HENK VAN OSCH
JONKHEER D.J. DE GEER: DE TELOORGANG VAN EEN MINISTER-PRESIDENT
Boom, 549 blz., € 35,-

Wanneer we types als Anton Mussert en Meinoud Rost van Tonningen buiten beschouwing laten, zijn er in Nederland in de vorige eeuw weinig politici geweest met zo’n beroerde reputatie als jonkheer Dirk Jan de Geer (1870-1960). Goed beschouwd is dat vreemd. Tijdens het interbellum waren er niet veel vaderlandse staatslieden zo invloedrijk als deze leider van de Christelijk-Historische Unie.

Tweemaal was hij minister-president (1926-29 en 1939-40) en in drie andere kabinetten was hij minister. Als minister van Financiën was hij veel bekwamer dan Colijn, en bovendien was hij een veel groter democraat. Behorend tot de absolute elite had hij de politiek niet nodig voor het geld of de status, maar zag hij het als zijn plicht het landsbelang te dienen. Toen de Rotterdamse afdeling van de chu hem in 1901 kandidaat stelde voor de gemeenteraad plaatste hij een advertentie met het verzoek niet op hem te stemmen! Nadat hij toch verkozen was, moesten zijn partijgenoten heel wat bijbelteksten citeren eer de jonkheer zijn raadszetel innam.

Als politicus gedroeg hij zich bijzonder correct en stelde hij zich onafhankelijk op. In de jaren dertig behoorde hij tot de meest principiële bestrijders van de nsb en in zijn tweede kabinet was voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis plaats voor sociaal-democraten.

Uiteraard had dit alles ook een keerzijde. Hij voelde zich zo verheven boven iedereen die niet van adel was dat hij zelden naar advies of kritiek luisterde. Zijn onafhankelijkheid was zo groot dat zijn eigen fractie vaak uit de krant moest lezen wat de partijleider nu weer besloten had. Hij was bijzonder punctueel en bezat een onvoorstelbare dossierkennis. Van al zijn handelingen maakte hij minutieuze aantekening, maar, zoals zijn biograaf opmerkt, ‘vergeefs zal men speuren naar een humoristisch of raillerend woord dat de zware kar waarmee hij reed, had kunnen verlichten’. Zijn werkdrift en perfectionisme dienden deels om zijn enorme onzekerheid te maskeren.

Die onzekerheid, plus zijn gebrek aan flexibiliteit en verbeeldingskracht, braken hem op toen de Tweede Wereldoorlog ook over Nederland spoelde. In zijn zeer gedegen en goed leesbare biografie toont Henk van Osch aan dat De Geers houding toen lang niet zo beroerd is geweest als na de oorlog is beweerd, vooral bij monde van koningin Wilhelmina en Loe de Jong. Niettemin rijst De Geer uit dit boek op als een man die niet opgewassen was tegen de uitzonderlijke omstandigheden. Dat waren de meeste mensen echter niet, vandaar dat het prettig geweest moet zijn om de bejaarde De Geer tot zondebok te verklaren.