Telegram-videoscreenshot van een industrieterrein nabij de Azovstal-fabriek in Marioepol, 13 april Daaronder: dezelfde locatie via Google Maps © Telegram

In een video sorteren Oekraïense soldaten op een binnenplaats restanten van clusterbommen. Een schommelstoel staat volledig intact tussen het puin. De cursor van Martijn van Laar wijst naar tegels met een afwijkend patroontje. ‘Belangrijk, maar waarschijnlijk te klein voor satellietbeelden.’ Niet veel eerder deelde onderzoekscollectief Bellingcat een video op Twitter, waarin ze vroegen naar de exacte locatie van beelden uit Zatoka, Odessa. Wanneer Van Laar tijdens korte werkpauzes van zijn voltijdbaan tijd over heeft, achterhaalt en verifieert hij oproepen die hij tegenkomt op Twitter. ‘Kijk, dat is een spoorlijn.’ Zijn cursor gaat van links naar rechts, over een lijntje heen. Langs deze spoorlijn in Google Maps is hij op zoek naar een kruispunt. Triomfantelijk merkt Van Laar op dat ook Google Streetview beschikbaar is, want ‘dan weet je zeker dat het goed zit’. Inderdaad, dezelfde karakteristieke tegels uit het filmpje zijn te zien. Ook vindt hij een gedateerde foto van de schommelstoel, waar in vredestijd nog twee kinderen op zaten.

Binnen nog geen tien minuten heeft Van Laar de precieze coördinaten van de video gelokaliseerd. Of zoals hij zegt, het is geolocated. ‘Het heeft niet veel nut, maar ik kan me niet op mijn werk concentreren door de oorlog in Oekraïne. Dan kan ik beter iets doen wat ermee te maken heeft.’ Trauma door de schrijnende oorlogsbeelden ondervindt hij niet. ‘Het is niet reallife, ik heb geen last van wat ik op Twitter of Reddit zie. De beelden zijn plat en ik zit al jaren in de krochten van het internet waar de meest weirde shit voorbijkomt. Ik wil niet zeggen dat het niks met mij doet, maar ik ben redelijk afgestompt.’ Of hij hiervoor is getraind? ‘Niet dat het mijn doel was, maar via het spelletje GeoGuessr heb ik een beetje geoefend. In het spel word je ergens in de wereld neergezet en moet je uitzoeken waar je bent’, legt hij uit.

Digitale speurneuzen, online detectives, Osint-enthousiastelingen, hacker-journalisten, online-speurders, online-factcheckers, openbrononderzoekers, Bellingcatters… allemaal termen bedacht om individuen met vaardigheden zoals Van Laar te beschrijven. Het begint zowaar mainstream te worden in de mediabubbel, Osint, open source intelligence, het achterhalen van informatie uit openbare bronnen. Tegenwoordig vinden zulke onderzoeksactiviteiten met name online plaats.

Hoogleraar Matthew Moran, expert in internationale veiligheid en Osint aan de afdeling War Studies van King’s College in Londen, gaat terug in de tijd. Terug naar de ontwikkelingen vlak voor – en tijdens – de Tweede Wereldoorlog. ‘In de jaren dertig was Duitsland al bezig met radio-inlichtingen’, zegt Moran. ‘De opkomst van de korte-golfradio beïnvloedde het verzamelen en analyseren van open bronnen. In 1939 analyseerde het Britse BBC Monitoring in verschillende talen al duizenden radio-uitzendingen per dag, waarvan analyses met ministeries en inlichtingendiensten werden gedeeld. Dit was het moment waarop inlichtingendiensten openbare bronnen begonnen te gebruiken op een methodologisch en systematisch onderbouwde manier.’

De gevolgen van deze technologische ontwikkelingen baarden sommigen zorgen, bang dat deze nieuwe technologieën zouden leiden tot orwelliaanse machtscentralisatie en staatscontrole. Moran citeert Ithiel de Sola Pool, die in Technologies of Freedom in 1983 waarschuwde voor ‘elektronische media’ die de wereld zouden veroveren. ‘Ze zullen zorgen voor meer kennis, gemakkelijke toegang en vrijere meningsuiting dan ooit tevoren (…), men zou kunnen verwachten dat deze technologieën van vrijheid alle pogingen om ze te beheersen zullen overweldigen.’

