De universiteit als ziekenboeg

‘Zonder een stempel word je niet serieus genomen’

Strenge selectie, prestatiedwang, sociale media, bijbanen en andere verplichtingen leiden tot medische of psychische klachten bij studenten. Alleen met een officiële diagnose kunnen ze aanspraak maken op meer studietijd of andere hulp.

Large universiteit kleur

‘Ik wil net beginnen, als de eerste me aan mijn mouw trekt’, zegt Paul Kramer. Het is maandagochtend, negen uur. Kramer, gastdocent aan de Universiteit van Amsterdam, staat op het punt zijn eerste college in een nieuwe reeks aan te vangen. Hij schraapt zijn keel om de nieuwe lading pupillen tot stilte te manen, als hij ziet hoe zich bij zijn bureau een rijtje vastberaden studenten vormt. ‘Mijn naam is Pieter en ik heb autisme’, steekt nummer één van wal. ‘Ik raak van streek als ik word onderbroken.’ ‘Ik heb adhd’, zegt de volgende. Een derde: ‘Ik ben Sam en ik ben licht bipolair.’ Kramer kijkt naar de serieuze gezichten van de studenten om hem heen. ‘En het vreemde is: ze hebben allemaal een lijst met instructies voor me. Dat is echt anders dan in de jaren tachtig’, zegt hij. ‘Iedereen lijkt iets te hebben.’

In mijn tijd was het wel anders, zegt elke oudere generatie over elke jongere. Docenten die zich verwonderen over studenten, dat is niets nieuws. Toch is er wel degelijk een verschuiving gaande binnen de universiteit. Andere docenten onderschrijven Kramers observatie. Daarbij constateerde een rapport van het Interstedelijk Studentenoverleg en het Nederlands Instituut van Psychologen vorig jaar dat het steeds drukker wordt bij de studentenpsycholoog. Volgens de Landelijke Studentenvakbond geeft zelfs 49 procent van de studenten aan psychische klachten te hebben (gehad). Ook hebben de laatste jaren veel meer studenten in het hoger onderwijs een diagnose, van adhd tot borderline.

‘Steeds meer studenten stappen naar de studentenpsycholoog of de studentendecaan’, zegt Marieke de Bakker van de Universiteit Utrecht. De Bakker stuurt een team aan van studentpsychologen en -begeleiders. Die toename komt ook doordat de universiteit tegenwoordig studenten vraagt om snel aan de bel te trekken. ‘Studeren is duurder geworden en de regels rond herkansingen zijn strenger tegenwoordig. Dus als iemand een vak niet haalt, dan raden we wel aan om zo snel mogelijk met een studieadviseur en zo nodig een psycholoog te gaan praten.’ Zeker tijdens de donkere herfstdagen draaien de psychologen overuren. ‘We moeten soms wel oppassen dat we geen ggz-instelling worden. Bij ons is begeleiding kortdurend en studie-gerelateerd. Heeft een student meer nodig, dan verwijzen we door.’

Hoe komt het dat studenten zo prominent en in zulke groten getale zorg zoeken? Zijn studenten kwetsbaarder dan vroeger? Met name in het Amerikaanse debat worden deze ontwikkelingen vaak afgedaan als identiteitspolitiek. Een cultuur van slachtofferschap zou de verminderde mentale gezondheid aan de universiteit moeten verklaren. Universiteiten zelf wijzen graag naar sociale media. Met hoge cijfers, vrijwilligerswerk en ski-tripjes maken studenten zichzelf en elkaar gek, totdat iedereen met een burn-out thuis zit. Maar te weinig wordt gekeken naar de gezondheidspolitiek van de universiteit zelf. In een klimaat waarin iedereen zo goedkoop mogelijk zo excellent mogelijk moet zijn, blijkt de diagnose een belangrijke rol te spelen.

‘Ik zat aan een tafeltje in een tentamenzaal met driehonderd anderen. Ik keek naar het toetsblad en de vragen drongen niet tot me door. De tijd tikte weg.’ Charlotte de Jong kwam als achttienjarige naar Amsterdam om geneeskunde te studeren. Ze vloog zonder veel moeite door de middelbare school, maar bij geneeskunde liep ze vast. ‘Ik ging harder, harder, harder studeren en haalde lagere, lagere en lagere cijfers.’ Na vier weken kon ze terecht bij de studieadviseur. Die gaf haar een A4’tje over studiestress. Pas toen de studentenarts faalangst diagnosticeerde, kon ze passende begeleiding krijgen.

