Essay annex vakantiealbum

Zondag in Nederland

«What suffocating intimacies, what dangerous, insane obscene relationships between the members of a family group.»

Aldous Huxley, Brave New World

1.

  1. Naturalis, in een te ver verleden vast gewoon een heerlijk saai museum voor natuurhistorie in het Leidse, houdt een Dinoweekend met vertier voor aanstaande geleerden in de Pokémonleeftijd. Een paradijs voor vorsers in de dop die in een later leven, zoals de schrijver Hermans het eens zei, liever de botaniseertrommel grijpen dan de hoer uithangen in het Vondelpark. De grap: zulke kinderen bestaan niet meer, behalve in de fantasie van de museumdirecteur en de politicus. Maar kijk nu toch eens wat in Leiden uitgerekend voor dit uitgestorven genre aan geweldigs is verzonnen! Fossielen schoonmaken, Dino eieren opzetten en Dino detective. Plot: «Er is een kostbare dinobot gestolen! Help de politie om het bot terug te vinden! Ga zelf op onderzoek uit! Leer onderweg van alles over dino’s.»

Spannend hoor! Zulke onzin wordt verzonnen door museumlui die vast nog wel eens in de prijzen vallen voor hun educatiegave. Want ook museumschatten moeten van de tijdgeest in de uitverkoop als leuk en leerzaam. Iets zomaar mooi vinden, en zomaar stil en niet-begrijpend diep onder de indruk zijn van zoveel kolossale ouderdom als dinobotten of de Mona Lisa, dat is uit. Net als kunst is de natuur er om geduid te worden en begrepen. Wat de krant ook schrijft over ontlezing of de toenemende domheid van ons nageslacht, leren is weer in de mode.

Wegens groot succes is onze Dino-expo zo verlengd dat hij tot overmaat van ramp de zondag haalt die we vanwege uitputting graag roostervrij hadden gehouden. Maar onze kleine jongen kan goed lezen en de media, die zijn er vol van. Om half elf, het zondagochtendzuur staat ons als stijfsel in de magen, komen we in Leiden aan. Het is al aardig druk maar dit is Nederland, dus dat komt dik in orde. Bordjes wijzen naar parkeerterreinen. Van de parkeerplaats wijzen bordjes Naturalis na. En onderweg treffen we op rolschaatsen in gele overalls de angstig behulpzame promowerkstudenten die voor de Avro snoepjes uitdelen en ons proberen ergens op te abonneren met verdacht veel korting.

Wat een heerlijke plek, Naturalis. De architect, er zijn zo van die zekerheden, heeft de ambtenaren op het ministerie van Cultuur verpletterd met zijn toverwoorden transparantie, openheid en synergie. Alle liften zijn doorzichtig en geen drempel houdt de opmars van de jonge kennisjager tegen. Zelfs met een rolstoel ben je hier gedoemd om alles mee te moeten maken!

De luchtbrug tussen oud- en nieuwbouw spuugt ons uit in een nieuwbakken expohal met opgezette dieren en vitrines die me meer doen denken aan de uitstalwoede van een platte juwelier dan aan natuurlijke historie. Je hebt de vogels en de vissen en de zoogdieren in alle maten. Kijk, de kleine ijsbeer, zegt een mensenjong. De kleine ijsbeer is behalve beer ook film en een die alle kinderen hebben gezien, dat spreekt natuurlijk aan.

Daar is het onvermijdelijke Spielbergdinosaurussenskelet waar onze jongen, zeven en een hoofd vol dodelijke monsters en hun grof geweld, op heeft gewacht.

Ik pers met heldenmoed de laatste moedeloze opvoedkunde uit mijn tenen. Kijk, zo groot zijn ze nou, zeg ik.

Is dit een echt skelet? vraagt hij. Dat zouden kinderen in mijn tijd nooit hebben gevraagd. Alles was domweg echt, toen ik nog klein was. Van plastic zag je toen nog dat het plastic was en echt was verder alles waar je onweersproken in geloven kon.

Helemaal echt, zeg ik nostalgisch.

