Ode aan het publiek

‘Zonder jullie stellen deze woorden niks voor’

Geluidenmakers probeerden afgelopen coronajaar het afwezige publiek tijdens voetbalwedstrijden en tv-shows te compenseren – onmogelijk in het theater. ‘Wat zijn wij zonder u en waar zullen wij in de toekomst zijn?’

Blindness in Carré. Amsterdam, 13 oktober © Joris van Gennip / ANP

Het was pauze in de schouwburg van Amsterdam, en aan het publiek kon je aflezen in welk deel van het afgelopen coronajaar we zaten. Voor de lockdown in maart zei de hoeveelheid bezoekers nog iets over de populariteit van een voorstelling. Daarna gold er een nieuwe logica. Honderd man verspreid tussen afgeplakte stoelen: het was september. De eerste helft van een toneelvoorstelling had de bezoekers even doen vergeten dat alles anders was. Het circus van de publieksverplaatsing maakte daar korte metten mee. Met verkeersregelaarsgebaren dirigeerde een medewerkster linksvoor de toeschouwers rij voor rij de zaal uit. Opstaan als het je beurt is en dan moven.

De enige toegewezen uitgang zorgde voor filevorming op anderhalve meter afstand. Aangekomen in het ruime trappenstelsel van de Rabozaal was daar niet de verwachte bewegingsvrijheid. Met luide stem stond op de gang een schouwburgmatrone het volk op te splitsen. Een toegebruld ‘Plassen?’ bracht ieder passerend individu verschrikt tot stilstand. Een wijzende vinger liet niemand ontsnappen aan een keuze die onmiddellijk moest worden gemaakt. ‘Plassen? Eerst plassen, dan drankje halen!’ wees de verkeersregelaar naar links. ‘Niet plassen? Daar drankje halen!’ beval ze de niet-wc-behoeftigen de trap op. Wie probeerde om tegen een gangmuur geleund de pauze keuzeloos door te brengen, werd al gauw gesnapt. ‘Staat u op iemand te wachten? Nee? Dan drankje halen!’

Het flesje water dat bij het gesloten theatercafé op de route terug naar de zaal kon worden opgepikt, was een aardige geste van het Internationaal Theater Amsterdam. Maar de straffe hand waarmee de pauzerenden het gebouw door werden gejaagd, was weinig ontspannend. De bewegingscontrole van de brave toneelkijkers, voornamelijk vijftigplussers, leek geschikter voor uitgelaten popconcertpubliek of voetbalsupporters. En het optreden van de faciliterende schouwburgkrachten was demonstratiever dan dat van de acteurs.

Publiekscirculatie wordt de belangrijkste bezigheid van een kunstinstelling, voorspelde de Franse filosoof Jean Baudrillard decennia geleden. Aanleiding voor de voorspelling was de opening van het Parijse Centre Pompidou in 1977. In de voorgevel van dit architecturale hoogstandje ontwaarde Baudrillard een virus dat in díe tijd om zich heen begon te grijpen: een toenemende verheerlijking van het massapubliek door musea. De doorzichtige roltrapbuizen aan de voorzijde van het gebouw plaatsen niet de kunstwerken in de etalage maar de bezoekers. Massa wordt hier ingezet als reclame; het maakt niet uit welke tentoonstelling er is, de publiekstrekker is het spektakel van de buizen vol doorstromend publiek.

Het is een wrede bijkomstigheid van de coronacrisis dat het protocollaire managen van de publiekscirculatie momenteel de kijkervaring domineert. In het theater, de bioscoop en het museum ben je veiliger dan in de supermarkt, maar dankzij de naleving van de voorschriften is de sjeu van het uitje er een beetje af. De ene instelling vindt een soepeler doorstroomsysteem en een betere aanspreektoon dan de ander. Bij locatievoorstellingen worden de gedragsregels soms aangenaam onderdeel van het avontuur.

