Zombies op doorreis

Bret Easton Ellis, The Informers. Alfred A. Knopf, 222 blz., f33,55
VORIGE WEEK gaf de Canadese schrijver Douglas Coupland in een interview met dit weekblad blijk van een diepe belangstelling voor de ziel. In zijn boek Leven na God vraagt hij zich af wat de mens in deze moderne tijden nog menselijk maakt en uit hij zijn verlangen naar warmte en zingeving. Bret Easton Ellis, die net als Coupland schrijft over de jaren-negentigcultuur van twintigers en dertigers, laat het omgekeerde zien. De personages in zijn nieuwe boek The Informers ontberen bezieling. Het is alsof Ellis ons toont hoe kil en koud de wereld is, en Coupland wijst welke kant we op zouden moeten.

Bret Easton Ellis’ debuutroman deed in 1985 veel stof opwaaien. In een uitgebeende, ijzige stijl werden in Less than Zero zielloze, rijke twintigers aan de westkust van de Verenigde Staten beschreven. Jongeren herkenden de illusieloosheid en existentiele verveling van de personages en veel ouderen vroegen zich hoofdschuddend af waar het toch heen moest met de jeugd van tegenwoordig. Met zijn derde roman, American Psycho, voerde Ellis zijn cultuurkritiek tot in het extreme door en slaagde erin een boek te schrijven dat critici deed walgen en actiegroepen wakker maakte. De hysterie waarmee American Psycho werd verworpen kwam voor een deel voort uit onbegrip voor de manier waarop Ellis eindeloos en gruwelijk geweld - dat zich ofwel in werkelijkheid maar waarschijnlijker in de fantasie van hoofdpersoon Patrick Bateman afspeelt - een plaats gaf in zijn roman. Door de overspannen, moraliserende reacties heeft American Psycho nooit de erkenning gekregen die het verdient. Het is een van de beste en belangrijkste boeken van de laatste, pakweg dertig jaar.
IN ZIJN NIEUWSTE boek The Informers gaat Ellis terug naar Less than Zero. De tijd: opnieuw de vroege jaren tachtig. De plaats: opnieuw het rijke LA en Hollywood, de sprookjesfabriek waar oppervlakkigheid en uiterlijke schijn te gelde worden gemaakt. Het verhaal gaat dat The Informers zou bestaan uit ‘snijresten’ van dat eerste boek. Ik weet niet of dat waar is.
De verhalen in The Informers lijken zich soms af te spelen op een andere planeet, een geheime wereld waarin je toch van alles herkent. Duizenden blonde, blauwogige surfers met perfecte lichamen op straat, of in hun nieuwe Porsches op weg naar het strand (allemaal stoned) en mooie oude vrouwen in een Rolls Royce op Rodeo Drive… Het is een omgeving die tegelijkertijd wel en niet de onze is, een sprookjeswereld, maar net zo goed een direct herkenbaar decor waartegen desintegrerende jonge en neo-jonge mensen zonder moreel besef hun leven leiden.
Alle dertien verhalen staan op zichzelf, maar worden onderling verbonden doordat dezelfde personages telkens opnieuw opduiken. Dertien verhalen, dertien stemmen, dertien informanten uit het typische Ellis-rijk van illusieloze Amerikanen. Geen enkel verhaal heeft een sterk plot of een verrassende ontknoping; ze doen aan als een op het oog willekeurige uitsnede uit een willekeurig leven op een willekeurig moment. Een wereld vol verveling en monotonie moet niet worden beschreven in spannende verhalen. Een van de informers meldt in een brief uit Los Angeles dat ze vindt dat mensen 'minder menselijk worden en meer en meer dierlijk. Ze lijken minder te denken en minder te voelen, zodat iedereen op een vrij primitief niveau leeft.’
In het motto dat aan het boek voorafgaat, van John Fante, ligt een man op bed met een briefje in zijn hand: hij moet of nu de huur betalen of vertrekken. Een belangrijk probleem, dat direct zijn aandacht vraagt: 'I solved it by turning out the lights and going to bed.’
