Zonder idee voor hoe lang

De kandidaten voor de Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut zijn ook dit jaar weer echte debutanten: zoekend naar zichzelf, maar niet geheel verstoken van talent, soms.

Debuutbundels zijn zelden echt goed en verkopen doen ze al helemaal niet. Daarom is het een klein wonder dat er ieder jaar opnieuw uitgevers zijn die de moed hebben verse dichters te lanceren, van wie maar moet worden afgewacht of hun werk enige weerklank zal vinden en of ze zich zullen ontwikkelen tot volwaardige literatoren. Gerenommeerde uitgeverijen zijn voorzichtig met debuten, al is het alleen omdat ze per jaar slechts een gering aantal dichtbundels kunnen uitbrengen, waarbij de oudgedienden nu eenmaal voorrang hebben. En kleine uitgevers, die sowieso een beperkter bereik hebben, hebben evenmin belang bij het produceren van onverkoopbare boeken.
Van de 24 debuutbundels die werden ingezonden voor de Buddingh’-prijs kwamen er twee uit bij Querido, een bij De Bezige Bij, een bij Van Oorschot en een bij Nijgh & Van Ditmar. Hoewel Veen, In de Knipscheer, de Wereldbibliotheek, Thomas Rap en Van Gennep geen onbeduidende uitgeverijen zijn, staan ze niet bekend als uitermate actief op het terrein van de poëzie, hetgeen de vraag oproept of ze voldoende expertise in huis hebben om talent te kunnen spotten. Niettemin brachten ze alle vijf hoopvol een debuut uit. Daarnaast verschenen er bundels bij De Contrabas, De Wintertuin, De Witte Uitgeverij, Servo, Douane, De Manke God, Van Kemenade en Voetnoot en in eigen beheer. Wat een optimisten! En wat een treurig stemmende gedachte dat de meeste van deze boeken - in enkele gevallen terecht - in een zwart gat zullen verdwijnen.
De vier genomineerde bundels bevatten, zoals te verwachten, nogal wat goede, maar ook heel wat matige gedichten. De dichters, twee mannen en twee vrouwen, zijn jong en vastbesloten het in de literatuur te gaan maken, want ze timmeren stevig aan de weg in tijdschriften, op internet en op diverse podia. Of ze de potentie hebben uit te groeien tot winnaars van de P.C. Hooft-prijs moeten we nog afwachten, zeker is dat alle vier de boeken de moeite van het lezen waard zijn.
Marjolein van Heemstra (1981) is de oudste van de vier. De verschijning van Als Mozes had doorgevraagd (eerder in De Groene besproken) ging gepaard met een knap geregisseerde stunt: een bont gezelschap van vrienden, familieleden en bekende Nederlanders kreeg het verzoek een gedicht uit de bundel voor te lezen, en filmpjes van de voordracht werden op internet geplaatst. Met Van Heemstra’s gevoel voor publiciteit zit het wel goed. De dichter onderzoekt op subtiele wijze haar positie als mens in de wereld, die sub specie aeternitatis weinig om het lijf heeft, maar desondanks verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Van Heemstra is, zonder zwaarwichtig te zijn, een moreel gedreven observator van het menselijk tekort: ‘Kijk, zeg ik, een huid doet ons vergaan/ verknelt wat eeuwig is tussen organen/ pekelt tijd tot onherhaalbaar droge beelden’. Dat de spreker in dit gedicht te veel gedronken heeft, verklaart wellicht de hang naar grote woorden.
Dennis Gaens (1982), dit jaar stadsdichter van Nijmegen, schreef een bij vlagen hilarisch boek, waarin nuchter een rommelig en ongericht bestaan wordt opgeroepen. Doorgaans, aldus de dichter, houden we ons hoofd gescheiden van het lichaam, maar uitzonderingen zijn:

1) als onze kleren niet meer zitten zoals ze gezeten hebben;
2) als de geheimen die we houden te veel worden en;
3) vrijdags

De vorm suggereert een poging tot methodisch denken, maar de incongruentie van de opsomming maakt duidelijk dat er weinig systeem in de wereld valt te ontdekken. 'We weten’, zo vervolgt het gedicht, 'dat de nieuwslezers niet echt met ons praten/ en oefenen vliegen voor de spiegel, ook al weten we dat/ Superman inmiddels definitief dood is.’ De protagonist is een voorbijganger in een vreemde omgeving. 'Ik forceer mezelf de douche uit, naar buiten en zie:/ ik en mijn mensen, wij bouwen geen huizen meer.’ Rilke had niet kunnen bevroeden dat zijn vermaarde regel - 'Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr’ - dit vervolg zou krijgen:

Wij nemen intrek, schilderen muren in mengkleuren
en zonder idee voor hoelang we blijven boren we
gaten in gips en beton.