Bij Spectrum van Boukje Schweigmann op het uitgeklede Boulevard-festival wisten zachtmoedige publieksbegeleiders het isoleren van toeschouwers en het opdoen van het verplichte mondkapje in te bedden in het sfeervolle begin van een individuele reis naar verstilling. Voor het Stedelijk Museum Alkmaar transformeerde kunstenaarscollectief Circus Engelbregt de bewegwijzering in een vrolijk makende toevoeging op het kunstbezoek: felgekleurde verkeersborden op de vloer met ‘KIJK AAN’ en ‘KIJK UIT’, geruststellende teksten in roze krulletters op de muren – ‘Hier mag u ontspannen’ – en de absurdistische vermeerdering van dat ene zeeppompje waarvoor je in de rij moet staan tot een dwaalbos van tweehonderd stuks.

Maar doorgaans hebben fijne randverschijnselen als het drankje voor- en achteraf, het knus blijven hangen in de zaal of rondneuzen in de museumwinkel plaatsgemaakt voor wachten in een kale hal, het volgen van routepijlen op straffe van een reprimande en de onmiddellijke verwijdering uit het gebouw na afloop. Doorgewinterd publiek merkt nu pas hoe belangrijk die randverschijnselen eigenlijk zijn, en hoe vanzelfsprekend daar altijd in is voorzien. De verschraalde ervaring zorgt ervoor dat de mensen minder zin hebben om te gaan. Terwijl de producenten van de toegestane uitjes zich tegen de klippen op inspannen om die mogelijk te maken, en ze dringend behoefte hebben aan bezoekers.

Niet eerder in de Nederlandse evenementengeschiedenis is er zo naar publiek gesmacht. Schouwburgen, musea en concertzalen laten weten het niet te redden zonder (meer) mensen in hun zalen. Voetbalclubs smeekten de regering voor de recente lockdown om te kunnen experimenteren met een gecontroleerde tribunebezetting. Cabaretiers wendden zich in de aanloop naar hun oudejaarsconferenties tot politici, burgemeesters en veiligheidsregio’s uit angst dat hun televisieregistraties bij gebrek aan een volle theaterzaal in het water zullen vallen. Talentenshow The Voice of Holland waarschuwde in persberichten dat de ‘Battles’ die volgen op de auditierondes dit jaar zonder studiopubliek worden opgenomen en sprak de vrees uit dat ook de afsluitende serie live-uitzendingen hieronder zouden gaan lijden. Wij kunnen niet zonder toeloop in onze stadions, schouwburgen, musea en tv-studio’s, is de boodschap.

‘Wij hebben u nodig’, sprak op de dag dat de theaters na de eerste lockdown weer opengingen actrice Romana Vrede tot de aanwezige toeschouwers in de Koninklijke Schouwburg van Den Haag. ‘Wat zijn wij zonder u. Waar waren we zonder u, en waar zullen wij in de toekomst zijn. Nergens zonder u.’ Bijgestaan door collega-acteurs van Het Nationale Theater die achter de actrice kwamen staan, en met de andere medewerkers van het grote gezelschap in Zoom-kaders op de achterwand, verklaarde Vrede het publiek twintig minuten lang de liefde. ‘Wij houden van u! U en ik is het mooiste wat er is. U bent adembenemend. Ik ben gék op u.’

De tekst komt uit Liefdesverklaring (voor altijd), een voorstelling van Het Zuidelijk Toneel die twee seizoenen geleden uitverkochte zalen trok. Het is een omkering van Peter Handke’s beroemde stuk Publikumsbeschimpfung uit 1966. Toneelschrijver Magne van den Berg en regisseur Nicole Beutler behielden in hun versie Handke’s scherpzinnige analyse van de verhouding tussen spelers en publiek, maar lieten dit niet uitmonden in de bloemrijke scheldpartij waarin de Oostenrijkse schrijver de toeschouwers (verwijzend naar het naziverleden) passiviteit en meeloperij verweet. In plaats daarvan werd het publiek door vier doorgewinterde acteurs verbaal gekoesterd en bedankt voor hun trouw.

