Reportage door een verwoest land

Zonder burka door Afghanistan

De Taliban zijn verdreven. Eerst door de gaatjes van haar burka, maar al snel met het blote oog, zag Daphne Meijer hoe het volk van Afghanistan steeds vrijer gaat ademen.

Taloqan — Jarenlang was de burka het symbool bij uitstek van de vrouwenonderdrukking door de Taliban. Dus moet je eraan kunnen aflezen hoe vrij de vrouwen zich hier voelen. Al na een week springen de verschillen in het oog. De eerste dag gingen vrijwel alle vrouwen er nog helemaal onder schuil, nu tonen ze onbezwaard hun jurken en blote enkels.
De burka is een ronde lap met in het midden een stoffen mutsje, gestikt van hetzelfde materiaal. Het mutsje gaat over het hoofd, de rest valt in plooien over het lichaam, een beetje als een wigwam. Voor de ogen hangt een klepje, als je dat opslaat kijk je door een ruitjespatroon van kleine gaatjes. Het effect — zo weet ik nu uit ervaring — is een nogal schimmig beeld van de buitenwereld, alsof je door de gaatjes in een grofgebreide wollen trui kijkt. Je hebt ze in alle kleuren, van wit tot olijfgroen. Sommige zijn mooi geborduurd met kleine bloemetjes.
Nergens waar ik kwam ging de burka in één keer uit. Tijdens mijn reis door het noorden van Afghanistan verloor hij langzaam terrein. Dat begon al bij mijn bezoek aan de nieuwe autoriteiten, om precies te zijn het ministerie van Buitenlandse Zaken van de provincie Taloqan. Ik wilde naar Mazar-i-Sharif. De commandant wilde me een laissez passer geven, maar kon onze veiligheid niet garanderen. De gids stelde voor mij in een burka te hullen, maar daar kwam niets van in. De nieuwe Islamitische Staat van Afghanistan laat — anders dan het Islamitisch Emiraat van de Taliban — geen enkele vrouw in burka lopen. Dat is geen beeld dat het nieuwe Afghanistan zijn buitenlandse bezoekers wil tonen. Dus koopt mijn gids een hoofddoek en een Tadzjiekse jurk voor me. Maar mijn lichte huid en rode konen verraden me van afstand. Iedereen die we onderweg ontmoeten, zwaait en lacht naar me. Vrouwen stoten elkaar aan, wijzen naar mijn ontblote gezicht.

Sommige streken in het noorden zijn nu een paar weken bevrijd van de Taliban. Mazar-i-Sharif, de grootste stad van het noordwesten, is drie weken geleden ingenomen door generaal Dostum. Taloqan, honderd kilometer ten noordoosten van Kaboel en dicht bij de Tadzjiekse grens, vier weken geleden. Een week geleden viel ook het ertussen gelegen Konduz. Taloqan met zijn zeventigduizend inwoners was afgelopen week even de navel van de wereld toen er honderd journalisten vertoefden. De European Broadcasting Union had een satellietzender opgezet die reportages doorzond naar alle uithoeken van de wereld. Nu is iedereen weg. Niet alle collega’s hebben zich laten afschrikken door de moord op een Zweedse cameraman; sommigen hebben de stad gewoon verlaten op zoek naar het volgende verhaal.
Taloqan wordt een boomtown, voorspellen de medewerkers van de vele niet-gouvernementele organisaties die zich hier ingraven met het oog op de nabije grens met Tadzjikistan. Dusanbe, de hoofdstad van Tadzjikistan, ligt op een dagreis afstand. Hemelsbreed is het geen tweehonderd kilometer, maar de wegen aan beide zijden van de grens zijn bar slecht. En dan moet je de grens zelf nog over, de rivier Amou Darja met zijn door de Russen beheerde en naar hun goeddunken varende pontonboot. Een ander obstakel is de delta ten zuiden van de grens; zodra het regent kunnen ook de grootste trucks niet verder en moet alles met paarden worden vervoerd. Maar zolang het vliegveld van Kaboel dicht blijft, is Taloqan het knooppunt van de nieuwe politieke en economische orde.

Terwijl je wanhopig probeert de ene voet voor de andere te krijgen in de zuigende modder die alle wegen bedekt, kun je je amper voorstellen dat hier ooit asfaltwegen zullen liggen. De winter valt in. Veel natte sneeuw, de eerste nachtvorst. Het is moeilijk je voor te stellen dat hier binnen een paar maanden wellicht westerse hotels staan. In plaats van de houten keetjes waar mensen nu fruit, snoep, foto’s van hun held Masoed en de uit hun geheime bergplaatsen te voorschijn gehaalde cassettebandjes van Afghaanse en Indiase zangers verkopen, zal Starbucks hier goede zaken doen terwijl MTV uit de deuren en ramen klinkt. Nu ligt er nog niet eens een kabel, maar dat geeft niet want niemand heeft stroom of tv, net zomin als gas of stromend water. En de inwoners zijn nog altijd beter af dan de vluchtelingen uit de frontlinies of de oostelijke provincies. Hun wacht de hongerdood, tenzij de VN en hun Food Program een begin maken met voedselvluchten, maar dat stuit weer op bureaucratische problemen met de Russen die de oude zuidgrens van de Sovjet-Unie in handen houden. Hulporganisaties, Tadzjieken, Russen en de Taliban moeten afspraken maken met de nieuwe machthebbers. Pas dan kunnen de bewoners gaan profiteren van de nieuwe welvaart. Na de journalisten met hun dollars is de beurt aan de niet-gouvernementele organisaties. En, aangezien alles hier nog moet worden aangelegd, aan de consultants, de ministers van ontwikkelingssamenwerking en de internationale ambtenaren. Ook die moeten eten.