Studenten geneeskunde en diergeneeskunde lopen volgens universiteiten een relatief groot risico van een burn-out. In het vijfde jaar heeft bijna één op de zes studenten acute burn-outverschijnselen, volgens een statistisch onderzoek van De Geneeskundestudent, de belangenbehartiger van medici in opleiding. Vooral de co-assistenten hebben het zwaar, zegt onderzoeker Mirjam Kemmeren. Geneeskunde is al lang geen studie meer met een baangarantie en de competitie is hevig. ‘Co’tjes’ horen maximaal 46 uur per week te werken. In de praktijk werkt haast iedereen meer, naast bijbanen en vrijwilligerswerk. Als je ooit chirurg of kinderarts wil worden, dan moet je wel.’

Veel opleiders wuiven de kritiek weg. ‘“Pak gewoon wat vaker een biertje en dan kun je er weer tegenaan”’, parafraseert Kemmeren. ‘Zo’n reactie is natuurlijk van de zotte, want ze zitten er doorheen. Ze hebben eerder professionele hulp nodig.’ Andere geneeskundestudenten kregen een vergelijkbare reactie: ‘Als je dit niet aankunt, dan ben je misschien niet geschikt voor dit beroep.’ Hard werken en je eigen emoties managen worden gezien als noodzakelijke competenties van een aankomend arts.

Competitie en selectie zijn niet uniek voor geneeskunde. Er studeren meer Nederlanders dan ooit. In het studiejaar 2016/2017 stonden er 714.000 studenten ingeschreven in het hoger onderwijs, de helft meer dan in 2000/2001. Ondertussen zet de overheid in op Nederland als kenniseconomie. De ‘Strategische agenda 2025’ van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap benadrukt selectie aan de poort, excellentietrajecten en hogere collegegelden. ‘Studenten gaan minder lang over hun studie doen en halen er meer uit, omdat aan hogescholen en universiteiten een ambitieuzer studieklimaat heerst.’ Het onderwijs moet niet alleen breed toegankelijk zijn, maar ook tot de wereldtop behoren. En alles voor een bescheiden prijs.

En dus zetten universiteiten in op selectie en excellentie. Het Bindend Studieadvies (bsa) na het eerste studiejaar schrijft voor dat de student die na de eerste tien maanden onvoldoende studiepunten heeft behaald met de opleiding moet stoppen. De basisbeurs werd in 2015 definitief omgezet in een lening. Meer en meer mastertrajecten hanteren selectie aan de poort en ook nieuwe studenten kennen nog voor ze begonnen zijn een eerste toetsmoment in de vorm van een matching: het advies dat hieruit volgt is niet bindend, maar wordt wel opgetekend in je dossier.

In 2011 maakten universiteiten afzonderlijk met het ministerie van ocw ‘prestatieafspraken’, waarin universiteiten hoog inzetten op het toekomstig aantal studenten dat deelneemt aan excellentietrajecten, honoursprogramma’s en plusklassen. De mate waarin universiteiten in 2016 geslaagd waren in het verwezenlijken van hun speerpunten had financiële consequenties. Meer succes betekent meer geld.

Evaluatierapporten jubelden eind 2016 dat de afzonderlijke universiteiten de prestatieafspraken vrijwel allemaal waren nagekomen. Terloops noemen de rapporten een ‘klein aandachtspunt’: ‘Het bsa blijkt op sommige plekken tot toenemende studie- en/of werkdruk te leiden. Studenten kampen met meer studiestress en opleidingen hebben de indruk dat het bsa veel werk met zich meebrengt.’

Dat ligt niet alleen aan het Bindend Studieadvies zelf, dat doorgaans geen onredelijke eis is, maar vooral aan de combinatie met bijbanen en andere verplichtingen. Tussen 2004 en 2014 halveerde het aantal studenten dat geen bijbaan heeft, volgens onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Studenten werken uit geldnood, stelt het scp, en lijken meer te zijn gaan werken naarmate de financiële tegemoetkoming van de overheid lager werd. In 2014 werkte zestig procent en dat was nog voor de afschaffing van de basisbeurs.

‘Ik word er ziek van, hoe vaak ik een brief van de dokter heb moeten halen om te bewijzen dat ik hulp verdiende’

De prevalentie van burn-outs en stressklachten wijst niet op een individueel probleem, benadrukt Toske Andreoli die aan de Rijksuniversiteit Groningen afstudeert op psychologische problemen bij studenten. ‘De prestatieafspraken hebben de mogelijkheden voor anders- en laatbloeiers verder beperkt. We jagen studenten steeds meer in het nauw en we kunnen het gewoonweg niet volhouden hun dat aan te rekenen en het af te doen als een persoonlijk probleem of een individuele beperking. Het is deel van een cultuur die studenten volledig internaliseren en waarbinnen ze zichzelf voorbij hollen.’