Niet waar, zegt naast ons een verwende onderknuppel van een jaar of tien met zijn veel te liberale vader, die zich met V-hals en suède vrijetijdsschoenen kenbaar maakt als iemand die het beste met zijn schapen voorheeft. Zijn jongen noemt de opgezette monsters feilloos bij de naam. Ons eigen wonderkind verzint maar wat. Zegt zeearend waar op de bordjes vis in plaats van zee staat.

Dit skelet, zeg ik tegen het echte wonderkind, is drie miljard jaar oud.

Dat kan niet, zegt het echte wonderkind. Maar voor het zeggen kan waarom niet heb ik al zo dodelijk gekeken dat het opgeeft.

Mijn eigen jongen spreekt zijn kindertaal met de geleende stem die van een televisieserie komt of van een jongen uit zijn klas die populairder is dan hij. Zijn Disneysound vervreemdt ons deerlijk van elkaar maar spreken is geen misdaad, ingrijpen een zonde die zijn kinderziel tot trauma’s drijft.

Ooeeeee, die steen is vét groot, balkt mijn zoon. Zijn sopraantje slaat hysterisch over. Te veel prikkels. Educatie.

Zwavelkristal, gilt het kind. Kijk, zwavelkristal. Mijn handen jeuken.

Dat kan ontploffen, zeg ik, als je er te lang naar kijkt. Dat dreigement helpt ons wel drie vitrines verder. Eindelijk beweging.

Waar zijn de leuke leerzame computers in dit pest museum, dat op zijn VanderPloegs zo weerzinwekkend kansrijk een afschuwelijk breed publiek trekt in het Dino weekend?

Daar is de eerste, in een leerzaam hoekje. De computer heet Linnaeus Machine. Je mag je leermomenten scrollen met een bolletje, een scroller. En met de scroller maak je als leergierig kind meer keuzevragen. Wie komt waar in het rijk der levende wezens? vraagt Lin naeus zijn publiek in die grotesk mislukte doodgewonemensentaal van doorgeleerde pedagogen. Hoog opgeleide ouders, de mannen al in ribbroek en de vrouwen hopeloos te oud in een te jong groenlinksdécolleté, doen of ze precies begrijpen wat Linnaeus wil. Het lijkt ook best eenvoudig soms. Waar hoort de mens het meest bij? Bij de apen.

Het computerneefje van Lin naeus, één verdieping en tien leermomenten verder, wil met ons mee op reis naar het geheime leven van het lieveheersbeest. Het neefje is misschien nog wel wanhopiger dan oom Linnaeus. Zijn schermpje smeekt om aandacht met een introductietekst die de tragiek van zijn bedenker aardig samenvat. «Ben jij ook minder lief dan je eruit ziet? Dan past het lieveheersbeestje mooi bij je! Succes met je onderzoek van dit verraderlijke knuffel kevertje!» En dan maar scrollen tot men rood met zwarte stippels ziet van al die waardevolle kennis!

En daar is nog een scroller met een scherm voor het milieu. De thema’s? Het broeikaseffect! Energiebronnen! Radioactiviteit. On screen de plaatjes van afschuwelijk rechtse raffinaderijen in een wolk van rook, fabrieken vol gemene mannen die onze mooie gele bloemenwereld naar de knoppen willen helpen!

Toen ik zelf klein was las ik Jan Terlouw en Thea Beckman, An Rutgers van der Loeff. Daar las je over luchtvervuiling en corruptie van de grote mensen en dat blind zijn helemaal niet erg was als je als kind maar flink met beide benen op de grond bleef staan. Die met moeite afgestoten pedagogenwereld is gebleven wat hij was. Wat erg is, dat moet leuk gemaakt. Alleen de middelen zijn anders. Er is geen mooi verhaal meer bij. Je krijgt de naakte feiten en hun logica. Onder een glasplaat zien we een speelgoedhuisje staan dat je met een drukknop mag verwoesten. Boven het glas staat een bord met het woord aardbeving erop. Laat je de knop los, dan herstelt het huisje zich bij toverslag. Dit is de wereld van het kind, dus eind goed al goed mag nog net. De man of vrouw die dit bedacht, heeft vast gezegd dat onze jeugd de wereld zo beleeft, hapsnap. Ik geloof er geen barst van. Ik geloof in rust en concentratie en in vrede.

