Zompig polderlandschap

Ooit konden uitgeverijen gerust allerlei vernieuwende boeken uitbrengen: er werden altijd wel genoeg exemplaren verkocht na de gewaagde sprong in het diepe. Maar tegenwoordig gelden andere regels. Of boeken verkopen wél, of boeken verkopen niet. Zoals dichtbundels voor kinderen. Die zijn helaas bijna onverkoopbaar geworden. Zeker wanneer een onbekende naam op de cover prijkt. En dus wagen steeds minder auteurs zich aan de (kinder)dichtkunst. Om het tij te keren brengt Querido sinds twee jaar een poëziejaarboek uit, om nieuw talent een podium te bieden. Een van die jonge beloftes die dat podium succesvol hebben beklommen is Simon van der Geest (1978). Na zijn bijdrage aan Querido’s eerste poëziespektakel volgde vorig jaar Geel gras, een sprankelend, spraakmakend verhaal waarmee hij in een keer bewees een welluidende, oorspronkelijke stem in de Nederlandse kinderliteratuur te zijn. Hoewel op de geloofwaardigheid van de plot (ouders vergeten dochterlief op Franse camping) wel wat viel af te dingen, toonde hij overtuigend waar zijn kracht ligt: in beelden die spreken, in sterke korte zinnen, in geestige dialogen en in afwisselend humorvolle en ontroerende scènes. Dat hem dat meer een dichter dan een prozaschrijver maakt, heeft Van der Geest zich goed gerealiseerd. Voor Dissus, de opvolger van Geel gras, ging hij dan ook niet op zoek naar een nieuwe plot, maar werkte hij de verhaallijn van Homerus’ Odyssee om tot een eigentijds Hollands heldendicht dat zijn weerga niet kent.
Dat geldt minder voor Van der Geests protagonist Dissus, in wiens naam onmiskenbaar een echo klinkt van zijn verre oud-Griekse voorvader. Deze Dissus, die, zoals vele onzekere twaalf- en dertienjarigen op zoek is naar wie hij is en waar hij in het leven staat, is juist herkenbaar menselijk. Wie kan zich niet verplaatsen in de spetterende scène uit de proloog, waarin Dissus en zijn negen vrienden in een zomers zwembad worden opgewacht door ‘de Grote Jongens’, die met hun 'kettinkjes’ en 'okselhaar’ als het ware (letterlijk) mythische proporties hebben aangenomen en er niet voor terugdeinzen de jongens de oorlog te verklaren, waarna een klassiek watergevecht volgt: 'Tekkelen, glijen, bommetjes vlakbij en randje douwen,/ onderhouwen, proesten, schoppen, blauwe plekken,/ schuilen bij het bubbelbad, onze gele mat gejat/ (…)/ We spraken af bij elkaar te blijven/ en altijd iemand op de uitkijk/ ik knikte ja/ maar even later/ zat ik toch op de wc/ deur dicht.’
Daar, met zijn 'plakzwembroek’ op zijn enkels, stelt Dissus zich voor hoe anders zijn leven zou verlopen als hij de held van het verhaal zou zijn. Daar dagdroomt hij zijn eigen Odyssee, bijgestaan door Jan Jutte die met zijn dynamische illustraties een fantastische en eigenzinnige ode brengt aan de karakteristieke zwart-en-rood-figurige stijl van het Griekse aardewerk uit de zesde en vijfde eeuw voor Christus en het polderepos niet alleen prettig licht van toon maakt, maar ook voortdurend suggestief verbindt met Homerus’ origineel.
Zo prikkelen Jutte’s muurschilderingen in het zwembadtoilet Dissus’ fantasie en die van de lezer zodanig dat de werkelijkheid vervaagt en je moeiteloos mee op droomreis gaat. Terwijl Dissus op de wc-pot zit danst Ithaka in losse letters voor zijn ogen, dobbert Odysseus’ boot op de toiletmuur heen en weer en zweeft Athene boven zijn hoofd, Dissus’ beschermengel en muze tegelijkertijd. Voordat je het weet ben je met Dissus en zijn makkers - nadat ze tijdens de rit van het zwembad naar huis door noodweer zijn getroffen en uit de bus geslingerd - 'zwaar verdwaald’, waarna ze aan een lange reeks avontuurlijke omzwervingen door een zompig polderlandschap beginnen.
Van der Geest komt met vernuftige en humorvolle vondsten en volgt de verhaallijn van de Odyssee nauwgezet. Het zwembad symboliseert het slagveld in Troje. De bus is de Griekse vloot. Dissus en zijn vrienden zijn vanzelfsprekend Odysseus en zijn mannen. En de eindeloze blauwe zee is vervangen door een even eindeloze groene weilandleegte van 'kilo, kilometers gras’. Dissus’ lotgevallen verwijzen duidelijk naar die van zijn geestelijke voorvader. In plaats van de cycloop is er een boze eenogige boer die de jongens in een schuur opsluit, omdat ze ongevraagd zijn weiland doorkruisen. Het zeskoppige zeemonster Scylla is verworden tot 'de Skylla 2000’, een monsterlijk gevaarlijke kraanmachine. Windbewaarder Aeolus is vermomd als molenaar 'Windman’. En om het Sirenen-gezang niet te horen stoppen de jongens - behalve de op een fiets vastgebonden Dissus - in plaats van was kauwgom in hun oren.
Het natuurlijke terloopse taalgebruik, met veel knap binnenrijm, halfrijm en alliteratie en de onnadrukkelijke humor geven Dissus de uitstraling van een rapachtig eigentijds avonturenverhaal over een groep heldhaftige schooiertjes met een klein hartje, waardoor het boek ook voor niet-Odyssee-kenners genietbaar is.
Vooral deel twee, waarin Dissus zijn plekje thuis - bij zijn ouders en zusje - dapper terugverovert, ontroert en zal tot de verbeelding spreken. Dan blijkt hoe hij na het zwembadavontuur zijn eerste stappen naar volwassenheid heeft gezet. Hij is wijzer en een ervaring rijker - 'je ziet het niet aan mij/ maar ik heb altijd/ een zee op zak’ - maar is daarbij wel zijn kinderlijke onschuld verloren. Sinds hij thuis is voelt het alsof 'de lucht een stukje leger is’: niet langer zal hij met zijn vader flessen in de glasbak gooien. Niet langer wil hij een nachtzoen.
Dissus is onvergetelijk, maar de ware held van dit opmerkelijke epos is natuurlijk Van der Geest. Want het schrijven van een boek als Dissus is in deze tijden waarin er nauwelijks nog auteurs zijn die zich ook dichter durven noemen ontegenzeglijk 'een gewaagde sprong in het diepe’. Nu maar hopen dat hij blijvend boven komt drijven.

SIMON VAN DER GEEST
DISSUS
Met tekeningen van Jan Jutte,
Querido, 119 blz., € 13,95 (12+)