Lieke Marsman (1990) is beslist begaafd, maar Wat ik mijzelf graag voorhoud is het werk van een dichter die zichzelf nog aan het uitvinden is en de geboorte van het dichterschap met de lezer wil delen. Ten onrechte. Vrijwel iedere pagina bewijst dat Marsman op eigenzinnige wijze naar de werkelijkheid kijkt, maar veel gedichten zijn oeverloos, ontberen technische souplesse of zwelgen in onvergeeflijke woordspelingen, bovendien verwijst ze tot vervelens toe naar het schrijven als een uitzonderlijke gave. Daarbij is het boek slordig geredigeerd.
'Dit is onze slaapkamer’, zo begint een van de gedichten, al 'sliepen er veel mensen voor ons,/ al sliepen er veel mensen met ons’. Dan volgt een gewaagde stelling: 'Een ruimte is van wie er vannacht het vaakst heeft geademd’, waarin de tijdsbepaling 'vannacht’ botst met de algemeenheid van de rest van de zin. Als in een bewijsvoering zet de dichter nu een voorbeeld in om de stelling te onderbouwen: 'Iemand zegt: toen mijn vader stierf, was het huis voor altijd/ van hem. Wij erfden het, maar hij had er het vaakst niet geademd.’ De verrassende ontkenning is typerend voor Marsmans poëzie, waarin de uitgangssituatie van een gedicht vaak aanleiding geeft tot beschouwingen waarvan de focus per zin lijkt te verschuiven. De bundel is onvoldragen, maar maakt benieuwd naar het vervolg.
Meisje dat ik nog moet is verreweg de meest consistente van de vier bundels. De Vlaming Y.M. Dangre (1987), die vorig jaar al met een roman debuteerde, laat zien dat hij ook als dichter van wanten weet. De bundel staat stijf van de erotiek en doet in zijn Sturm und Drang denken aan Claus’ Oostakkerse gedichten, al heeft Dangre een dermate sterk ontwikkeld gevoel voor structuur dat hij tevens een rederijker is. Hij is een ironische romanticus op zoek naar de ideale vrouw, die per definitie onbereikbaar moet blijven. Vandaar dat de aanbedene geassocieerd kan worden met de Maagd Maria: 'Voel mij bidden, meisje in mijn midden,/ meisje in wie ik zit gekneld,/ geknield op mijn geschaafde klapzoenen’. Dangre’s beeldtaal is zelfbewust en op een vrolijke manier monomaan, al is ook hij nog te veel bezig met de genade van het dichterschap. Een strofe als deze getuigt van durf:

Jij zal weggaan, Aurora,
doorwaadbare muze in wie ik
mijn staart en mijn krekels roer,
drinkbaar lijf dat al het oproer
van mijn zintuigen herbergt
en neerslaat.

Dat Dangre een verhaal kan vertellen, blijkt uit de reeks 'Onze woonst’, die zich in cynisme kan meten met Het huwelijk van Elsschot: 'Wij worden oud en kinderlijk en denken/ dat het went’. Vivaldi biedt een levensreis in vier seizoenen, een enorm cliché natuurlijk, maar virtuoos uitgevoerd:

Daarom vertrekken wij in deze herfst nog eenmaal
naar ons, naar dat in stilte verzonken bos van billen
en schaamhaar, van wij die zo wijd vertakten,
aldoor openwaaiden en muziek speelden in de nerven
van elkaars verbeelding, bladgroen van nijd
om wat wij nu geworden zijn.

Deze nazaat van de Occitaanse troubadours verdient de Buddingh’-prijs.

Y.M. DANGRE
MEISJE DAT IK NOG MOET
De Bezige Bij Antwerpen, 62 blz., € 19,95

DENNIS GAENS
IK EN MIJN MENSEN
Van Gennep, 72 blz., € 16,-

MARJOLEIN VAN HEEMSTRA
ALS MOZES HAD DOORGEVRAAGD
Thomas Rap, 64 blz., € 15,-

LIEKE MARSMAN
WAT IK MIJZELF GRAAG VOORHOUD
Van Oorschot, € 14,50