Toneel

Zonder bloed, niet bloedeloos

Toneel: Johan Simons regisseert Heiner Müllers ‹Anatomie Titus›

München — In de Beierse hoofdstad kennen ze Johan Simons al van ZT-Hollandia-voorstellingen als Val van de goden, Gen en Twee stemmen. Nu heeft hij bij de Münchner Kammerspiele een regie gedaan, Anatomie Titus Fall of Rome ein Shakespeare kommentar, de bewerking van Shakespeares Titus Andronicus door Heiner Müller (1984). «Als Titus Andronicus een zesde bedrijf had gehad», schrijft de Poolse Shakespeare-kenner Jan Kott, «zou Shakespeare zich vergrijpen aan de toeschouwers op de eerste rijen. Want op het toneel blijft geen held van de tragedie in leven.» Het stuk telt 35 lijken. Müller volgt het gruwelstuk op de voet, in zijn commentaren (koorzangen, monologen) trekt hij een rechte lijn van Shakespeares Rome naar de verschrikkingen van de twintigste eeuw en de bloedige botsingen tussen de Eerste en de Derde Wereld.

Maar bloed vloeit er niet in Johan Simons’ Anatomie Titus. Vormgever Bert Neumann ontwierp een schuine vloer met vijf rijen stoelen, het licht in de zaal blijft aan, de acteurs hangen lusteloos in dat nagebouwde parket en kijken het publiek aan, als ze tenminste niet slapen. André Jung speelt Titus als een uitgebluste militair die te veel dood en verderf heeft gezien, en daar niet wijzer van is geworden, wel doodop. Achter in het speelvlak hangen twee grote schermen. Daarop live beelden van voor het theater, Maximilianstrasse, sjieke winkelstraat. Er hangen lui rond in grote jassen en trainingspakken, stadsnomaden, zwarthandelaars. Ze dringen het theater binnen — het programmaboek verwijst naar de Tsjetsjeense terroristen die in november 2002 Moskous musicalpubliek gijzelden. Maar deze indringers zijn kinderen nog, naïeve komedianten hoogstens. Op Müllers commando — «in Rome’s gouden avond bloeit theater/ met genot en afschuw bij ’t changement dood/ ’t laatste met de kleurenfilm van ontbinding» — klapt de speelvloer voorover in een hoek van zeventig graden, de acteurs grijpen zich aan hun stoelen vast, klaar voor de apotheose van de avond: Titus verwerkt de kinderen van zijn aartsvijanden in een pastei en dient die op aan de ouders.

Zonder bloed maar bepaald niet bloedeloos is Johan Simons’ grote greep naar de Shakespeare-Müller-stof. In een namaak auditorium wordt er slaapwandelend gesproken over moord, doodslag, afgehakte hoofden, handen, tongen — te zien is er niets, indachtig Heiner Müllers adagium «sehen heisst: die Bilder töten». Door de afstandelijke tekstbehandeling is er ook niets dat afleidt, de teksten klinken helder, theater als een plek om hardop te denken. Met overigens voldoende reden en ruimte om in mededogen te huiveren.

Anatomie Titus

inlichtingen www.muenchnerkammerspiele.de