van ‘relevante’ content online, tot diverse factcheck-initiatieven. ‘Maar of het op de lange termijn helpt weten we nog niet.’ Mediawijsheid lijkt meer effect te hebben op de korte termijn. En sommige onderzoeken impliceren dat factchecking contraproductief is, omdat informatie die eigenlijk vergeten zou moeten worden zo een nog groter bereik krijgt.

‘We weten niet hoeveel mensen in contact komen met desinformatie, hoeveel daardoor van gedachten veranderen en al helemaal niet wat de politieke effecten zijn.’ Toch heeft iedereen zich op desinformatie gestort, zegt Tromble. Na het Brexit-referendum en Trumps verkiezing in 2016 willen mensen niet weer machteloos toekijken. Dus stoppen ze er bakken geld en aandacht in, zonder te weten tegen wie ze precies vechten of wat de juiste middelen zijn. ‘Soms denk ik dat we het paard achter de wagen spannen. Natuurlijk is er desinformatie, dat moeten we heel serieus nemen, maar nu lijkt het alomtegenwoordig.’

Steeds meer mensen geloven helemaal niemand meer, zegt ze, wat kan leiden tot het verdwijnen van vertrouwen in instituties en dus de uitholling van de democratie. ‘Ik ben bang dat alle ophef de problemen nog veel groter maakt.’


Over het onderzoek

Voor dit onderzoek werkte Platform Investico samen met Investigate Europe, een journalistieke organisatie voor onderzoek naar actuele kwesties met een overstijgend Europees belang. Het team bestond naast Daphné Dupont-Nivet (Investico) uit: Wojciech Ciesla, Ingeborg Eliassen, Juliet Ferguson, Nikolas Leontopoulos, Maria Maggiore, Leila Minano, Paulo Pena, Nico Schmidt, Harald Schumann en Elisa Simantke. Meer informatie: investigate-europe.eu