Het was begrijpelijk dat Het Nationale Toneel deze tekst aanhaalde in zijn heropeningsprogramma vol korte voorstellingen. Eigenlijk was het afgelopen coronajaar één grote liefdesverklaring aan het publiek. Dat werd niet alleen gemist als broodnodige inkomstenverschaffer. Het werd gemist als deelnemer aan een gebeurtenis die pas tot leven komt in de aanwezigheid van het zichtbare en hoorbare.

Bij de Haagse heropeningsviering zaten de dertig toegestane toeschouwers niet in een verdonkerde zaal, maar op het podium in het licht. Achter hen gaapte de verlaten schouwburgzaal. Het grafveldbeeld van een leger onbezielde stoelen werd het afgelopen jaar iconisch voor het Grote Gemis. Bij sportverslagen op televisie raakten de kijkers vertrouwd met het omineuze stiltedecor van uitgestorven stadiontribunes. Theatermaker Nasrdin Dchar sloot de gestreamde première van zijn nieuwe solovoorstelling Adem af door de laatste scène uit te spreken met zijn rug naar de zaal. De camera van ITALive, de in coronatijd opgerichte streaming-tak van het Internationaal Theater Amsterdam, toonde zijn sprekende gestalte voor de levenloze pluche-rijen tot in de nok van de vergulde bonbonschouwburg. Om te tonen wie er na afloop niet zou applaudisseren, wie er niet had gelachen op de grappige momenten. En wie niet ter plekke had meegedaan met zijn spelletje ‘hints’ dat met de tweeduizend onzichtbare en onhoorbare internetkijkers een nogal eenzaam gebeuren was geweest.

Theater Carré haalde in coronatijd een succesvolle Londense productie naar Nederland waarin de lege zaal op een prachtige manier gekoppeld werd aan de inhoud van de voorstelling. Dertig toeschouwers werden bij Blindness via de achterkant van het theater door de gangen naar het compleet verduisterde podium geleid. Daar luisterden ze met koptelefoons op naar een hoorspelversie in bijna tastbaar 3D-geluid van José Saramago’s beroemde roman over een virus dat de bewoners van een wereldstad met plotselinge blindheid slaat. Omsloten door het donker werden de toeschouwers toegefluisterd alsof zij de in een verlaten gevangenis bijeengedreven blinden waren. Tegen het eind keek de vertelster, die in het dystopische verhaal als enige haar zicht behoudt en het blindengezelschap helpt ontsnappen naar haar woning, vanaf haar hooggelegen terras uit over de stilgevallen stad. Op dat moment ging het brandscherm van Carré omhoog en doemde vanuit de schemering de slagorde van onbezette theaterstoelen op, die het kil makende visioen opriep van flatgebouwen zonder bewoners.

Museum Voorlinden in Wassenaar. 1 juni © David van Dam / de Beeldunie

De huivering die afwezig tv-publiek oproept, overviel Vooravond-presentator Fidan Ekiz toen ze na het losse beginpraatje-in-het-café samen met collega Renze Klamer de studio betrad. De spooky stilte daar joeg ineens een rilling door haar lichaam. ‘Er is hier helemaal niemand!’ riep ze spontaan uit terwijl ze verwilderd om zich heen keek. ‘Daar komt straks verandering in’, stelde Klamer haar gerust, vooruitwijzend naar de tafelgasten die later binnen zouden komen.

Het grafveldbeeld van een leger onbezielde stoelen werd het afgelopen jaar iconisch voor het Grote Gemis

Bij een show als Miljoenenjacht konden de met schemerlampen gezellig gemaakte publiekszitjes voor op afstand verspreide eenlingen en duo’s niet voorkomen dat het opgewonden gekwaak van Linda de Mol akelig hol klonk in de galmende studioruimte. En omdat haar andere kijkcijferkanon Ik hou van Holland het moest doen zonder uitzinnig in oranje en rood-wit-blauw toegetakelde publieksteams – ‘Die grote, gezellige, rámvolle tribunes, dat kán gewoon niet in deze tijd’ – ondersteunde De Mol daar haar schril klinkende schaterlach met ingeblikte bijval. Die kon zij eigenhandig inzetten middels twee knopjes op haar desk, het ene voor groepsgebulder en het andere voor joelend geklap. Na een snel beantwoorde muziek-raadvraag: ‘Ik gooi er een applausje in, want ik vind dit echt héél goed!’ Extra tv-hilariteit veroorzaakte De Mol door de lachband plagerig in te schakelen als een deelnemende BN’er niet uit z’n woorden kwam of een grap te lang uitmolk: ‘Ik lach je even áf.’