Intussen veranderden mobiele telefoons wie informatie zendt en wie ontvangt. Deze technologische ontwikkeling heeft niet voor een orwelliaanse machtscentralisatie of verlies van vrijheid gezorgd, maar juist voor de opkomst van de burgerjournalist, door de brede toegankelijkheid van informatie. Ook de sterke groei van sociale media is een katalysator geweest voor de razendsnelle ontwikkeling van openbrononderzoek bij het grotere publiek. De Syrische Burgeroorlog was het kantelpunt. Burgers deelden een enorme hoeveelheid informatie online, bijvoorbeeld over het gebruik van chemische wapens. Inlichtingenrapporten putten in die tijd ook veel uit open bronnen. Volgens Moran kwam dit maar deels door de beschikbaarheid: ‘Het falen van de Amerikaanse, Britse en Australische inlichtingendiensten tijdens de Irakoorlog heeft ervoor gezorgd dat burgers inlichtingendiensten niet meer zomaar op hun woorden vertrouwen. Door de toegankelijkheid van openbare bronnen, kunnen inlichtingendiensten bronnen aandragen die burgers zelf kunnen beoordelen.’

We zenden continu; we posten, delen, liken, en voorzien anderen van commentaar. We filmen en fotograferen alles met onze mobiele telefoons. In Nederland zien we foto’s van vrienden op een festival, een kat die voor een videogesprek op het toetsenbord gaat zitten, de soja latte en avocado bagel bij de brunch. ‘Een individu in een land dat vrede kent, deelt andere foto’s dan een individu in oorlogsgebied’, zegt onderzoeker Sophie Dyer. Dyer, die verbonden is aan het Amnesty Crisis Evidence Lab, is ook tijdens de Syrische Burgeroorlog voor het eerst in aanraking gekomen met openbrononderzoek. Andere technologieën, zoals drones, werden in die tijd ook voor informatieverzameling ingezet. Net zoals satellietbeelden, die commercieel beschikbaar en goedkoper werden.

Online is er een #osint-landschap ontstaan, met de hashtag als basis van de gemeenschap. Op Twitter, Facebook, Telegram, Discord en andere sociale media zijn binnen enkele clicks ontelbare groepen te vinden waar mensen tips, suggesties en hulpmiddelen delen. Zonder de open source intelligence-hashtag zouden de bijdragen van hobbyist Van Laar – met zijn 96 Twitter-volgers – verdwijnen in de ruis van de ruim 217 miljoen Twitter-gebruikers. Door het ontstaan van een naam en een gemeenschap kunnen mensen in het veld stappen uit interesse voor de onderzoeksmethode.

De plek waar de video van Telegram is opgenomen © Google

Met bijna 150 .000 volgers op Twitter is Thomas van Linge geen onbekende in het veld. Als activist stapte hij tijdens de Syrische Burgeroorlog in het Osint-veld, voordat er sprake was van een gemeenschap. Zijn onderwerpen vindt hij via sociale media en daarmee ondersteunt hij als freelancejournalist verschillende mediaredacties. ‘Vroeger was het credo: alles op sociale media is onbetrouwbaar en niet geverifieerd. Dat is gaandeweg veranderd. Osint is populair geworden in de journalistiek, wat met name te danken is aan Bellingcat.’

Openbrononderzoekers analyseren dag in dag uit verwoestingen, vaak vol gewelddadige beelden

Oprichter van onderzoekscollectief Bellingcat, de Brit Eliot Higgins, belichaamt de ‘American Dream’ van het Osint-landschap. In zijn boek Wij zijn Bellingcat vertelt Higgins over zijn onbevredigende kantoorbaantjes en zijn groeiende nieuwsverslaving. Ontevreden door de traagheid van kranten begon Higgins zelf met het bestuderen van tweets van correspondenten in oorlogsgebieden. Tijdens de Arabische Lente vond hij zijn eerste scoop, over een conflict ver weg van zijn laptop in Engeland – een scoop over een frontlinie in Libië. De roes die deze onthulling hem gaf, verving al gauw de nieuwsverslaving.

De Bellingcat-methode van Higgins zegt zich te baseren op transparantie en benadrukt dat de bevindingen stapsgewijs kunnen worden nagetrokken. Zo schrijft Higgins geen geheime bronnen te gebruiken, waar volgens hem traditionele journalisten nog weleens in de val van ‘vooringenomenheid, manipulatie en misverstanden’ kunnen vallen. Wie de onderzoeken van Bellingcat leest, kan de feiten zelf zien.

Inmiddels heeft Bellingcat onthulling na onthulling met de wereld gedeeld, na als onderzoekscollectief naam te hebben gemaakt met de reconstructie van het neerhalen van mh17. Nog voordat de Nationale Recherche hetzelfde concludeerde, analyseerde Bellingcat foto- en videomateriaal dat het transport van het Buk-M1-raketsysteem door Russische separatisten aantoont. De publicaties van het collectief variëren intussen van exotische dierenhandel in Dubai en het gebruik van chemische wapens in Syrië tot een gedetailleerd onderzoek naar de identiteit van de vergiftigers van de Russische dubbelspion Skripal en zijn dochter op Brits grondgebied.

