Ger Groot

Zon

Lezen en schrijven verdragen zich slecht met zonneschijn. Op het strand worden boeken – vol goede moed meegenomen in de picknickmand – zelden anders gebruikt dan als een extra zonnebril. Opengeslagen over de neus beschermen ze de ogen tegen het licht, dat van zijn kant ook de schrijver belemmert. Verblindend kaatst het terug van het papier en maakt omgekeerd het computerscherm onleesbaar duister.

Terwijl het merendeel van de mensheid om genotswille liefst zuidwaarts trekt, ligt de toekomst van schrijvers dus bij nacht en nevel. Maar ook zij zoeken liever zon en warmte, zolang hun uitgever de noordelijker regionen maar bestrijkt. Een zaak van principe wordt het zelden.

Dat werd het ruim een eeuw geleden wél voor Nietzsche, die nu eenmaal alles tot filosofisch strijdpunt maakte. Toegegeven, ook zijn lichamelijke toestand had daar veel mee van doen. Maar zoals Nietzsche zijn eigen persoon tot inzet van zijn filosofie maakte, zo gold dat ook voor zijn gezondheid, die model moest staan voor de Grote Gezondheid van de mensheid als geheel.

De belofte van warme, droge lucht lokte Nietzsche naar de Middellandse Zee, waarmee hij tijdens een Italiaanse vakantie kennis had gemaakt. Hij zou er steeds weer naar terugkeren en dromen van almaar exotischer oorden. Spanje, waarvoor hij dankzij Bizets Carmen een bevlieging had gekregen, werd een tijdlang het gedroomde toevluchtsoord voor zijn aanvallen van benauwdheid en migraine. Barcelonna (zoals hij schrijft), Valencia en zelfs Murcia schitterden achter de horizon. Maar uiteindelijk kwam hij niet verder dan Italië en het dan nog maar net Frans geworden Nice.

Het bleef niet bij reizen. De hele filosofie moest anders: lichter, luchtiger en vooral vrolijker dan het tobbende schemerdenken waarin zij zo uitstaanbaar «Duits» geworden was. Il faut méditerraniser la musique, zo schreef hij tégen Wagner en ter verdediging van Bizet. Hetzelfde gold voor het denken, dat om te beginnen zelf muzikaler worden moest. Hij gaf er in zijn eigen stijl het voorbeeld aan. Liederen naar Napolitaans en Venetiaans model gaan zijn beschouwingen omsluiten, voor het eerst in het boek dat zijn mooiste zal blijven en de veelzeggende titel De vrolijke wetenschap meekrijgt.

Nietzsches bekering tot het zuiden wordt door Martine Prange mooi beschreven in haar zojuist verschenen boek Lof der Méditerranée (uitg. Klement), even licht als helder en dankzij de titel met een onwillekeurige herinnering aan Toon Hermans. Zou diens gestalte, voor generaties Nederlanders de belichaming van de zuidelijkheid, Nietzsche hebben gestoord? Humor had hij zeker, maar daarvoor misschien net niet genoeg. Het leven moest licht en vrolijk zijn, maar dat met een heroïek waarbij geen ballonnetjes pasten.

Nietzsches Méditerranée was die van Byrons Childe Harold en zijn Übermensch had evenzeer de trekken van die Mediterraans geworden dichter als van zijn daar geboortige held Napoleon. Aan frivoliteit wist Nietzsche, ondanks zichzelf, even weinig toe te geven als aan de Freikörperkultur van wat Hermans voor de gelegenheid tot Méditerranue omdoopte. Had hij die laatste gekend, dan was hij er te preuts voor geweest. Ondanks alles was ook hij, zoals hij zelf moest toegeven, «irgendwo sehr Deutsch» gebleven.

Maar de noordelijke zonaanbidding is dat niet minder. Ze bekeert zich tot wat in het zuiden altijd is geschuwd, omdat het de huid even snel verbrandt als koestert en het verstand gemakkelijk verbijstert. Met die duivel van de middag koketteerde Nietzsche in zijn poging aan de dictatuur van de rede te ontkomen. Zijn Übermensch was geen tobber, maar ook geen filosoof en zelfs geen schrijver meer. Hij schitterde in een zon die het lichaam leek te doen stralen van gezondheid – en de geest verblindde.

Ook dat laatste behoorde tot Nietzsches ziektegeschiedenis. Maar de metafoor ervan weerspiegelt het risico van zijn verlangen naar lichte, verdampende gedachten. Zo werd zijn laatste bestemming toch weer het noorden. In Duitsland zat hij, toepasselijk, elf jaar lang zwijgend zijn Umnachtung uit.