MUZIEKTHEATER Die Fledermaus

ZONDER JONGETJE

Het waren zeer gemengde gevoelens waarmee Martin van Amerongen en ik 21 jaar geleden, op 1 juni 1987, naar de première van Die Fledermaus in het Amsterdamse Muziektheater gingen. We hadden beiden, hij in Vrij Nederland en ik in De Groene Amsterdammer, hevig tegen de bouw van die oerlelijke Stopera gefulmineerd. Ik vond het idioot dat het veertigste Holland Festival geopend werd met een operette, al is het de beste aller operettes, en ik beschouwde dat als een teken van de midlifecrisis van het festival. Martin had niet al te beste herinneringen aan een aantal heimische ensceneringen van deze operette uit 1874 in het Duitse taalgebied: ‘Het was een deprimerend stemmende aaneenschakeling van vettige knipogen, naar damesboezems loerende tenoren en in kamerkatkontjes knijpende bassen en baritons.’
Maar Jan van Vlijmen, toen nog directeur van de opera, had een aantal verrassingen voor ons. Het Concertgebouworkest werd gedirigeerd door de grote barokspecialist Nikolaus Harnoncourt, in een langzaam, zorgvuldig tempo, want hij vond dat we met de operette van Johan Strauss uit 1874 met een muzikaal meesterwerk van doen hadden. Andreas Reinhardt had een prachtig en levensgroot rozerood poppenhuis ontworpen als decor van het eerste bedrijf. Peter Pabst had voor het feest in het tweede bedrijf zeer onflatteuze, soms foeilelijke toiletten gemaakt, waardoor het een afstotend bacchanaal werd. Regisseur Johannes Schaaf had van de operette een maatschappijkritische aanklacht gemaakt tegen de decadentie van de rijke bontjassendragers.
Maar de grootste regievondst was dat de verveelde en verwende Russische prins Orlofsky hier een veertienjarig jongetje was. ‘Hoe lang sleep ik Strauss’ Fledermaus nu al met mij mee?’ vroeg Martin van Amerongen zich af in De Groene Amsterdammer: ‘Soms heeft hij mij vermaakt, veelal heeft hij mij geërgerd. Voor het eerst ben ik door een godswonder waarachtig ontroerd.’ We hadden een steenrijk, verveeld en vereenzaamd kind gezien, in wiens onschuldige ogen alle intriges en verwikkelingen van elkaar bedriegende echtgenoten en echtgenotes lelijk en afstotend waren. Alsof hij zijn ouders per ongeluk in de meest compromitterende omstandigheden zag. Het was in meer opzichten verpletterend.
Diezelfde voorstelling speelt De Nederlandse Opera deze decembermaand opnieuw, als kerstsurprise. Maar zonder jongetje. Prins Orlofsky is nu weer gewoon een mezzosopraan in travestie, en hoewel Maria Riccarda Wesseling overtuigend een slungelige puber speelt en zingt, is dat toch heel iets anders dan een jongetje van dertien of veertien. Het concept is hetzelfde gebleven, de satire in de regie is er nog, maar de ontroering is weg. Door de harde hand van de arbeidsinspectie?
Een jonge dirigent, Friedrich Haider, maakte zijn debuut in Amsterdam en sprong en danste dat het een lust was, maar het Nederlands Philharmonisch Orkest trok zich daar niets van aan en speelde de fraaie muziek van Strauss erg middelmatig, niet spits en geestig, maar ook niet met de ragfijne zorgvuldigheid van Harnoncourt. De zangers waren ieder op zich wel overtuigend, maar gecombineerd klonk het soms afschuwelijk.
Er is in Nederland een discussie op gang gebracht of het genre operette niet aan een herleving toe is. De weergaloze melodieën van Strauss rechtvaardigen die gedachte inderdaad. Maar als een opzienbarende voorstelling van de operette der operettes in 21 jaar zo kan verslijten, ben ik bang dat het antwoord toch nee moet zijn.

De Nederlandse Opera, Die Fledermaus, t/m 28 december, Muziektheater Amsterdam.
www.dno.nl