De naam Bellingcat is gebaseerd op een eeuwenoude fabel waarin een grote kat een groep muizen terroriseert. De muizen houden een vergadering, ze moeten zichzelf zien te beschermen. Door een bel om de nek van de kat te hangen, kunnen de muizen weten wanneer de kat komt. Maar welke muis gaat de kat de bel om doen? Een openbron-inlichtingendienst van burgers, het oncomfortabel maken van machthebbers, dat is waar Bellingcat voor probeert te staan. Maar het blijft risicovol. ‘Een organisatie als Bellingcat heeft geen steun van een staatsapparaat, en dat is van belang wanneer je de wandaden van machtige spelers aan het licht probeert te brengen’, zegt Moran.

In de Nederlandse journalistiek staat de methode van online openbrononderzoek nog relatief in de kinderschoenen, maar sinds de verdere invasie van Oekraïne hebben onder andere de nos en RTL Nieuws de nieuwe methode omarmd. Zo tweette Joost Schellevis van de nos eind maart nog: ‘Gezocht: freelance Osint-enthousiastelingen die @nos_osint tijdelijk kunnen versterken. (…) En leg de lat voor jezelf niet te hoog – student journalistiek en handig met Google Streetview? Kom maar door!’ Hetzelfde narratief komt keer op keer terug: wat wij doen is geen rocket science. Nieuws, informatie en waarheidsvinding zijn eindelijk gedemocratiseerd. Iedereen met een laptop, internetverbinding en voldoende nieuwsgierigheid kan dit ook.

Op zoekmachines piekte de zoekterm Osint eind februari van dit jaar, tegelijkertijd met de Russische inval van Oekraïne. Dat het geen rocket science is, zorgde voor een enorme populariteit van de methode. Hobbyisten als Martijn van Laar kunnen nu hun bevindingen delen en zo ook hun steentje bijdragen. Toch is er ook een keerzijde. Omdat verificatie soms doet denken aan een spel, ligt gamificatie op de loer – er kan afstand tot de beelden ontstaan en abstractie van de inhoud. Bovendien kunnen beelden privacygevoelig zijn, kunnen conclusies voor verkeerde doeleinden worden gebruikt of kunnen de waarnemingen door een ondeskundig oog verkeerd worden geïnterpreteerd.

De onderzoeksmethode roept vragen op over de eigen veiligheid van de zolderkamerspeurders én van professionele onderzoeksjournalisten die zich bezighouden met Osint. Bovendien is het maar de vraag of het veld daadwerkelijk zo gedemocratiseerd is als de onderzoekers zelf stellen.

Dezelfde locatie, maar dan via satellietbeelden op Google Maps. De verschillende gekleurde vierkantjes geven weer welke gebouwen de geolocatie ondersteunen. De rode en blauwe vlakjes geven de frontlinie tijdens ‘geolocate’ weer. © Google Maps

Begin januari van dit jaar telde het internet 4,95 miljard gebruikers, waarvan 4,62 miljard sociale-mediagebruikers. Terwijl deze hoeveelheden duizelingwekkend zijn, zijn er nog steeds miljarden burgers zonder de mogelijkheid om de online wereld te betreden. De verhalen die we hierdoor met name missen, zijn de verhalen van groepen zoals ouderen, kinderen, hulpbehoevenden en mensen in armoede. Laaghangend fruit zoals de verwoestingen van gebouwen worden online ook meer gezien, gedeeld en geverifieerd dan strafbare feiten die lastiger te onderzoeken zijn, zoals genderspecifiek geweld. Dit kan ervoor zorgen dat er een nog groter verschil ontstaat tussen het krijgen van gerechtigheid voor bepaalde soorten misdaden – en dat de al vergeten misdrijven nog meer in de informatievloed verdwijnen. De locatie waarvandaan je je zoekopdracht uitvoert, en je zoekgeschiedenis, beïnvloeden bovendien het algoritme van een zoekmachine, waarschuwt Alexa Koenig, directrice van het Human Rights Center van de Universiteit van Californië, Berkeley, en deskundige op het gebied van het gebruik van digitaal bewijs voor recht en aansprakelijkheid. ‘Wat je bijvoorbeeld via Google voorgeschoteld krijgt, is de informatie die het algoritme als meest relevant voor jou als individu beschouwt.’