Andreoli benadrukt dat dit welzijn een gedeelde verantwoordelijkheid van student en universiteit is. Toch worden problemen nadrukkelijk gepresenteerd als een ‘individueel probleem’, waar een student ‘zelf iets aan moet veranderen’. De boodschap: als veel studenten binnen het systeem problemen ervaren, zijn dat ‘persoonlijke belemmeringen’, die niet aan de opleidingen liggen. En waar, vanuit de universiteit, ook niets structureels aan gedaan hoeft te worden. Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen geluk en dus ook voor zijn eigen falen.

Eind 2015 kwam het Centrum Hoger Onderwijs Informatie naar buiten met een verrassend rapport. Op basis van de Nationale Studenten Enquête stelde het instituut dat het aantal studenten met een functiebeperking – dat kan alles zijn, van adhd tot slechthorendheid tot depressie – in vijf jaar met bijna de helft was toegenomen, van 6,5 naar 9,4 procent van de populatie. De studentenmonitor van het ministerie meldt in dezelfde periode een stijging van tien naar veertien procent. Wat blijkt? Studenten die eerder gewoon meer tijd zouden hebben genomen voor hun studie moeten nu een diagnose krijgen als ze langer aanspraak willen maken op meer studietijd of andere hulp. Eerder losten die studenten het zelf op: ze studeerden wat langer. Maar dat kost tegenwoordig geld.

Small staalkaart van de kamerleden

Universiteiten vragen daarom studenten met een beperking om zich snel te melden. Maar wat geldt als een beperking? De Universiteit Leiden noemt bijvoorbeeld aanhoudende vermoeidheid als een beperking. Maar is dat een beperking van een individu, of soms ook, zoals bij de co-assistenten, een logische reactie op een werkweek van vijftig uur? De definitie van een beperking is niet gebaseerd op medische feiten, maar op maatschappelijke standaarden, zegt emeritus hoogleraar wetenschapsfilosofie Trudy Dehue. ‘In het diagnosehandboek sommen psychiaters enorme reeksen menselijke eigenschappen op en voegen ze er het woord “stoornis” aan toe. Daarmee verklaren ze die eigenschappen tot het domein van de psychiatrie. Dat kan in veel gevallen zinvol zijn, maar het is niet zo vanzelfsprekend als velen nu denken. Concentratiegebrek is geen symptoom van adhd. Het is andersom: adhd is de inkadering van concentratiegebrek als een stoornis.’ De huidige samenleving, en de universiteit als afspiegeling daarvan, maken het aantrekkelijk om alles wat afwijkt van de norm het predikaat ‘stoornis’ te geven. ‘Dat is geen teken van groeiende tolerantie’, stelt Dehue, ‘het wijst juist op een stigma op afwijken.’

Universiteiten moeten veel doen met beperkte fondsen. Daarin is een diagnose een handige indicator voor wie meer ruimte en steun nodig heeft. Maar het gevaar is dat de natuurlijke verscheidenheid onder mensen wordt versimpeld tot een norm van excellentie versus alles wat daarvan afwijkt. Neem de definitie van een handicap die sommige universiteiten hanteren: ‘Onder handicap vallen alle lichamelijke, zintuiglijke en psychische aandoeningen die blijvend van aard zijn en tot studievertraging kunnen leiden.’ Voor sommigen is een diagnose een zegening. Maar het is maar de vraag of alle studenten en het hoger onderwijs zelf gebaat zijn bij deze gezondheidspolitiek.

Voor studenten die op wat voor manier dan ook problemen ondervinden bij het studeren, biedt het officieel laten diagnosticeren van deze beperkingen een mogelijkheid om alsnog de verscherpte maatregelen rondom het Bindend Studieadvies te ontlopen. Bij het uitbrengen van dit advies zijn universiteiten namelijk verplicht rekening te houden met erkende diagnoses. Ook kunnen studenten met een diagnose aanspraak maken op extra tentamentijd, een aanvullende beurs, een extra jaar studentenreisproduct, wordt de lening (deels) omgezet in een gift of is een verruimde diplomatermijn mogelijk.