Op die manier handelen ook de personages in The Informers. Nooit wordt er een beslissende handeling verricht. Ieders gedrag is er in eerste instantie op gericht alles te ontlopen wat van ingrijpende invloed zou kunnen zijn op zijn of haar leven. Niemand wil dat er iets verandert, iedereen legt zich neer bij het leven zoals het is. Het gevoel dat- het-nou-eenmaal-zo-is druipt van de pagina’s af, alsof de lezer door dezelfde librium- en valiummist kijkt als die waarin de personages het leven tegemoettreden. Er wordt van alles gebruikt, van marihuana tot heroine, maar onbetwist bovenaan staan de tranquillizers, die een aangename desinteresse en afstandelijkheid veroorzaken.
INFORMERS ZIJN mensen die anderen ergens van op de hoogte stellen, mensen die informatie geven en verder niet. Ze zijn neutraal en berichten slechts. Elke informant in dit boek is een individu, maar tegelijkertijd een nobody. Iedereen had net zo goed een ander kunnen zijn. Er wordt ook regelmatig gescheiden. In 'Water from the Sun’ praten een vrouw en een man over het leven dat ze samen hadden, maar dat nu voorbij is omdat hij met een ander gaat:
'It’s surprising to see you like this,’ I manage to say.
'Why?’ William asks from across the room.
'Because you’ve never felt anything for anybody.’
'That isn’t true,’ he says. 'What about you?’
'You were never there. You were never there.’ I stop. 'You were never… alive.’
'I was… alive,’ he says feebly. 'Alive?’
'No, you weren’t,’ I say. 'You know what I mean.’
'What was I, then?’ he asks.
'You were just’ - I pause, look out over the expanse of white carpet into a massive white kitchen, white chairs on a gleaming tiled floor - 'not dead.’
De mensen leven niet echt, ze zijn hoogstens niet-dood. Alle (ik-)vertellers zijn voortdurend onderweg naar een volgende plaats, waar ze ook weer niet thuishoren, waar ze ook weer niet moeten zijn. Ze kennen geen vaste punten in hun bestaan; het zijn stuk voor stuk on- doden, zombies op doorreis. En wij lezers, wij reizen met ze mee. Of we het leuk vinden of niet.
In 'In the Islands’ gaat een vader met zijn zoon een paar dagen naar Hawaii. De goede bedoelingen van de vader, die het verwaterde contact met zijn jongen weer enigszins wil herstellen, stranden in onbegrip. Twee mensen die niets gemeen hebben beginnen steeds weer een gesprek, dat echter nooit een gesprek wordt.
'The Fifth Wheel’ doet pijn. Twee oude kennissen - zwaar verslaafd en compleet geflipt - komen op bezoek bij de verteller en kidnappen een jongetje om een schuld te kunnen betalen. Na het kind op gruwelijke wijze te hebben vermoord vat het trio het plan op om naar Las Vegas te vluchten. Geen van de personages toont enig gevoel bij wat er gebeurt. Ze hadden net zo goed iets anders kunnen doen.
'On the Beach’ beschrijft hoe een meisje dat aan een terminale ziekte lijdt op het strand haar dood afwacht. 'Dan moet je je voorstellen dat een blinde droomt’, zegt ze als iemand vraagt hoe het met haar is. Het ongemak van de verteller in haar gezelschap is pijnlijk krachtig beschreven. 'Ik weet wat het woord dood betekent’, zegt hij tegen zichzelf, als om het verdriet te bezweren. De dood van het meisje brengt hij terug tot een woord, een kaal woord. Omdat het gevoel dat hoort bij 'dood’ hem verwart.
ELLIS’ STIJL is als vanouds kaal, precies en intens. Elk verhaal is een scherpgeslepen pijl die doel treft. De schrijnende onmacht en eenzaamheid van de vader en de zoon in 'In the Islands’ zijn bijna fysiek voelbaar. Ellis is op zijn best als hij zijn personages lijkt te betrappen, op hun meest naakte en kwetsbare momenten. En in dit boek is hij vaak op zijn best.
The Informers geeft geen moreel oordeel over de soms abjecte daden van de personages. Het informeert de lezer slechts over een wereld die hem afschuw inboezemt, fascineert of doet walgen, maar die nou eenmaal bestaat. Op een absoluut overtuigende manier grijpt Ellis zijn lezers bij de strot, om ze niet meer los te laten.
Je kan dit een 'kil’ boek vinden, of beweren dat al die mensen 'geen gevoel’ (meer) hebben, dat hun wereld 'leeg’ en 'waarden-loos’ is. Dat is echter niet zozeer iets dat je het boek moet kwalijk nemen, maar vooral de wereld zelf.