In een stille educatievrije hoek van het museum zien we twee jongetjes staan loeren naar zo’n hippe blauw verlichte gsm. Wat begrijpen we dat goed. Oneindig groter wonder dan een dinoruggengraat van vijftien meter. Mirakel, en toch bruikbaar.

2.

Bos is in Nederland overal hetzelfde. Eerst betalen, dan genieten. Bij de ingang van het bos naast het parkeer terrein vol MPV’s en Astra’s staat een betaalautomaat, precies zoals je in parkeergarages ziet. Het bos kost ons 2,30 met z’n vieren. Dat is voor bijna niets en Kleintje is zelfs gratis. Vergeet niet dat het voor het goede doel is. Het bos wordt er alleen maar beter van.

Na inworp van het geld komt uit dat apparaat een kaartje printgerateld met het opschrift Dagkaart. De belangrijkste toegangsvoorwaarden staan erbij, ook in het Duits. «Anweisungen von unseren Aufsichtsführenden müssen befolgt werden.» De Aufsichtsführenden — wat zal in ambtenarenkringen posttraumatisch veel vergaderd zijn over de uitgang van dat führen — zijn NSB-mannen op brommers in een uniform, die straks echt waar ons kaartje zullen controleren en ons voor onze braafheid op de schouders zullen slaan met de verschrikkelijke woorden pico bello. Een vertrouwd gevoel, dit ferm oppassende. Goed dat de wet ook hier geldt en dat op naleving wordt toegezien door wettig volk.

Bij het betalen worden we in de richting van het bos gepasseerd door een klassiek kortharig punkjongerenstel met rugzakken en een middelbaar ANWB-echtpaar met twee identieke nieuwe fietsen. Ik weet niet wat ik erger vind, die snottebellensubcultuur of die gedegen burgerij. Alles wat zich zo symbolisch zichtbaar maakt is weerzinwekkend. De hoogste burgerplicht: onzichtbaar zijn. Dat noemen we beschaving. Die is in Holland ver voorbij de horizon van velen. Heel Holland rijdt op identieke nieuwe fietsen, onbeschoft welvarend. Betalen trouwens niks, onze voorbijgangers. Zeker een bosabonnement. Of vrienden met de kaartknip-NSB.

Tien meter verderop staan bordjes, links- en rechtsaf. We kunnen kiezen tussen route 11 en route 12. Dat wordt dus 12. Route 12, zes kilometer, begint als tegelpad en Kleintje heeft vergeten sokjes aan te trekken, zodat voor ons de onverharde wegen onbegaanbaar zijn. In de auto heeft ons meisje al een keer gehuild omdat de laarsjes, iets te groot, haar van de poezelige voetjes gleden. We moesten stoppen om het huilen op te laten houden en nog snikt het na. Het huilen was bij de benzinepomp voor alle tankklanten te horen. Dat maakt het extra erg. Als een kind huilt moet je zelf zo blij en onbezorgd mogelijk kijken, als er mensen bij zijn. Je voelt je iemand die zijn kind mishandelt en gezien wordt.

Het is druk. Een uur geleden is boven Nederland de zon gaan schijnen, heel Nederland is uitgevlogen en de recreanten stromen binnen. Route 12 lijkt veel op de A4 tijdens de spits, maar dan met wandelaars en bolderkarren. Misschien wordt het eens tijd om een geweer ter hand te nemen. Op de A4 loopt een gezelschap met hilarische insignes van kartonnen handjes met een naam erop. Ze heten Rita, Alie, Fred en Theo. Een familieweekend van gewone mensen met gewone namen. Misschien een reünie waar jaren aan gewerkt is. Jaren van groteske energie verspilling voor een wandeling met bolderkar op de A4 van route 12. Waarom doen ze zo blij, Rita en Fred? Omdat ze niet begrijpen wat verdriet is, en dat het hún verdriet is. De mensheid is ontregeld. Geef mij een analyse van gemeenschapsleven die nog standhoudt. Misschien is te bewijzen dat ik Fred en Rita moet bewonderen.

