Heerlijke nieuwe wereld: Herman De Dijn

‘Zonder 500 LinkedIn-connecties ben je een mislukkeling’

Autoriteiten als de pastoor, de koning en de filosoof zijn hun vanzelfsprekende gezag kwijt. Maar vrij zijn we daarmee niet geworden. Volgens filosoof Herman De Dijn is het dagelijkse leven onderhevig aan een steeds zwaardere disciplineringsdwang.

Medium 00390257

Een niet zo heerlijke nieuwe wereld in deze tijd is ‘de systeemwereld’. De Vlaamse filosoof Herman De Dijn doelt met dit woord op meer of minder verborgen systemen van disciplinering die individuen en de instellingen waarin zij werken in hun greep hebben gekregen. Hoewel de autoriteiten van vroeger hun gezag ontegenzeglijk kwijt zijn, is daarmee nog niet gezegd dat mensen de verhoopte vrijheid hebben verworven. Integendeel, betoogt De Dijn: ‘De systeemwereld koloniseert nu de leefwereld.’

Hij licht toe: ‘De autoriteit is vervangen door een anonieme disciplinering. Ik zeg zeker niet: vroeger was het beter. Toen had je een baas die je de hele dag afblafte. Stel je voor dat je kind was in de tijd van Stijn Streuvels, die in De Vlaschaard beschrijft hoe een boer zijn zoon doodslaat omdat hij niet gehoorzaam is. Dus die autoriteit was niet om te lachen, hè? Maar is dan de disciplinering van nu om te lachen? Mensen zeggen: zie toch hoe vrij we zijn, geen bazen meer, geen paus, geen koning, geen pastoor! Maar de realiteit is dat er dag in, dag uit een enorme druk op mensen staat om te slagen in het leven en zich daarin door de anderen gezien te weten. En dat moet je allemaal zelf bolwerken. Als jij in jouw ganse leven maar vijf keer iemand hebt versierd, ben je al een zonderling. En dan kom je op je werk en loop je al gauw aan tegen een heel regulerings- en beheersingssysteem dat je je vrijheid ontneemt. Dat kan een behoorlijke miserie zijn!’

De Dijn (70), emeritus hoogleraar filosofie in Leuven en internationaal erkend als kenner van Baruch Spinoza en David Hume, beschreef dit verschijnsel onder meer in de boeken Hoe overleven we de vrijheid? (1996) en (met collega-filosoof Arnold Burms) De rationaliteit en haar grenzen (1986). Vijf jaar na zijn emeritaat ontvangt De Dijn nog altijd in het Hoger Instituut voor de Wijsbegeerte, een plek zoals een faculteit filosofie hoort te zijn: een tikkeltje stoffig, doorleefde houten vloeren, overal stapeltjes boeken en vage papieren, die trap waar je telkens weer op dezelfde plek je hoofd stoot.

De Dijn heeft een privé-college voorbereid, over het contrast tussen wensbeeld en werkelijkheid van de ‘systeemwereld’ in de laatmoderniteit. Mensen hebben zich bevrijd van overleefd gezag en zich in veel gevallen toch niet meer dan een illusie van vrijheid verworven. Dat geeft stress, zeker als mensen zich er niet van bewust zijn een illusie na te jagen. Een middag lang weidt De Dijn uit over dit fenomeen en de gevolgen voor het persoonlijke én het publieke leven.

Hij begint met een schets van de spanning tussen moderniteit en traditie: ‘Een van de vergissingen is te denken dat de moderniteit met alle tradities heeft afgerekend. In werkelijkheid is er van alles tegelijk: archaïsche overblijfselen, moderne verworvenheden, laatmoderne frustraties. Het is een warboel en het is maar beter dat te onderkennen. Het heeft niet zoveel zin te juichen: “Eindelijk zijn we van God af”, als God er voor veel mensen nog is. Het kan ons dus van veel vooroordelen en nodeloze ergernissen bevrijden als we de moderniteit niet louter als tegengesteld zien aan tradities en erkennen dat er naast de ratio ook andere vormen van redelijkheid zijn.’

