Popmuziek: Freddie Gibbs & Madlib

Zomerse banjo

Freddie Gibbs (l) en Madlib © Nick Walker

Toen hiphopproducer Dr. Dre (1965) – inmiddels een wereldberoemde miljardair – begin jaren negentig nogal zoekend en in eigen beheer zijn debuutalbum uitbracht, verwachtte men een grimmig staaltje gangsterrap. Dat werd het ook, maar tegelijk klonk de muziek zeldzaam verfrissend en bijna monter. Tot ieders verbazing gebruikte Dre in zijn beats allerlei oude funksamples, flarden van George Clinton en andere artiesten die op het eerste gehoor niets met hiphop te maken hadden. Hoe kwam hij dáár bij terecht? Heel simpel: dit waren de platen die zijn ouders in de kast hadden staan. Dre kende ze door en door, en dat verklaarde de speelse vertrouwdheid die op het hele album klonk. Hier werd zeer vanzelfsprekend aangetoond hoezeer zowel een nieuwe als oude kunstvorm kunnen opleven als je ze doordacht samenbrengt.

Dr. Dre is inmiddels min of meer met pensioen, maar er is al jaren een andere hiphopproducer bezig die op een verwante manier verrast en overtuigt. Hoe verschillend hun stijlen ook zijn, Madlib (1973) is iemand die in zijn muziek hetzelfde doet als Dre: heel naturel voegt hij verschillende stijlen bij elkaar en maakt zo iets volstrekt eigens. Je voelt op dit nieuwe werk hoe hij grasduinend door zijn vinylcollectie dingen opmerkte die een gewone luisteraar zouden ontgaan. Hoe hij de kleinste, onopvallendste fragmentjes tot ‘sample’ doopte, waarna hij ze oppoetste en vervlocht op dit vloeiende, aldoor bewegende Bandana.

Het album begint al met een bedwelmend warme blazerssample, het soort dat je nooit hoort binnen hedendaagse hiphop. Vervolgens gaat Madlib via een hard, meer dreunend intermezzo door met een bijna zomers banjo-loopje, daarna springt de muziek naar een klassieke soulsample die de vroege Kanye West in herinnering roept, en op die manier stuitert Madlibs plaat 45 minuten door, met voortdurende register- en toonwisselingen die nergens krampachtig aanvoelen.

Op een dergelijke manier heeft Madlib eerder albums gevuld, veelal instrumentaal, al lijkt zijn kompas nu nog iets fijnzinniger afgesteld dan voorheen. En, nog een cruciaal verschil: dit hele album wordt volgerapt door Freddie Gibbs, met wie hij vijf jaar eerder ook al een geslaagde plaat uitbracht. Gibbs is een typische vocale branieschopper, een onverbeterlijke straatjongen die zichzelf duidelijk graag hoort. En juist zijn voelbare tevredenheid – bijvoorbeeld wanneer hij verhaalt over zijn twee telefoons (eentje uitsluitend voor zaken), of over het feit dat misdaad zo goed betaalt – sluit mooi aan bij de geraffineerde klanken. Hoe vaak horen we nou iemand over zulke doordachte, warmbloedige muziek zo soepeltjes over het straatleven braggen?

Al met al lijkt het maken van Bandana de twee artiesten amper moeite te hebben gekost, alsof ze dit op een paar zomeravonden klakkeloos in elkaar hebben gezet. Voor Freddie Gibbs lijkt rappen een tweede natuur, zo makkelijk klinkt hij. Madlib fungeert tot het eind als intimiderende regisseur van het geheel. Op Twitter onthulde de producer overigens dat hij dit hele album heeft gemaakt op zijn iPad. Bandana wekt de indruk: zelfs met een oude Nokia zou hij nog een hoogstaand hiphopalbum kunnen maken.


FreddieGibbs & Madlib – Bandana