Koenig wijst ook op de menselijke invloeden in het zoekgedrag, zoals de confirmation bias. ‘Er is begrijpelijkerwijs veel sympathie voor Oekraïne. Toch zijn er ook berichten over Oekraïense gruweldaden tegen Russische soldaten. In hoeverre krijgen we een nauwkeurig en onbevooroordeeld beeld van wie wat doet jegens wie, als we als individuen zo graag Russische wandaden willen bewijzen?’ Volgens haar moet ook rekening worden gehouden met het verankeringseffect: bestaande informatie wordt als uitgangspunt gebruikt voor nieuwe oordelen en keuzes. ‘Dit kan je verblinden voor informatie die niet overeenkomt met het standpunt dat je al hebt.’ Desinformatie vertroebelt bovendien het open vizier van online onderzoekers. De geraffineerdste desinformatiecampagnes spelen in op maatschappelijke verdeeldheid en baseren zich op een kern van waarheid. Dat maakt waarheidsvinding een uitdaging. Ook de toename van vertekenende beelden en video’s zorgen ervoor dat het nog belangrijker is geworden om de herkomst van gebruikte openbare bronnen vast te stellen.

Omdat verificatie soms doet denken aan een spel, ligt gamificatie op de loer: abstractie van de inhoud

‘Ook onder openbrononderzoekers neemt het besef toe dat wat wij doen niet in een bubbel gebeurt. Het heeft implicaties in de echte wereld’, zegt open bron Thomas van Linge. ‘Als je gevoelige informatie weet te verifiëren, dan is dat niet alleen relevant voor de pers, maar ook bijvoorbeeld voor mensen van andere strijdende partijen. Ook zij kijken mee’, zegt hij.

Zulke ethische overwegingen zouden ook op individuele schaal moeten worden meegenomen, vindt Koenig. Na de bestorming van het Amerikaanse Capitool werden duizenden beelden online gedeeld, waar onderzoekers gretig gebruik van maakten voor verificatie en reconstructie. Zo werd ook de moord op Ashli Babbitt wijdverspreid op het internet. ‘Als kijker zie je een vrouw die wordt doodgeschoten vanuit vier verschillende invalshoeken. Vanuit het oogpunt van waardigheid zouden we dit moeten afkeuren, ongeacht wat je van haar vindt. Ze is nooit voor de rechter gebracht, haar familie rouwt nog. Ons perspectief en onze meningen over wie de good guy en wie de bad guy is, kunnen echt problematisch zijn. Wat voor de ene persoon transparantie is, is doxxen voor de ander.’

Van Linge opent een van zijn Telegram-chatgroepen, waar een beeld van Russische staatspropaganda uit de Oekraïense havenstad Marioepol voorbijkomt. Sinds de begindagen van de Russische invasie van Oekraïne is hij dieper het conflict ingedoken. ‘Zodra je meer achtergrondkennis hebt, heb je een beter inschattingsvermogen van waar het beeld vandaan komt’, zegt Van Linge, die ook politicologie en Conflict Resolution and Governance aan de Universiteit van Amsterdam heeft gestudeerd.

Een paar dingen vallen hem meteen op aan het stilstaande beeld op het gepauzeerde filmpje. ‘Een parkje met een plein, flatgebouwen op de achtergrond, lange fabriekspijpen. Waarschijnlijk een industriegebied. Zie je dat dit gebouw horizontaal staat? Deze is net wat hoger’, zegt Van Linge, terwijl hij naar de afbrokkelende flatgebouwen wijst. Behendig trekt hij met zijn cursor door Google Maps en legt beelden bij elkaar. De gevel, de kleuren, de formatie, de verdiepingen en de hoeveelheid ramen van het appartementenblok worden vergeleken. ‘Het is wat moeilijker, omdat het helemaal kapotgeschoten is.’ Terwijl het filmpje doorspeelt, zijn er tanks te zien die op appartementencomplexen vuren. Gebouwen exploderen, storten in en stoten rook uit. Openbrononderzoekers analyseren dag in dag uit zulke verwoestingen, vaak vol schrijnende of gewelddadige beelden.

Dyer en haar collega’s bij Amnesty International beschouwen de beelden als radioactief materiaal. ‘De toegankelijkheid van openbrononderzoek heeft veel innovatie mogelijk gemaakt, het moet dus niet volledig geprofessionaliseerd worden. Maar secundair trauma ligt wel op de loer, niet na het eerste beeld dat je ziet, maar cumulatieve en langdurige blootstelling kan na verloop van tijd tot stress of trauma leiden. De blootstelling aan zulke beelden zou je dus eigenlijk moeten beperken. Trauma is niet geïsoleerd, wat je ziet kruist je andere levenservaringen. Het is belangrijk dat we geen mensen verliezen in het vak omdat het hun te veel wordt. Voor mensen die het conflict hebben meegemaakt is het extra moeilijk om daar beelden van te zien. Als zij opbranden, verliezen we diversiteit en oorlogservaringen’, zegt Dyer.