Eerder dan dat ze tegenstrijdig aan elkaar zijn, bestaat er volgens De Dijn een soort continue wisselwerking tussen de moderniteit en de traditie: ‘Dat wordt niet altijd gezien. Het beeld is dat de drijvende krachten achter de moderniteit ons in staat stellen de traditie en de daarmee verbonden waarden achter ons te laten. Vooral van de wetenschap wordt dat gezegd. Het heet dat we dankzij de wetenschap de capaciteit tot afstandelijkheid hebben verworven en dat wij de wereld nu kunnen zien zoals hij werkelijk is, niet zoals wij hem percipiëren als gevolg van onze opvoeding en andere tradities. De wetenschappelijke mentaliteit brengt een nieuwsgierigheid met zich mee die nietsontziend is, meedogenloos. De wetenschap kan afstand nemen van de gewone denkbeelden uit het alledaagse leven, van wat Spinoza de illusies van verbeelding noemde.’

En het doel van de wetenschap is te laten zien dat de verbeelding daadwerkelijk een illusie is?

‘Ja. René Descartes hield ten behoeve van zijn denken zelfs met de uiterste mogelijkheid rekening: “Misschien is alles wat ik tot nu toe heb geloofd gewoon illusie.” Ook de markt, nog zo’n domein dat een enorme impuls van de moderniteit heeft gekregen, is afstandelijk. Voor de markt is niets heilig, niets is hors commerce. Alles is verkoopbaar, auto’s en schilderijen, organen en illusies. Om het even wat, als het maar een zo hoog mogelijke opbrengst heeft. De vraag is nu of de wetenschap en de markt zonder meer tot die afstandelijkheid in staat zijn. Kunnen ze op eigen benen staan? Nee. De grootste denkers van de moderniteit, zoals Hume of Hegel, hebben de paradox gezien, namelijk dat de moderne systemen van wetenschap en markt eigenlijk parasiteren op tradities. Ze kunnen niet zonder.’

Dat is wat u bedoelt als u spreekt van een wisselwerking tussen moderniteit en traditie.

‘De wetenschap teert op de traditie waarin de jeugd wordt opgevoed in liefde voor de wetenschap. Zij zou niet overleven zonder opvoeding in een bepaald ideaal van leven dat essentieel is voor de wetenschappelijke houding. En met de markt zou het gedaan zijn als zij alle deugdzaamheid uitschakelt en puur cynisch wordt. Voor dat gevaar zijn we hardhandig gewaarschuwd in de financiële crisis. Ook de markt veronderstelt dus het bestaan van iets anders dan de markt, iets wat de markt zelf niet voortbrengt. In The Theory of Moral Sentiments doet Adam Smith het morele systeem uit de doeken waarop de economie steunt die hij schetst in dat andere boek van hem, The Wealth of Nations.’

Wat is dat voor een systeem?

‘De basis wordt gevormd door de erkenning dat collectieve emoties, uiteenlopende denkbeelden, deugden en ondeugden het fundament van het samenleven zijn, dus niet de rationaliteit. Tot de deugden hoort de neiging om goed van vertrouwen te zijn. Niet strikt rationeel, wel reuze nuttig. Een markt zonder vertrouwen? Dat kan niet. Die markt kan niet blijven bestaan. De onderkenning van de continue wisselwerking tussen de moderniteit en de traditie is een van de fantastische inzichten die we hebben te danken aan enkele grote moderne denkers. Dat is wat Spinoza, Smith, Hegel hebben gezien.

Dat inzicht betreft óók de paradox dat de moderniteit zelf het fundament ondermijnt waarop ze rust. Naarmate de moderniteit zich ontwikkelt, ontstaat immers meer afstandelijkheid ten opzichte van de traditie en van de deugden die zich daarin ontwikkelen. Het grote probleem van de moderne tijd is, anders gezegd, om de verdringing van de traditie niet zo ver te laten gaan dat de moderniteit in elkaar stort. Wat is de politieke consequentie van dit denken? Dat ook de politiek zichzelf zou ondermijnen als zij alleen rationeel probeert te zijn. Zij moet daarom, zoals Spinoza al wist, rekening houden met de zeden en alledaagse gewoonten van mensen, met de illusies van de verbeelding.’

Dus ook met fundamentalistische opvattingen, met afwijkingen van universele waarden als gelijkheid?

‘De politiek moet niet proberen alle mensen rationeel te maken. Mensen zijn niet alleen rationeel en dat weet je, als je verstandig bent. Dat betekent dat het moderne, de ratio, altijd iets nodig heeft wat David Hume het hart noemde. De wetenschap heeft het hart nodig: er moet liefde zijn voor de wetenschap. De markt heeft het hart nodig: er moet vertrouwen zijn. Bij Hume symboliseert het hart een zekere niet-rationele redelijkheid. De rationaliteit wordt begrensd door de redelijkheid van het hart, door deugden en gewoonten.’

