INTERVIEW MET JAN HOET

‘Zonder kunst kan ik me beter ophangen’

Vijf jaar geleden verruilde Jan Hoet zijn geliefde SMAK in Antwerpen voor het museum MARTa in Herford (Duitsland). Dit jaar neemt hij afscheid. ‘Een museum is altijd mijn echte thuis geweest.’

ALS ER ÉÉN DUITSE PLEK is die zich met recht en reden een gat mag noemen, is het wel Herford. De lokale meubelfabrikant liet er door Frank Gehry een majestueus museum voor moderne kunst bouwen, MARTa, dat op de kaart werd gezet door Jan Hoet. Op het feeërieke terras van het museum begroet chef-techniek én Hoets Duitse toeverlaat Michael Train me met de woorden: ‘Jan ist kaputt.’ En of ik even de tentoonstelling Ad absurdum wil bezoeken, om de meester ondertussen weer op krachten te laten komen.
De tentoonstelling is een briljant en stekelig adieu van Jan Hoet aan Herford. Werken van Picasso, Borremans, Delvoye en Magritte vormen een serieuze reactie op de absurditeit van de maatschappij. Hoet wil hiermee kritisch weerwoord geven op de totale oppervlakkigheid van de wereld en die van Herford in het bijzonder. De ene kunstenaar reageert daar met een pamflet op, anderen poëtisch en sommigen ironisch.

Net als de poorten van het museum sluiten, stormt de meester klapwiekend binnen. ‘Voor mijn definitieve vertrek wil ik nog een zéér openhartig afscheidsinterview geven’, orakelt Jan Hoet, in zijn kantoor. ‘Nee, ik ben geen mens meer om een museum te leiden. Fysiek gaat het te veel bergaf. Een museumdirecteur moet 24 uur op 24 op de barricades staan. Ik heb behoorlijk last van ouder worden. Vooral veel energie kwijt. Deze morgen moest ik om zes uur op om naar de nierdialyse te gaan. Deze middag heb ik met de Amerikaanse kunstenaar Dennis Oppenheim door de stad gehold en daarna was ik bekaf. Tegen mijn gewoonte in ben ik naar mijn bed gegaan en ik heb meer dan een uur geslapen. Dat zijn slechte tekens. Vroeger sliep ik vier uur en dat was meer dan voldoende om de hele dag én een stuk van de nacht tegen driehonderd per uur gas te geven. Nu is mijn probleem dat ik ’s nachts niet meer kan slapen. Ik neem een pilletje maar dat helpt nauwelijks. Zwaardere slaappillen vertrouw ik niet. Ik slik al 27 verschillende soorten medicatie voor mijn nieren. 27!’
Hoet heeft verschillende keren de dood in de ogen gezien. Nooit was hij één moment bang: ‘Nee, er kwam toen een grote rust over me heen. Zonder de huidige geneeskunde was ik vijf keer gestorven. Maar ik besef dat we geboren zijn om te sterven. Dat is volledig in tegenspraak met de houding van Hugo Claus. Pas op, ik vel geen oordeel over zijn keuze voor euthanasie. Op zijn begrafenis had ik een ferme krop in mijn keel. Maar ik zou voor euthanasie nooit kiezen. In welke toestand ik ook mag verkeren, ik blijf vechten tot de laatste snik. In het ziekenhuis liggen is héérlijk. Twee dagen na een zware operatie monter ik mijn medepatiënten op en ga ik hen in hun kamers opzoeken: “Ewel, Cyriel, voel je je al beter? Ge ziet er goed uit jong. Ge begint al serieus wat kleur te krijgen. Ken je de laatste klucht over de Duitsers?” Zelfs de dokters en de verpleegsters komen na een zware dagtaak op krachten in mijn kamertje en bulderen het uit. Mijn koelkast staat vol met champagne. Van een verblijf in het ziekenhuis maak ik altijd een gigantisch feest.’