Ingeblikt publieksgeluid werd ook geïntroduceerd bij voetbalwedstrijden op tv. Een geheel nieuwe functie werd daarmee toegevoegd aan het verslaggeversteam: Tonregisseur heet in Duitsland degene die de uitzending live verlevendigt met opgenomen reacties van opgewonden fans.

Bij de tv-kijkers thuis kon dat een Hans Klok-ervaring opleveren. Liep je bij dode spelmomenten weg van het beeldscherm, dan klonk er door de kamer het vertrouwde massale gezang. Snelde je bij aanzwellend gejuich terug om te zien wat er gebeurde, dan waren de lawaaimakers uit het stadion verdwenen. Ook als je bleef kijken zorgden de fictieve publieksreacties voor een vaag gevoel van gemis. In de loop van een paar maanden hebben de geluidenmakers hun arsenaal uitgebreid en verfijnd; er wordt zelfs geput uit oude uitzendingen om elke batterij clubfans herkenbaar te maken via hun eigen spreekkoren en liedjes.

Maar wat voetbalpubliek vervaarlijk maakt – en een live-uitzending extra spannend – is hoe het de randen opzoekt van wat aangenaam, redelijk en toegestaan is. Een speler non-stop uitfluiten omdat die bij de tegenstander is gaan werken, vuurwerk afsteken op de tribune, uit woede of verveling dingen op het veld gooien, leuzen scanderen die de wedstrijd stil zouden kunnen leggen. De geluidenmaker die momenteel ook als een soort dj ín het stadion de effecten mixt, zorgt voor een afvlakkende verbraving. Het Ajax-geuzenlied ‘Wie niet springt die is geen jood!’, tijdens een competitiewedstrijd in oktober te horen, bleek een vergissing waar uitzender Fox Sports achteraf excuses voor aanbood. Dan zijn er nog de vertraging in de uitingen van het artificiële publiek, dat weinig voorziet en pas na acties reageert. Op de radio noemden de commentatoren van sportprogramma BVSC het televisieverslag van Ajax-Tottingham ‘een comedyshow met een nét fout getimede lachband’.

Fictief geluid werd bij tv-voetbal, waar peperdure uitzendrechten met reclame-inkomsten moeten worden terugbetaald, nodig geacht om de thuisbeleving aantrekkelijker te maken. En om het belang te onderstrepen van wedstrijden uit de (inter)nationale competities. Op een veld waar je alleen het geschreeuw hoort van coaches en spelers lijkt een prestigieus tv-duel op een amateurpot uit de laagste klasse. De suggestie van massaal bezoek werd, om met Baudrillard te spreken, ingezet als publiekstrekker voor de kijkersmassa thuis.

In de kunstsector is de elitaire oproep van Baudrillard al lang achterhaald, net als Peter Handke’s keiharde publieksbejegening. Decennia van nivellerend subsidiebeleid hebben van kunstenaars ondernemers gemaakt met een inkomstenverplichting, die de taak hebben publiek te vermeerderen in plaats van met confronterende experimenten de zalen uit te jagen. In Nederland is het onderscheid tussen commerciële en artistieke ondernemingen vervaagd. In de coronacrisis kwam dit hoogstens terug in een vrijgemaakt steunbudget voor het noodlijdende theater dat niet bedoeld was voor vrije producenten. Maar het actief binnenhalen en koesteren van zo veel mogelijk bezoekers is onderdeel geworden van elke artistieke strategie.

