Zonder fluit

Waren Hollandse stillevens veelal grijs en karig, de Vlaamse waren vaak joyeus en overvloedig, zoals te zien bij Adriaen van Utrecht.

Op een gegeven moment is een weelderig schilderij als dit Stilleven uit 1644 een ‘pronkstilleven’ gaan heten. Het is van de Antwerpse meester Adriaen van Utrecht. Die is geboren in 1599, en toen hij als jonge tiener voor schilder aan het leren was, begon Rubens naar de hoogte van zijn roem te groeien. Diens baanbrekende altaarstuk in de kathedraal van Antwerpen, de spectaculaire kruisoprichting, is in de jaren 1609-1611 geschilderd. Rubens domineerde de Vlaamse kunst. Zodanig was zijn faam dat hij jarenlang ook in de Republiek (door de gecultiveerde Constantijn Huygens bijvoorbeeld) beschouwd werd als de grootste schilder in de Lage Landen. Rembrandt kwam toen pas kijken – en van het begin af aan vond men in betere kringen zijn kunst, als het om grote opdrachten ging, wat zonderling en stug. Dezelfde Huygens, die niet tegen Rembrandt was, had er als adviseur toch voor gezorgd dat Jacob Jordaens, uit de omgeving van Rubens, eind jaren 1640 de hoofdschilder werd voor de Sael van Oranje in Huis ten Bosch. Weliswaar had Rembrandt in 1642 in De nachtwacht getoond een groot formaat aan te kunnen, toch was er enige twijfel of hij zich zou kunnen uitdrukken in de vloeiende, hoofse stijl waarin Jordaens de Apotheose van Frederik Hendrik wel vlot kon schilderen. Misschien zijn Vlaamse kunstenaars sowieso sierlijker van stijl. Daarom is het logisch, en geheel in de traditie, dat het opnieuw een Antwerpse meester was, Luc Tuymans, die onlangs een voornaam portret mocht maken van koningin Beatrix, in stemmig grijs-roze poserend voor, jazeker, de Jordaens in de Oranjezaal.

Het stilleven van Adriaen van Utrecht, dat wil ik zeggen, is een werk dat geheel en al uit de artistieke sfeer van Rubens stamt. Dat was onvermijdelijk. In die joyeuze context heeft de zakelijke schilder, als toen gebruikelijk, zich gespecialiseerd in juist dit type opulente schilderijen. In hoofdzaak zijn het zulke volgetaste stillevens als deze hier – en in de eerste plaats zijn ze vooral groot. De eerste klap is dan een daalder waard. Ze zijn volstrekt anders dan het typisch Hollandse stilleven dat vaak grijzer en kariger is en waarin de pracht der dingen wordt getemperd in een beheerst clair-obscur. Daar past een klein, beschouwelijk formaat bij – waarin de dingen, op ware grootte, dichtbij blijven en geproefd kunnen worden. Ze zijn intiem van stemming terwijl dit Vlaamse stilleven zich stralend en weids openvouwt en letterlijk pronkt met al het schoons wat het ons oog aanbiedt.

Vroeger, toen het cliché Nederland-Vlaanderen ons parten speelde, vond ik dit soort volgepropte schilderijen overdreven en irritant, niet ernstig genoeg. Wat zou Mondriaan ervan vinden? Inmiddels werden ons kijken en onze smaak gecorrigeerd door eerst pop art en daarna nog door de voluptas van Damien Hirst en Jeff Koons en dezulken. Nu zie ik het stil­leven als een theatrale productie met een hoofdrol voor de enorme rode kreeft en met daarnaast een geheimzinnige aanwezigheid van de slanke papegaai. Ik kijk met geduld naar de sluw in elkaar gezette mise-en-scène en vind visueel plezier in de schakeringen van dingen en kleuren en in hun belichting, en geleidelijk aan vind ik dat de kreeft te groot is. Biologisch gezien is dat misschien niet zo. Maar kijk hoe hij daar ligt op een schaal, en op een geplooid wit laken waarvan het beest naar voren toe bijna lijkt af te glijden. Het effect van die positionering is dat de kreeft groter lijkt – als de schilder hem stiekem al niet wat groter heeft afgebeeld. Op enige afstand zit de papegaai naar dit spektakel te kijken.

Doorgaans zijn stillevens verbonden met een vanitas-gedachte. Die is hier niet helemaal afwezig maar wel bijna. Klassiek is een muziekinstrument tussen de andere spullen, in Hollandse stillevens vaak de simpele fluit. Zelfs de mooiste muziek, laat die weten, sterft weer weg. Wat we ook veel zien is beginnend bederf en rot aan de etenswaren. Maar dit pronkstilleven gaat vooral over kleurrijke en sappige luister. De dood moeten we erbij denken. Wat elders een fluit was, is nu (linksonder) een schitterend arrangement van snaarinstrumenten tegen een rijk beklede stoel met daarop nog een gouden schaal en kan. Zo zit het hele schilderij vol met luxe – en dat alles, al die dingen, in een schitterend geplooide compositie. Vroeger, herinner ik me, werd dit werk nauwelijks vertoond. Niet streng genoeg voor ons gevoel. Achteraf zien we dat Adriaen van Utrecht een schilderij heeft gemaakt dat het nu makkelijk kan opnemen tegen het kleurgeweld van de televisie en wervelende musicals. Zo blijkt dat de tijd de dingen steeds opnieuw ordent. Ik vind het nu een onderhoudend schilderij.


PS Een replica van de Oranjezaal is tot eind a_ugustus te zien in de Grote Kerk in Den Haag_, in het kader van de Huygens-tentoonstelling. Het portret van Tuymans hangt in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Zie ook mijn bundel Kijken 2, zojuist verschenen