Aanvankelijk werd Hoet in Herford met tromgeroffel binnengehaald, maar lang duurde dat niet: hij kwam in aanvaring met de lokale autoriteiten. Sindsdien kreeg hij bakken stront over zich heen.
Jan Hoet: ‘Ik ben niet negatief ingesteld. Ze hebben het me verdomd moeilijk gemaakt maar ik ben ze niet gaan haten. Natuurlijk besef ik dat mijn smaak niet beantwoordt aan die van de doorsnee Herforder, die vooral van de klassieke aquareltechniek houdt. Als ze hun kerkje op een schilderij herkennen zijn ze door het dolle heen. Dat heeft niks met kunst te maken. Maar ik heb me uiteindelijk verzoend met het feit dat ik ze niet kan bekeren. Vorige week kwam een groepje inwoners in ons cafetaria pinten pakken. “Wij zijn maar een dorp!” riepen ze me toe. “Wat moeten we met dit museum? Precies een keuken waar het binnenregent.” Ik schoot in een Vlaamse colère en ik repliceerde: “Tijdens mijn kleuterjaren waren de vensters van de klas door de Duitsers weggeschoten en het sneeuwde binnen. Dat vonden we allemaal fantastisch.” Amaai, het spel zat op de wagen. Spanning alom. Dáár kunnen ze absoluut niet tegen.’
Was het niet te hoog gegrepen, moderne kunst in zo’n boerengat?
Hoet blaast: ‘Nee, nee, in the middle of nowhere kun je veel meer realiseren. De tegenkantingen maken je sterk. In Berlijn of in andere steden is het altijd dezelfde clan die je over de vloer krijgt. In een stadje krijg je deining, stormen, maar ook onverwacht applaus. Zelfs in het SMAK zie je dat bijna altijd dezelfden, meestal in zwart pak, museumbezoeker zijn. Hier lopen de bewoners van Herford al eens per abuis binnen en ze kijken of ze een alien ontmoeten. (lacht) Dat ze ooit nog terugkomen, dat lijkt me nu onwaarschijnlijk. Herford is een stadje van kermisventers en Kaufleute. Er werd hier nooit een concept bedacht maar ik heb met mensen gepraat die me wilden volgen. Ik was ervan overtuigd dat ik vanuit het niks een prachtig museum kon opbouwen. Mijn verdriet, wat knaagt, is dat de belangstelling voor Herford nooit zo groot wordt als ik gedroomd had.’
Hoets contract werd enkele maanden geleden door de directeur bijna vervroegd opgezegd. Hoet zou financieel over de schreef gegaan zijn; in de tentoonstelling is er een verwijzing naar de boekhouder, die hem op de vingers tikte over precies 246.574 euro aan schulden.
Veel dankbaarheid blijkt daar niet uit.
‘Ach, ik heb het allemaal in het SMAK meegemaakt. Altijd bonje over geld. Het is mijn ultieme plicht om constant kunstwerken aan te kopen maar ik hoorde voortdurend zeggen: “De stadskas is leeg.” Ik trek me daar niks van aan en maak een deal met de kunstenaar: “Ik heb geen aankoopbudget maar over drie jaar krijg je je geld. Zeker weten.” Ik ga dan aankloppen bij sponsors, collectioneurs of doorsnee-kunstliefhebbers. Kunstenaars hebben begrip voor dat standpunt en ik vraag hun toch een factuur naar het museum te sturen. De boekhouder onderschept die en verwittigt de controleur, die me onmiddellijk een brief bezorgt. En wat schrijft die heer? Dat hij dat geld, beloofd aan de kunstenaar, van mijn wedde zal aftrekken. Maar ik ben geen onnozelaar. Die boekhouder doet niet eens de moeite om twee bureaus verder met mij de zaak uit te praten. Néé, onmiddellijk een vlammende brief. Het zijn straffe jongens in Duitsland!
In december ben ik definitief weg. Moet ik weg! Een verlenging van mijn contract heb ik geweigerd; ik had te veel ruzie met de plaatselijke bevolking, met het stadsbestuur en met mijn eigen raad van bestuur. Het is me hier wat geweest, jongen. De vroegere burgemeester, die altijd het MARTa-museum te vuur en te zwaard verdedigde, verloor door zijn inzet voor dit “huis” de verkiezingen. Arme man! Afgestraft door de plaatselijke bevolking omdat hij me in bescherming nam. De huidige burgemeester kijkt wel uit, hij wil een nederlaag vermijden en gaat graag in de clinch met die geldverkwister van het MARTa-museum. Maar ik ben een ouwe bokser, hé. Ik laat me niet zo gauw k.o. slaan en ik vecht altijd terug. Zo heb ik nog mijn opvolger Roland Nachtigäller mogen aanduiden. Ik mag gerust zijn: ik heb hier gezwoegd en gezweet.
Telkens ik zoiets meemaak moet ik aan de bezetting denken. In mijn geboortedorp Geel – een dorp waar psychiatrische patiënten vrij en frank rondliepen – maakten die Duitsers geweldige indruk met hun perfecte kostuums en hun tanks die in een loodrechte colonne reden. Als kind van vier stond ik er ook verbluft naar te kijken. Maar de totale catastrofe bleef niet uit. Oorlog is altijd absurd, maar de Tweede Wereldoorlog was het toppunt van absurditeit. Niets werd ooit beter bureaucratisch gestructureerd dan de holocaust, dan de jodenvervolging.
Wellicht waren die ervaringen de bronnen van mijn huidige tentoonstelling Ad absurdum. Bij sommige kunstenaars van de tentoonstelling is hun kritiek op die waanzinnige wereld cynisch, bij andere poëtisch of ironisch.
Tot het eind van het jaar maak ik hier nog tentoonstellingen. Kleinere dan Ad absurdum – van Robert Devriendt tot Félicien Rops – maar voor elke expositie geef ik het volle pond. Daarna heb ik nog plannen onder meer voor een grote expositie in Osnabrück. Ik kreeg zelfs de uitnodiging een park in Rome aan te leggen. Een architect en een artiest proberen daar twaalf keer een symbiose uit te werken.’