Ze overleven, zegt mijn vrouw, alsof ze mijn gedachten raadt. Je zou een hoop van zulke mensen kunnen leren. Ze beheersen zich. Gemeen voegt ze mij concluderend toe: precies wat jij verstaat onder volwassenheid.

Dat is niet waar, omdat de boze regels aan mijn wil gehoorzamen. Maar ik zeg niets want ik verdraag met trots onheuse woorden, dat is groot en sterk zijn. Precies wat ik versta onder volwassenheid.

Ik draag een lange jas met goed zichtbaar daaronder een duur streepjeshemd dat in de gaten loopt bij Billie Turf, een vetzakje van twaalf uit de kartonnenhandjesclub. Hé Willibrord, roept Billie Turf. Hij doopt mij naar Fréquin, de presentator. Slaan gaat niet. Er zal in strijd met de toegangsvoorwaarden worden teruggeslagen, de familiereünie is in de meerderheid en de rechtvaardiging voor mijn geweld is mij ontvallen: mijn vrouw lacht uit rancune graag met Billie mee. Ze weet niets van het lachverbod dat ik heb uitgevaardigd en mijn chagrijn maakt mij tot vijand van haar goedheid.

Ik zie de rug van kleine Sam, die voor mij uit loopt, en wacht met schizofrene opwinding zijn eerste klachten af over de keuze van de wandelroute. Ik heb geen zin in weer een confrontatie met zijn boze kleinheid. Toch verheug ik mij op een gevecht. Conflict heeft aangename en onaangename kanten. Aangenaam is dat je vechtend iets van spanning kwijtraakt. Vervelend is dat je er niets dan nieuw conflict voor terugkrijgt.

Daar is hij eindelijk, de terrorist.

– Ik wil naar de duinen.

– Daar komen we zo.

– Dit is een bos. Dit zijn geen duinen.

– Dit is allebei. Je zult het zien. Dus mooier kan het niet.

Mag ik slaan? vraag ik mijn vrouw. Ze weet niet half hoe ik het meen. Ons hele huwelijk steunt op die onwetendheid.

Geen denken aan, aan slaan. Want jij bent net zo erg, zegt ze. Jullie zijn kinderen.

Dat stemmetje van hem, zeg ik. Dat is niet zijn stem. Hij praat de kinderen van school na. Hij heeft een televisiestem gekregen. Hij is volstrekt karakterloos geboren.

Volgens E. is het een fase die voorbijgaat.

Ik heb mijn eerste zuuraanval. Op zondag heb ik altijd zuuraanvallen. Ze komen van de zenuwen. Ik weet niet wat ik tegen kinderen moet zeggen. Hun vragen zijn niet logisch. Dan kan ik ook geen antwoord geven. Hun vragen corrigeren is vaak lastig, omdat je niet direct begrijpt wat ze bedoelen. Communiceren doe je op de gok, een slopende komedie. Nu zijn we in de duinen, hoge duinen, voor ons een Mount Everest van zand en helmgras en de wrede duindoorn met zijn stekels. Kleintje vraagt: als je van die berg valt, wat dan?

Dan ben je dood, zeg ik.

Niet waar, zegt de jongen. Van een duin vallen, dat kan niet. Je rolt eraf. En dan zit je hele lijf onder het bloed van alle doornen.

Bloed spreekt hem aan. Bloed is het leven en de dood, theater.

Niet, zegt Kleintje veel te hard.

Naar de zon kijk ik, veel hoger dan ik ben. Ik had piano kunnen spelen. Of ik had mooie boeken kunnen lezen. In plaats daarvan versta ik mij met het onmondige, te zwaar en veel te herfstig voor dat jeugdige. Ik hijg. De zon maakt vochtig. Nooit ben ik meer alleen. Dat is het ergste.

Geniet nou toch gewoon een keer, zegt E.

