Zomernachten

In onze straat, in onze buurt groeten wij niet of met een knikje. Welopgevoed zijn wij en erg op onze privacy. We willen last hebben noch veroorzaken en dat we dus ook geen lust aan elkaar beleven deert ons niet - die zoeken we kennelijk elders. Onze voordeuren zijn gesloten en ‘achterom’ bestaat niet in de grote stad. Onze straat is bijna altijd leeg - althans, de stoep, want auto’s volop - en loopt iemand er doorheen dan kun je die lang horen komen en gaan, langer nog in geval van leren zolen en heel erg lang bij hoge hakken. Dat laatste heeft wel wat, vind ik, al weet ik niet precies wat.

Zelfs bij de grootste hitte zitten wij niet op ons stoepje met een kan limonade (wat mensen vroeger dronken bij gebrek aan Cola) of een kratje bier. En klaverjassen, ho maar. Maar toch… als het heet wordt gaan ramen en balkondeuren aan de achterkant open; dan zitten mensen op die balkons en in tuinen en dan hoor je naast de algemene geluiden van de stad de auto’s, de tram, de kerkklok) de bijzondere, de geluiden die min of meer privé zijn. Telefoons gaan, de televisie staat aan, iemand timmert, de trompettist oefent, ijsblokjes tegen glas. Intiemer nog de stemmen. De baby huilt, de vader sust, de moeder voedt haar kleuter op en heeft daarbij blijkens intonatie en woordkeus zo weinig geduld dat je hoopt dat het door hoofdpijn komt; een andere vrouw is gelukkig, ze neuriet; er wordt gepraat, onverstaanbaar, flardverstaanbaar, maar al te verstaanbaar. Iemand telefoneert en doet of ze de ander over grote afstand moet beschreeuwen. Vriendinnen lachen, er wordt gejuicht om een doelpunt. De avond valt maar het is te warm om te sluiten of te gaan slapen en heel lang gaan de geluiden door.
We zijn welopgevoed, ik zei het al. Gelukkig. Want dat betekent dat muziek maar zelden klinkt en dat ze, als ze klinkt, zacht is. Logisch is dat niet: zelf zou ik soms keihard Pergolesi’s Stabat Mater willen draaien of Monteverdi’s Vespers voor de Heilige Maagd, want wat is heerlijker dan goddelijke klanken door avondlijke zomertuinen vol wijnkoelers?
Maar als we dat nou allemaal gingen doen, meneertje? Juist. En daarom ziet ieder af van eigen bevrediging met het oog op de ander. Zoiets heet beschaving, maakt het leven dragelijk en doet een beetje pijn. Nou ja, een heel klein beetje.
Maar hoe beschaafd ook, en hoe netjes gekleed aan de voorkant van onze huizen, aan de achterkant geven we ons min of meer bloot en waaien onze zomerjurkjes een beetje op. We horen intimiteiten (prettige als het geneurie, onaangename als de kortaangebonden moeder) die niet voor ons zijn bedoeld. En we laten ze onbedoeld horen. De meeste daarvan hebben een tamelijk neutraal karakter. Sommige niet.
Jarenlang was er in zomernachten de mannenstem, diep, geheimzinnig, die doordringend ‘mangiare, mangiare’ fluisterriep. Ik weet niet wat het betekent 'eten’ - verstond ik het goed?) maar het was niet tot iemand gericht, het leek toverspreuk, bezwering. Soms is er ruzie, altijd pijnlijk; en verdrietig is een vrouw die huilt in de nacht.
Adembenemend op een andere manier, en maar één keer gehoord, een stel dat de liefde bedreef. 'Gewoon’, wie weet, maar in de stille nacht werkend als natuurgeweld, angstaanjagend, groots, opwindend.
Wie weet heb ik ze de volgende dag met een knikje gegroet.