En door intuïties?

‘Ja, alleen zijn dat niet puur persoonlijke, individuele intuïties, maar gedeelde, gebaseerd op common sense. Bijvoorbeeld de intuïtie van het onderscheid tussen het typisch mannelijke en het typisch vrouwelijke, of van de grens tussen jong en oud. Dat zijn onderscheidingen die tegelijk bepalen wat hoort en niet hoort, maar puur wetenschappelijk zijn ze larie. Waar ligt nu precies de grens tussen jeugd en volwassenheid? Hoe wetenschappelijk irrelevant ook, dit soort intuïties zijn moreel noodzakelijk. Ze geven onze maatschappij vastigheid. Voorbij de rationaliteit belichamen ze een soort algemeen begrip van wat we moeten doen en laten.’

In 1986, het jaar waarin hij met Burms De rationaliteit en haar grenzen schreef, zou De Dijn naar zijn zeggen nu klaar zijn geweest met zijn verhaal. Twee denkers, sociologen met een filosofische inslag, Niklas Luhmann en Zygmunt Bauman, houden het gesprek nog even gaande. De Dijn zegt aan hen schatplichtig te zijn voor zijn duiding van de ‘laatmoderniteit’, het woord waarmee hij deze tijd typeert. Kenmerkend is de verstoring van elke vorm van symbolische orde, waardoor niet-rationele onderscheidingen zoals die tussen jong en oud hun scherpe tegenstelling zijn verloren. Ze zijn, met een woord van Bauman, als het ware ‘vloeibaar’ geworden. Ook begrippen als ‘waarden’ en ‘autoriteit’ veranderden daardoor wezenlijk van betekenis.

De Dijn: ‘We zijn in de periode van het radicale individualisme terechtgekomen. Tot die tijd konden mensen nog van elkaar worden onderscheiden dankzij het bestaan van redelijk overzichtelijke groepen, zoals katholieken en protestanten, socialisten en communisten. Ieder hadden ze een eigen traditie, rituelen en symbolen en ook een eigen gezagsstructuur, gebaseerd op autoriteit. Met het laatmoderne individualisme is er iets fundamenteels veranderd.’

U zegt dat daarmee de oude orde onderste­boven is gegooid. Dat is toch geen nieuws?

‘Nee, dat proces is inmiddels uitentreuren beschreven. Maar het is voor dit gesprek belangrijk in te zien dat het individualisme geen keuze is. Het is een systeem waarin we allen terecht zijn gekomen. Je kunt het individualisme eigenlijk slechts goed begrijpen als je het verbindt met het fenomeen van de ontwaarding van de waarden. Wat bedoel ik daarmee? Niet dat de waarden verdwijnen, wat men soms denkt, want zonder waarden kan niemand leven. Ze blijven bestaan, zij het radicaal getransformeerd. Door het individualisme zijn waarden minder dan ooit verbonden met tradities en de bijbehorende geboden en verboden. Ook is er geen autoriteit meer die ze doorgeeft.’

We wisten toch al dat het in het tijdperk van het individualisme gedaan is met de autoriteiten die vroeger het gezag belichaamden?

‘Ja, maar hier is van belang te bedenken welke gevolgen dat verdwijnen van gezag voor de waarden heeft. Waarden zijn niet rationeel. Voor hun instandhouding zijn symbolen en rituelen van belang, gebruiken die niet louter op een rationele wijze beargumenteerd kunnen worden. En dus heb je een autoriteit nodig, iemand met gezag, van wie de mensen bereid zijn aan te nemen dat die gebruiken hun zin hebben, hoe irrationeel ze ook lijken. Een slimme atheïst ten tijde van het Rijke Roomse Leven begreep wat nu iedereen weet, namelijk dat er geen rechtvaardiging voor het geloof is. De functie van een autoriteit, zoals de dominee of de pastoor, was de verzekering te geven dat die rechtvaardiging er wél was en dat de waarden die in dat geloof zijn geïncorporeerd vanzelfsprekend waren. Het gezag kon rekenen op een stilzwijgende acceptatie. De schaduwkant van autoriteit is natuurlijk machtsmisbruik, iets waarvoor individualisten in hoge mate gevoelig zijn. En ze hebben gelijk! Over het gevaar van machtsmisbruik moet je nooit naïef zijn.’