Ik kan het niet. Ik hecht aan mijn leed. Leed is concreter dan geluk. Leed heeft een oorzaak. Het ongemak van samenzijn. Nooit ben ik meer alleen. Van je geluk, als het de naam verdient, weet je niet goed waar het vandaan komt. Je moet dat ook niet willen weten. Ze zeggen dat het komt van kleine grote dingen als de glimlach van een kind. Maar dat is niet de oorzaak van geluk. Geluk is zomaar zonder meer tevreden kunnen zijn, ook zonder glimlach. Je moet het kunnen nemen of het je geschonken wordt. Geluk wordt slechts bevestigd, niet veroorzaakt door een kind. En een gegeven paard…

Het kleintje met haar blauwe laarsjes zonder sokjes strandt op nog niet eens de helft van route 12. E. draagt het verder. Kleintje is voor E. te zwaar maar Kleintje wil door mij niet opgetild, Kleintje wil zo vier nog maar naar mama. De zon schijnt hoog en schaduwloos boven de duinpan. Het wordt warm. Kijk E. zo rank en mooi zo cynisch weerloos worstelen met zoveel lief maar dood gewicht, ons kleine biggetje dat door haar laarsjes zonder sokjes niet meer lopen kan. Tegemoetkomende mannen kijken boos naar mij, die zoveel onrecht laat geschieden. De blikken van de mannen zeggen, hoop en vrees ik, dat zij veel te mooi en waar is om te lijden onder dood gewicht. Mijn desillusie is te groot om in te grijpen en de mannelijke titelheld te spelen door haar Kleintje te ontnemen en te zeggen: ben je gek, wou je je rug soms breken?

Daar is de NSB’er die voor conducteur speelt. De rugzakpunkers kruisen ons waar route 11 en 12 elkaar ontmoeten. Twee identieke fietsen bellen vrolijk zondags tegelijkertijd hun waarschuwing dat Sam op de A4 als overstekend wild hun doorstroming belet. De zon schijnt, we genieten, het is zondag.

3.

We hebben Sam en Kleintje weggebracht om koffie te gaan drinken in de stad. Het is een link experiment. We hoeven nergens op te letten, dat lijkt luxe. Maar we zijn moe, te moe om te ontspannen. Ons voltage is te hoog. Overtollige spanning. Overtollige waakzaamheid. We hadden de kinderen beter mee kunnen nemen. Dat had het erger en toch draaglijker gemaakt. De gewenning onderdrukt het kwaad dat van ontwenning komt, zoals een druggebruiker gek kan worden van het afkicken. Het kind is als een sigaret. Het wordt je dood, maar het is dood met alle schoonheid van gewoonte.

Met E. ben ik voorzichtig. Ze staat zo onder druk. Vier dagen werken opeens, met de onmondige geliefden tragisch thuis onder mijn machteloze leiding. Ze moet uit huwelijkstrouw wel zeggen dat de kinderen bij mij in goede handen zijn. Maar dat je van die trouw dan zo verplicht loyaal een harmonie en een vertrouwen in mijn zachte hand gaat liegen is te veel. Ik scheld op ze, als zij een scheppend denkproces verstoren met hun vragen naar de lego en de fietsjes. Dat weet ze ook. Maar dat kan niet gezegd. Omstandigheden maken ons voorzichtig. Wat daar niet alles op het spel staat nu ons leven overleven is geworden, een rekenen wat kan en niet. Vrede, veiligheid, bepaalde zekerheden die je van elkaar graag niet zou hoeven eisen. We zeggen vaker dan we vroeger deden dat het ons toch goed gaat. Naar omstandigheden ja, maar er zijn altijd omstandigheden. Iedereen lijdt aan omstandig heden. We zijn dus meer dan relatief gelukkig. We zijn als iedereen. Dat is een nieuw gevoel. Liefde komt als de gedachte dat je toch uniek was, al was het voor elkaar.

Het plan was worteltaart met koffie bij Esprit, een foute tent met goede taart. Esprit is dicht. Jeunesse dorée is laat. We nemen Luxembourg. Het is nog niet tien uur, maar het terras wil al gezien. Zo in het blikveld wil ik niet. We duiken zo de diepte van het huis in waar het bruin is met allure en met kranten over koperstangen gedrapeerd en met de mensen die je hoort te kennen als je lang genoeg met ze verkeert, dezelfde mensen die graag onder jou zijn, als je lang genoeg komt — wonderlijk.