En niet eerder werd bij kunstevenementen het verlangen naar massa zo manifest als in het afgelopen jaar. Dat speelde vooral op in de periodes waarin een beperkt publiek was toegestaan. Met dertig of honderd man op anderhalve meter wordt het bijwonen van een concert geen collectieve belevenis. De smeekbede van Youp van ’t Hek, later bijgestaan door collega-cabaretier Guido Weijers, om voor hun oudejaarsavonduitzendingen een uitzondering te maken, ging over het gebrek aan massa bij het live-publiek. ‘Een lach moet door een zaal kunnen rollen’, aldus Van ’t Hek.

Museumbezoekers waren voor even verlost van voordringers en vastleggers, maar het met twee man tegelijk betreden van een tentoonstellingsruimte terwijl de eerstvolgenden je met hun ongeduldige blikken fixeren, doet verlangen naar onbespied je eigen weg zoeken in de drukte. De onmogelijkheid om nog op te gaan in een menigte maakte bezoek aan kleine zalen een overbewuste aangelegenheid. Toneelgangers die zich gewoonlijk ergeren aan te nadrukkelijk aanwezig medepubliek, bemerkten hoe kaal en koud een zaal is zonder directe buren naast, achter of voor zich. Acteur Hans Kesting vertelde in tv-programma Volle zalen dat de première van zijn ita-solovoorstelling Wie heeft mijn vader vermoord onverwacht stroef verliep. De doorgewinterde publieksbespeler was overvallen door de stilte aan de overkant, waar dertig bezoekers geïsoleerd van elkaar naar hem zaten te turen.

Het gebrek aan zaal-, studio- of stadionmassa maakte het afgelopen jaar duidelijk hoeveel functies live-publiek vervult. Het bevestigt het belang van het gebodene, verhoogt de spanning van een gebeurtenis, dient als ruimteverwarmer en geluidsdemper. Dat Vitesse-speler Tannane bij een duel in oktober een rode kaart kreeg omdat hij de scheidsrechter uitschold voor ‘mafkees’ en ‘clown’, kwam volgens de tv-commentatoren door het afwezige publiek. ‘Je moet zoiets gewoon negeren’, bekritiseerden ze bij Veronica Inside de overtrokken reactie van de scheids. ‘Maar dat kan niet als je in het stadion ineens alles hoort!’

Presentatoren van talkshows en van satirische programma’s misten studiovolk om mee te sparren: snedige uitspraken bleven zonder lachende omstanders in de leegte hangen en grove grappen werden niet verzacht door een geschokt ‘Ooooh!’ Bij de auditierondes van The Voice of Holland is het hoorbare enthousiasme van het studiopubliek een graadmeter voor de jury op de omgedraaide stoelen die de kandidaten niet kan zien. ‘Vonden jullie het goed?’ riep jurylid Ali B toen de tribune teleurgesteld reageerde op de blinde afwijzing van een zanger. ‘Dan hadden jullie dat wel wat meer kunnen laten merken!’ Maar die macht heeft een gedecimeerd en in losse plukjes verspreid publiek niet.

Bijzonder van dit coronajaar is de aandacht die de wisselwerking met het publiek ineens kreeg. En de invloed die een gevulde tribune heeft op het verloop van een live-gebeurtenis. Theatermakers weten altijd al dat het uitmaakt of een zaal welwillend is of terughoudend, en dat een recensie een momentopname is van een voorstelling die per avond beter of minder goed uitpakt. Nu werd hardop benoemd hoe ingrijpend gebrek aan bijval kan zijn.

Een verslaggever van het NK-schaatsen zei dat hij het gemis van een juichende oranjezee kon aflezen aan de minder snelle tijden die de langebaanschaatsers hadden neergezet. Voetbalclub ADO Den Haag kreeg na een verloren wedstrijd het inlevende commentaar dat er geen fans waren geweest die de ploeterende voetballers hadden aangemoedigd ‘om een tandje bij te zetten’. Het thuisvoordeel van clubs die in hun eigen stadions spelen, wat doortelt in de puntentelling, gaat bij lege tribunes niet meer op, becijferde recent onderzoek van Europese voetbalcompetities. Doordat de fanatieke aanhang niet meer kan optreden als ‘twaalfde man’ blijken elftallen thuis minder vaak te winnen.