De Dijn zegt dat het gezagsverlies van de autoriteiten samenhangt met het vloeibaar worden van waarden. In de liquid modernity, waarvan Zygmunt Bauman spreekt, zijn ook alle instituties die vroeger stabiliteit aan de samenleving gaven op drift geraakt. Gevraagd naar een voorbeeld, haalt De Dijn het boek Vertrauen aan, waarin Niklas Luhmann de gevolgen van de ‘ontwaarding van de waarden’ voor de liefde uitwerkt. Vóór 1960, in de tijd dat waarden en tradities nog vast en zeker waren, was liefde verbonden met een symbolische orde. Daarin stonden mensen symbool voor de betekenis die zij in een relatie hadden, als man of als vrouw, kind of ouder, gelovige of God. Deze symbolische relaties gingen gepaard met ongeschreven geboden en verboden, taboes. In deze tijd zijn die scherpe dichotomieën veranderd in graduele verschillen. Om het even wat kan object worden van liefde.

De Dijn: ‘Ik herinner me dat mijn moeder terugkwam van een preek en vertelde dat er volgens de pastoor in de maatschappij iets verschrikkelijks gebeurde. Bepaalde vrouwen wilden geen kinderen meer omdat ze tevreden waren met hun hond! Ik beschouw Michel Houellebecq als een werkelijk groot expert in de laatmoderniteit. In geen ander boek laat hij dat zo goed zien als in Mogelijkheid van een eiland, waarin hij de grote liefde van de transhuman David tot Fox, zijn hondje, beschrijft. Aan die liefde kan niets raken. Treffend! Hier zie je dat de tradities waarmee de moderniteit nog was verbonden, zoals de waardentraditie waarin de liefde stond, in de laatmoderniteit vloeibaar zijn geworden: liquid modernity.’

Van een hond kan men net zoveel houden als van een kind?

‘In de liefde gaat het niet meer om een relatie met een welbepaalde symbolische realiteit, maar om mij, om mijn gevoel. Vandaar dat ik zeg dat de liefde zoals zoveel waarden sentimentalistisch is geworden. De waarden worden voortdurend vertaald in termen van gevoelens. De allesbepalende vraag bij zo’n waarde is of zij mij deugd doet, of zij mij het pretje van de dag of het pretje van de nacht geeft. Het gevoel staat centraal, ook in de relatie met de ander, van wie ik hoop dat hij mij iets geeft wat mijn gevoelens bevredigt.’

Er kan toch niet zoveel op tegen zijn dat in de liefde het gevoel centraal staat?

‘Er komt nog iets bij. Naast sentimentalisme wordt het individualisme gekenmerkt door spiegelingstendensen. Individuen willen voortdurend bevestigd worden door andere individuen. En wat ze zoeken is niet een bevestiging zonder meer, maar het plezante gevoel van bevestiging. I like! Om bij de liefde te blijven: het ergste wat je kan gebeuren is dat anderen denken dat jij geen love kent. Je ziet dus: individualisme betekent niet dat je geheel op jezelf staat. Integendeel, je wilt ook van anderen de erkenning dat ge zo content zijt en zo’n plezant leven hebt. Kijk eens naar mijn foto’s! Kijk eens naar mijn lief of, beter nog, naar mijn tien lieven! Dus je moet laten zien dat je wordt gezien.

En het plezier van het gezien worden moet ook weer gezien worden. Hoe noemen we dat? Christopher Lasch heeft ons dat uit de doeken gedaan. Dat noemen we narcisme.’

Wat u beschrijft is een nogal complex systeem om het eigen leven te beheersen.

‘Dat is inderdaad wat ik bedoel! Als de situatie in grote lijnen is zoals ik haar heb beschreven, als de essentie van het leven is dat je moet slagen en dat jouw succes gezien moet worden, dan begrijpt u hoe belangrijk het is om dat leven te beheersen. Er is niemand die je dat succes gaat geven. Nee, je moet het helemaal zelf bolwerken. Hoe doe je dat? Wel, door slank te zijn, de juiste stoppelbaard te hebben en naar de mode gekleed te zijn, door precies te weten hoe je je moet gedragen op de weide van Rock Werchter, de juiste gadgets te hebben en op Facebook veel vrienden te verzamelen. Dat vraagt een enorm werk. Lastig! Als je op LinkedIn niet boven de vijfhonderd connecties zit, dan ben je een mislukkeling. We krijgen een maatschappij waarin je van ’s morgens tot ’s avonds, zelfs als je niet werkt, bezig bent met je imago. Dit systeem vergt een activistisch management van het eigen leven. Hoe leef je nu je leven? Niet meer, zoals vroeger, door je in te voegen in een voorgegeven symbolische orde met haar vaste betekenissen, maar door je te verbinden met zelfgekozen tekens die je genot en het genot van de erkenning bezorgen.’