In de auto op weg naar Mazar draaien we muziek: prehistorische bandjes van Indiase zangers die niet veel meer dan gekraak produceren. Het maakt niet uit. De chauffeur heeft ze twee jaar in het geheim gekoesterd uit angst voor zweepslagen als de Taliban hem zouden betrappen op het luisteren naar muziek. Zulke verhalen zijn hier legio. De gids vertelt dat hij met zijn collega’s op kantoor het computerspel Delta Force placht te spelen. Uiteraard verboden de Taliban alle computerspellen, dus wisten ze de software van hun tekstverwerkers en verstopten de schijfjes tussen de binnen- en buitenmuur van het kantoor.
De reis is voorspoedig, de mannen van de Noordelijke Alliantie bij de controleposten zijn voorkomend. In Konduz, dat drie dagen voor onze aankomst is ingenomen, vertrouwt mijn gids de situatie opeens niet meer. Onopvallend loodst hij me het regiokantoor van de organisatie waar hij werkt binnen. Hier zijn we veilig voor de komende nacht, maar dan is het niet de bedoeling dat iemand mij ziet. Geen gezwaai naar vrolijke kinderen graag. En zeker niet naar de sporadische Taliban die hier misschien nog rondzwerven en plotseling kunnen opduiken. Naar de soldaten van de Noordelijke Alliantie eigenlijk ook maar niet, die hebben hun naam hoog te houden als het gaat om verkrachting en beroving.
De volgende ochtend sluipen we voor dag en dauw Konduz uit en begeven ons op weg naar Mazar. Daar is het rustiger. Het leven in de stad heeft binnen drie weken zijn loop uit het pre-Taliban-tijdperk hernomen. Er klinkt muziek, in restaurants kunnen mannen en vrouwen weer gemengd eten, kinderen laten vliegers op. Alle winkels en kantoren zijn open, iedereen zwaait naar ons. Vrouwen lopen rond met hun burka’s teruggeslagen over hun hoofden, losjes als een capuchon.
Dat weekeinde komen opeens 82 Taliban-strijders uit de kelders van het zwaar gebombardeerde Khale Ghengi-fort gekropen. Ze geven zich over en worden meegenomen naar een gevangenis in Sebergan, nabij het hoofdkwartier van generaal Dostum die alle gevangengenomen Taliban uit Noord-Afghanistan onder zijn hoede heeft.

Op de terugweg naar Taloqan blijkt hoeveel verschil een paar dagen kunnen maken. Halverwege, in Konduz, zijn de meeste wapens al uit het straatbeeld verdwenen. Ik zie ook geen ingegraven mortieren meer. Er lopen nog wel veel soldaten rond, maar ze zien er een stuk ontspannener uit. En jawel, de burka is hier opgetrokken tot enkelhoogte. Eenmaal in Taloqan komt hij bij de meeste vrouwen nog maar tot de knie. Ik vraag links en rechts hoelang het nog gaat duren voordat het hele ding is verdwenen. Niet lang meer, luidt de voorspelling. En het zal net zo gaan als met alle modeverschijnselen. De vrouwen van Kaboel zullen hem als eerste thuis laten. Wanneer de vrouwen in Mazar dat horen, zullen ze het niet op zich laten zitten. De andere grote steden volgen dan vanzelf, wordt me verteld. Een dag later zie ik in Taloqan de eerste vrouw zonder burka op straat.
Waar het om gaat, zo legt een groepje mannen me uit, is dat zij het hun vrouwen niet langer verbieden. Ze mogen het nu zelf weten. Hun vrouwen zullen ter gelegenheid van het Suikerfeest of voor het Offerfeest dat over enkele maanden plaatsvindt nieuwe kleren willen kopen. En om hun buren de ogen uit te steken, zullen ze de burka vanzelf thuis laten. Ik laat deze apolitieke verklaring voor wat ze is. Burkaloos, rossig en bleek als ik ben, val ik toch enigszins buiten de orde. De tienjarige Aronna loopt met me op om naar mijn gezicht te kijken. Ik vraag of ze niet naar school moet. Dat gaat ze al jaren niet, zegt ze. Maar binnenkort wel.