Fysieke aanwezigheid is in coronatijd een groot goed geworden. Het onderstreept de behoefte aan live-evenementen, die door de noodzaak van digitale ontmoetingen vanuit huis alleen maar is toegenomen. ‘In het theater, net als in de kerk, bevestigen we elkaars vlees en bloed’, schreef James Baldwin in 1976 al in zijn essay The Devil Finds Work.

Voor theatergangers die het afgelopen jaar de ongezellige maatregelen trotseerden, was het een weldaad als hun aanwezigheid door de spelers op het toneel expliciet werd bevestigd. ‘Ik sta hier echt, ben een echt persoon’, sprak Michaël Bloos in zijn voorstelling Istanbul, bericht van de andere kant tot het publiek in de kleine zaal. ‘Mijn hart klopt hier echt’, wees hij naar zijn borstkas. ‘Mijn huid zweet hier echt’, toonde hij op zijn arm. ‘Merk je dat jij hier echt bent?’ vroeg Romana Vrede in haar versie van Liefdesverklaring (voor altijd) aan individuele toeschouwers. ‘Met je hele lichaam, met al je ledematen. Met je armen, je benen, je handen, je voeten, je tenen, je vingers. Merk je dat je slikt? Merk je dat je speeksel afscheidt? Merk je dat je hart slaat? Merk je dat je ademhaalt?’

Jeugdtheatermaker Jetse Batelaan vierde de aanwezigheid van het publiek in zijn nieuwste grotezalenproductie Het eind van het begin van het einde, die na de première in oktober helaas niet meer kon worden doorgespeeld. De voorstelling, uitgebracht door zijn eigen groep Artemis in samenwerking met Het Zuidelijk Toneel en het Vlaamse hetpaleis, is een theaterstuk in omgekeerde volgorde. Tot groot plezier van de kinderen in de zaal begint het met schoonmakers die achterstevoren lopend rommel op de lege speelvloer verspreiden. Daarna wordt het decor in kisten uitgeladen en opgebouwd, in een hilarische achteruit-choreografie van acteurs die productiemedewerkers spelen. Tekst hebben ze niet bij deze werkzaamheden. Toch worden de bezoekers van acht plus aangesproken, middels zinnen die in uitgeknipte woorden traag over het podium langskomen, en die ook te lezen zijn op langsgereden kisten en opgedragen decorstukken. ‘Zitten jullie goed?’ vraagt eh… de voorstelling aan de zaal. ‘Leuk dat jullie er zijn. Belangrijk ook.’ De teksten wijzen het publiek op hun eigen activiteit bij het betekenis geven aan letters: ‘Zonder jullie stellen deze woorden niks voor. Zonder jullie zijn dit alleen maar wat streepjes.’

De aanwezigheid van het publiek krijgt extra nadruk als een viertal keurig geklede mensen de toneelruimte betreedt. Het blijkt een rondleiding te zijn van marketingmedewerker Patrick die geïnteresseerde gebruikers het gebouw laat zien. ‘Hoe lang staat het nu leeg?’ informeert een van hen. ‘Het staat niet leeg’, erkent Patrick met een blik op de ijverige decorbouwers, ‘maar het is wel een aflopende zaak. Het is de verwachting dat dit binnen een half jaar volledig beschikbaar komt.’

De zwarte humor van deze coronaverwijzing naar noodlijdende theaters ontgaat het jongste publiek, maar de schrik van een rondgeleide dame die het publiek in de zaal ontwaart vinden ze heel grappig. ‘Zitten jullie hier nog lang?’ vraagt de zwaar geïrriteerde Patrick, die óók een uitgestorven theater verwachtte, aan de aanwezigen. Het luid teruggeroepen ‘Ja!’ is het hoopvolste levensteken dat in het rampjaar 2020 vanuit een theaterzaal heeft geklonken. Het was een antwoord op de algehele liefdesklaring aan het publiek, net als de uitverkochte anderhalvemeterevenementen. Wij blijven komen. Jullie hebben ons nodig. En wij jullie ook.