De keuze van de tafel is aan mij. Dat was tenminste vroeger zo, voordat we Sam en Kleintje hadden — en zo lang is het geleden dat we, nog als liefdespaar, deze gelegenheid bezochten. Dat is verleden tijd. Ik ben niet veranderd. E. is veranderd. E. is groot geworden. Als ze moe is lijkt het haar opeens of ik de baas speel, omdat ze scherper kijkt dan toen mijn dominantie vers was en vertederend, een mooie zwakte. Ze heeft geleerd mij te vergelijken met de anderen, die niet zo zijn. De tafel die ik kies, een kleine bij het raam, is de verkeerde. Ze zegt het als we zitten, dan pas, zachtjes kwaad. Ze zegt niet waar ze wél had willen zitten. Mijn dominantie is een amusante kwelling maar mijn drift geen grap. Waar ze wil? Vast aan de grote tafel met de kranten. Stads en levendig en zo volkomen anders dan wat thuis is, met alle dingen alle dagen meer hetzelfde.

Ik ben van slag. Dat is omdat ik rust verwacht van onze rustdag, en van haar verwacht dat zij het met mij mee verwacht. Ik doe gewond, omdat dat op een rustdag toch voor één keer op zijn minst mijn recht mag zijn. Ook het verstand mag rusten op zo’n dag en het gevoel mag vrij parkeren, overal. Ik zeg: ik vind je heel onaangenaam, weet je dat? Met schijnbeleefdheid tref ik haar het hardst. Ze weet hoe kwaad ik ben. Ze wil die woede, als haar buit. Ze krijgt hem niet, nog niet. Het windt haar op. Nu zal ze zwijgen, een verslagen koffieronde lang. Het is een dag voor bloed, een dag van onbespreekbaar inzicht in te veel.

We drinken koffie zonder woorden. Ik ben als eerste klaar. Meteen vertrek ik voor bezoek aan het toilet, omdat ik vind dat zij betalen moet, voor straf. Dat blijkt ze bij mijn terugkeer inderdaad te hebben gedaan, voor straf. We denken over straf hetzelfde en toch anders.

Op de Kalverstraat begin ik uit te vallen.

Wat een kutstreek was dat net, zeg ik. Zo de sfeer verpesten. Een prachtig uitkijkplekje bij het raam hadden we daar, wat zeur je nou?

Eerst zwijgen.

– Nou?

Waarom begrijp je me niet, barst ze dan los. Ik wil mijn eigen tafel kunnen kiezen. Je moet dat toch gewoon begrijpen? Ik heb er godverdomme recht op dat je dat begrijpt.

– Zeg dat dan gewoon op tijd.

– Wat nou tijd. Begrijp me nou gewoon een keer.

– Laat het dan eens belangrijk zijn, wat ik begrijpen moet.

– Je bent een hufter.

Nu niet zuchten. Of verzuchten: vrouwen… Ze lokt het uit. Ze lokt het uit om na te gaan hoe sterk ik ben of hoe wanhopig of hoe lui.

Ik scoor met mijn zwijgen.

We passen eigenlijk totaal niet bij elkaar, zegt ze verzoenend.

Dat geldt voor iedereen, zeg ik. Mensen zeggen dat ze voor elkaar geboren zijn. Het is gelul. Het is alleen maar wat ze hopen, allemaal.

Ik zeg in staat van nood wat altijd waar is.

Je hebt een voordeel, zegt E., die als een prachtig wolkendek begint te breken, haar mooie ik steekt als een zonnestraal dwars door het kwade. Ze giechelt. Ik kan met je praten, zegt ze. Er is geen man waar dat mee kan. Daarom hebben mannen zo de pest aan je. Je bent te confronterend.

Niet dat woord, zeg ik. Niet confronterend.

En daarmee heb ik alle vrede weer gebroken.

We zwijgen tot de trein. Er is nog net tijd voor de Ako. Ik koop de ene krant en zij de andere. We betalen gescheiden. Op het perron koop ik ten einde raad bij zo’n kiosk twee koppen koffie met een dekseltje.

Leuk, zegt ze, als ze de geste in genade aanneemt. Dat geeft zo’n vakantiegevoel, met koffie in de trein.

We zijn ook op reis, zeg ik te veelbetekenend, te oud, te literair voor deze fase van ons leven. De reis is net begonnen.