Die tekens zijn vooral bedoeld voor de buitenwereld?

‘Precies. Op zich zijn die tekens niet zo belangrijk. Ze hebben geen waarde op zichzelf en zijn inwisselbaar. Als de mode morgen verandert, als je je mooie jeans verwisselt voor een broek met van fabriekswege gemaakte gaten, waarin je halve achterwerk bloot is, dan is dat van generlei belang. Wat is nu het sterkste teken van allemaal? Je lichaam. Het lichaam is niet meer “ik”, nee, het is datgene waarvan het ik gebruik maakt om te krijgen wat het wil hebben, namelijk genot en het goede gevoel gezien te worden. Dus dat lichaam wordt eindeloos aan het werk gezet, gefatsoeneerd en in een bepaald carcan geduwd, tot het in de buurt komt van het ideaalbeeld dat men voor ogen heeft. Dat beeld wordt sterk bepaald door de media en de reclame, door de tribune, een heel complex dat behoort tot de laatmoderne systeemwereld die het individu in z’n greep heeft.

Natuurlijk, daarvan komt onvermijdelijk allerlei miserie. Zo gaat het individualisme gepaard met de marginalisering van de mensen die niet meedoen of niet mee kunnen doen, zoals migranten die er raar bij lopen en de mode niet volgen, gehandicapten, ouderen, mensen die het lichaam niet in het gareel krijgen. Spijtig voor hen.’

De ‘systeemwereld’ oefent volgens De Dijn niet alleen in de persoonlijke sfeer zijn invloed uit. Hij rukt ook op in de collectieve sfeer van het werk. Er zijn legio voorbeelden van bedrijven en organisaties die door het management met een steeds zwaarder systeem van beheersings-, disciplinerings- en controle­mechanismen worden opgetuigd. In het Vlaams-Nederlands cultureel maandblad Streven analyseerde De Dijn onlangs aan de hand van deze tendens de toestand in de zorg en het onderwijs. Ook aan de scholen, universiteiten en ziekenhuizen verdwijnt de oude symbolische orde die deze instellingen hun betekenis gaf, betoogde hij. Hij nam zorg en onderwijs niet toevallig als voorbeeld. Dit zijn bij uitstek terreinen waar de ratio botst met de redelijkheid van het hart. De ratio dicteert een organisatiemodel waarin alles gemeten en gecontroleerd wordt, opdat het zich zo efficiënt mogelijk voltrekt. De niet-rationele redelijkheid vergt juist een concentratie op zinvolle en waardevolle menselijke relaties, ook als ze niet aan de eis van efficiency en effectiviteit voldoen.

Het gevolg is dat de controlerende afdelingen in zorg- en onderwijsorganisaties allengs groter worden, soms zelfs ten koste van de kern­taken en -diensten van de instelling. Een andere omkering van de oude realiteit is volgens De Dijn dat de eigenlijke doelen, dus zorg en onderwijs, middelen worden, gericht op de ‘output’ van meetbare resultaten. Daardoor boeten ze in op hun ethische en menselijke betekenis, hun intrinsieke waarde. Tot slot bestaat het risico dat de schijn over de realiteit gaat heersen. In de concurrentieslag is het imago, de perceptie van doorslaggevend belang. Daarom bevordert het management resultaten die de organisatie aan de ‘excellente’ top brengen en stoot het af wat niet voldoende oplevert, ook al zijn dat activiteiten die de werkelijke waarde van zorg en onderwijs bepalen.