De meeste mensen die actief zijn in het vakgebied zijn mannelijk, wit en hebben tijd om zich ermee bezig te houden, al dan niet professioneel. ‘Dit is geen dwarsdoorsnede van de maatschappij, daarom is het des te belangrijk dat we geen mensen verliezen’, vindt Dyer.

‘We proberen ons ervan bewust te zijn dat de video’s die we bekijken vaak de verschrikkelijkste momenten uit het leven van mensen vastleggen’, zegt Nadine Ajaka via een videoverbinding. Als uitvoerend producent van het Osint Visual Investigations Team van The Washington Post heeft Ajaka een verandering op de redactie gezien. ‘Toen het team net was opgezet, waren we zo enthousiast dat we 24/7 aan de slag wilden gaan. Na een paar maanden zag ik mensen langzaam maar zeker opbranden, de beelden die ze steeds opnieuw en opnieuw moesten bekijken hadden soms een traumatisch effect.’ Voor The Washington Post is het een leerweg geweest: wat voor impact heeft het zien van deze beelden op het team? ‘Online waarnemer kunnen zijn van een conflict is uniek en nieuw. Daar proberen wij nu rekening mee te houden, we werken in ploegendiensten en houden elkaar in de gaten’, zegt Ajaka.

Volgens Thomas van Linge moet het vak nog volwassener worden. ‘Sommige Osint’ers voelen nog niet echt dat hun werk ook implicaties kan hebben op de echte wereld. Dat komt gaandeweg binnen.’ Van Linge ziet het online beeldenonderzoek als een ‘puzzel’, Higgins beschrijft het gevoel van een ‘roes’ als hij iets op het spoor is en Van Laar gebruikt zelfs letterlijk een computerspel om te trainen. ‘Gamificatie kan problematisch zijn zodra wat je onderzoekt los komt te staan van de context’, zegt ook Dyer. ‘Als het gaat om het oplossen van een mysterie, kan dat riskeren wat er echt op het spel staat – mensenrechtenschendingen kunnen worden gebagatelliseerd.’

Inlichtingendiensten, mensenrechtenactivisten en journalisten zijn niet de enigen die de methode hebben omarmd. Ook advocaten denken steeds meer na over hoe digitaal bewijs meegenomen kan worden naar bijvoorbeeld de rechtbanken, zoals het Internationaal Strafhof. ‘Zelfs ervaren mensenrechtenonderzoekers die de analyses van openbrononderzoekers zagen waren diep onder de indruk – zo diep dat er onvoldoende kritische vragen werden gesteld’, zegt Koenig. ‘Hoe betrouwbaar en representatief is deze informatie eigenlijk? De lof is overal, maar de waarschuwende verhalen zijn niet overal.’

Samen met universitaire collega’s en het mensenrechtenbureau van de VN stelde Koenig een internationaal protocol samen, waarin richtlijnen en normen zijn vastgelegd voor het verzamelen van openbare digitale informatie, zoals sociale media. Met het protocol hoopt Koenig een basis te leggen om het werk nog sterker en transparanter te maken. ‘Omdat we de ontwikkelingen juist toejuichen stellen we alleen internationale minimumnormen op voor het uitvoeren van onlineonderzoek op een veilige en ethische manier.’ In april onderzocht Time hoe de Oekraïense overheid inspeelt op het gebruik van openbare bronnen om oorlogsmisdaden te onderzoeken en te archiveren. Daaruit bleek dat de meeste organisaties het Berkeley Protocol gebruiken om te voldoen aan de bewijsnormen van het Internationaal Strafhof.

Het zou niet de eerste keer zijn dat openbare bronnen een zaak op de agenda van het Internationaal Strafhof krijgen. In 2017 vaardigde het Internationaal Strafhof een baanbrekend arrestatiebevel uit tegen de Libische commandant Mahmoud Mustafa Busayf Al-Werfalli. Zeven executierondes in 2016 en 2017 rondom Benghazi werden gebaseerd op informatie en beeldmateriaal van sociale media. Al-Werfalli heeft de banken van het Internationaal Strafhof nooit bereikt. Op 24 maart 2021 is de Libische commandant, samen met zijn neef, doodgeschoten in zijn auto. In Benghazi.