Ook universiteiten hebben er baat bij deze groep te scheiden van studenten die om andere redenen afhaken. Sinds de prestatieafspraken die de universiteiten en ocw in 2011 maakten, staat ‘het terugdringen van studie-uitval’ hoog op de agenda. Studenten die zonder diagnose wellicht zouden afvallen, worden door de uitzonderingspositie en afwijkende regels die een diagnose biedt wel binnenboord gehouden. Sommigen zullen met extra begeleiding hun studie toch nog in de nominale periode kunnen afronden. En hoe succesvoller universiteiten studie-uitval tegengaan, hoe meer overheidssubsidie ze krijgen, zo wordt benoemd in de rapporten van de prestatieafspraken. Het zijn in beide gevallen perverse prikkels die zeker deels de sterke toename van diagnoses kunnen verklaren.

Sarah Klein had er bijna een jaar op zitten aan het Amsterdam University College toen haar tutor suggereerde dat ze misschien naar andere opleidingen moest gaan kijken. Klein had het niet makkelijk op de universiteit. Ze had last van angstaanvallen en depressie na een aanranding. Over dat laatste praatte ze liever niet, ook niet met haar academische begeleider. ‘Ik wilde niet dat mijn academische leven verstrengeld zou raken met mijn eigen sores.’ Toen ze zakte voor een kernvak had ze geen andere optie meer. Medische verklaringen waren een vereiste om door te kunnen studeren. ‘Ik word er ziek van, hoe vaak ik een brief van de dokter heb moeten halen om te bewijzen dat ik hulp en aandacht verdiende. Zonder een stempel word je niet serieus genomen.’

De University Colleges laten zich voorstaan op een ambitieus studieklimaat. Daar is veel vraag naar, gezien de populariteit van deze studies. Wie niet mee kan komen, moet zich verantwoorden tegenover een board of examiners. Als de student geen goede verklaring heeft, wordt hij of zij weggestuurd. De extra ruimte voor studenten met een diagnose haalt de scherpste randjes van dat beleid af. Voor dit stuk zijn vier University College-studenten met een diagnose geïnterviewd en de meesten zijn tevreden over de steun die ze hebben ontvangen. Wie dat aantoonbaar nodig had kon extra tijd krijgen voor toetsen of werd vrijgesteld van de strenge aanwezigheidseisen. Maar in andere gevallen is de medische route niet ideaal. Sarah Klein heeft inmiddels de begeleiding die ze nodig had, maar het medische circus eromheen was pijnlijk. ‘Ik voelde me steeds meer een gek.’

Voor individuele studenten is een diagnose vaak een zegening. Maar als een diagnose een vereiste wordt, zit er iets scheef. De medicalisering kan ook de aandacht afleiden van structurele problemen, zoals een te ambitieuze studiecultuur, financiële onzekerheid onder studenten of een gebrek aan openheid over angsten, depressies en stress. Zo zegt gastdocent Paul Kramer: ‘Vroeger was jezelf onderscheiden vaak politiek gemotiveerd. Daar is nu veel minder sprake van.’

De opening van het nieuwe academische jaar is een moment waarop universiteiten de toon zetten. Een nieuwe lichting studenten krijgt te horen dat ze de leiders van de toekomst zijn. Het ideaal van excellentie wordt onderstreept. Hoogleraar Trudy Dehue vertelt over een decaan van een researchmaster die studenten vertelde dat zij figuurlijk gesproken meededen aan de Olympische Spelen, terwijl studenten in de gewone master meededen aan de Paralympische Spelen.

Universiteitshoogleraar Robbert Dijkgraaf opende het nieuwe jaar op de UvA en sloeg een andere toon aan. Hij gaf alvast een mooi voorzetje om uiteindelijk de academische mentaliteit te veranderen: we verwachten het allerbeste van studenten, maar ze moeten wel binnen de tijd afstuderen. En alles binnen de universiteit moet een doel dienen, terwijl nutteloos onderzoek vaak juist tot iets onverwachts leidt. ‘Er zijn veel belangrijke kwaliteiten die we niet per se als dusdanig erkennen. Binnen de universiteit gaan we steeds meer op elkaar lijken, constant is de vraag: waar moeten we aan voldoen?’ Juist binnen de universiteit moeten we verscheidenheid van mensen en methodes steunen en ruimte bieden voor eigengereidheid en verschil.

De namen van Paul Kramer, Charlotte de Jong en Sarah Klein zijn op verzoek van de geïnterviewden gefingeerd. Hun echte namen zijn bekend bij de redactie