De Dijn: ‘Wat is een instelling? Dat is letterlijk iets wat ingesteld is. Het komt niet van ons. Het is van vroeger, een erfenis. Een instelling heeft ook altijd een eigen doel, zorg of onderwijs bijvoorbeeld. De universiteit van Leuven, gesticht in 1425, was zo’n instelling, met het doel universitair onderwijs te geven, de wetenschap te ontwikkelen en de intellectuele elite te vormen, generatie na generatie. Een zorginstelling dient om mensen gezond te maken, maar ze biedt ook zorg, menselijke zorg. Een instelling brengt beroepsbeoefenaren bijeen die zich kunnen vereenzelvigen met dat interne doel. In dat woord “beroep” zit niet voor niets de notie van geroepen zijn. Je bent niet een dokter zonder meer, je bent dokter voor een bepaalde gemeenschap, in een bepaalde kliniek, in een bepaalde stad, dus niet op planeet 254. Dat hoort er allemaal bij. Aan het hoofd van de instelling ten slotte staat een autoriteit, iemand die met recht het vertrouwen toekomt dat hij het doel van de instelling bewaakt en die op zijn beurt de beroepskrachten zijn vertrouwen gunt dat zij zorgvuldig met die erfenis omgaan. Dat behoort allemaal tot instelling.

Zoals elke “topuniversiteit” is ook de universiteit van Leuven nu veranderd in een organisatie. Wat is een organisatie? De vloeibaar geworden instelling. Het doel van de organisatie is output, om het even van wat. Het kunnen autobanden zijn, maar ook diploma’s of patiënten. Een autoriteit aan het hoofd, iemand die de erfenis begrijpt, is niet meer nodig, wel een manager die het proces bewaakt en de resultaten meet, zodanig dat de organisatie optimaal produceert. Aan beroepskrachten in de traditionele zin van het woord is evenmin nog behoefte, wel aan professionals met de competenties voor het halen van een bepaalde productie. Ook de output van universiteiten bestaat vooral uit professionals. Zelfs op Harvard noemen ze naar het schijnt hun studenten tegenwoordig young professionals. Even ongelooflijk als symptomatisch!’

Vakmanschap en beroepsernst doen er in zo’n systeem minder toe?

‘Een goede professor, dat is tegenwoordig de docent die zoveel mogelijk studenten aan een diploma helpt en daartoe gehoorzaamt aan de regels die het management stelt. De intellectueel die maar zit te piekeren en te lezen gehoorzaamt niet aan die regels. Hij heeft niet zoveel kans meer op een professoraat. Het is eigenlijk een mirakel dat hier nog wordt nagedacht. Meestal gebeurt dat dan ook in wat vrije tijd heet. Een boek schrijven is tegenwoordig een hobby. Niet van belang. Men heeft liever een zo hoog moge­lijke productie van artikelen, want die zijn meer waard in de concurrentiestrijd om de hoogste citatiescore. Met Richard Sennett vrees ik dat hetzelfde lot de handmatige arbeid heeft getroffen. De Amerikaanse dichter Henry Wadsworth Longfellow dichtte ooit: “In the elder days of art/ Builders wrought with greatest care/ Each minute and unseen part/ For the Gods see everywhere”. Ook de meest verborgen plekken, de beelden hoog in een kathedraal, moesten perfect worden gebeeldhouwd, want God kon overal kijken. Dat idee is compleet verdwenen. In de ogen van zijn voorman zal de bouwvakker die nu op deze wijze eer in zijn werk legt een zonderling zijn. Hij zal misschien zelfs met ontslag worden bedreigd omdat hij niet efficiënt werkt.’

Gloort er nog hoop?

‘Het is steeds moeilijker voorstelbaar wat de systeemwereld kan vervangen. Dat is het probleem. Welk alternatief bevrijdt ons van dit beheersingssysteem zonder vruchteloos terug te keren naar het oude? Amai! Wat een moei­lijke vraag! Van waar zou ze moeten komen, de verandering? Niet van de politiek. Integendeel, de politiek stimuleert de systeemwereld en is er zelf zo langzamerhand onderdeel van. Ik zie ook niet in hoe de kerken of sociale organisaties tegenwicht kunnen bieden.

Toch ben ik geen pessimist. Ik ben geneigd te denken dat de verandering van onderaf zal komen, van individuen, niet van organisaties. Het heil kan alleen komen van der Einzelne, zou Kierkegaard zeggen. Van de weerstander die medestanders zoekt. Zullen ze sterk genoeg zijn om tegen het systeem op te tornen, of zullen zij roependen in de woestijn zijn? Nu, in een woestijn zijn er oases waar van alles groeit en bloeit en waar het goed toeven is. De zaadjes die daar ontkiemen zullen ooit iets veranderen. De toekomst begint in die oases.’