Hij heeft altijd spijt van een botsing met mensen. Jan Hoet: ‘Ik heb wel schrik van mezelf als ik iemand pijn doe die ik graag zie. Iemand met je woorden treffen. Néé, dáár zie ik vanaf. Ooit heb ik Patrick Monsaert, de toenmalige burgemeester van Gent, letterlijk uit het museum geschopt. Daar leed ik onder. Op mijn kousenvoeten ben ik me gaan verontschuldigen: “Kom, Patrick, hoe was dat toch mogelijk? Maar ja, man, het was toch ook een beetje jouw schuld…”’
Heb je veel kunstenaars pijn gedaan?
‘Dat zal wel. Kunstenaars zijn zeer gevoelige mensen. Het probleem is dat je niet altijd kunt zeggen wat een kunstenaar wil dat je zegt. Dat kwelt me dagelijks. Ik wil graag oprecht blijven maar ik moet iedere keer mijn moed bijeenpakken om te kunnen zeggen: “Ik vind dat werk goed, ik vind dat schilderij of die installatie niet goed. Je werk is fantastisch of het is kwakzalverij.” Soms moet ik tegen goeie gasten zeggen: “Ik vind je een formidabele kerel maar je werk trekt op niks.” Dat snijdt door je eigen vlees.’
Is de afscheidstentoonstelling een afscheid in volle glorie?
‘Van Herford, ja. Niet van de kunst. Zonder kunst heeft mijn leven geen zin. Dan kan ik me beter ophangen. Decennialang heb ik een huis én een museum gehad. Een museum is altijd mijn echte thuis geweest. Ik zal dat verschrikkelijk missen. Nu zoek ik hoe ik dat nieuwe leven moet organiseren. Als ik elke dag thuis zou rondhangen werkt dat ongetwijfeld verschrikkelijk op de zenuwen van mijn vrouw. Ze weet dat de hond al eens moet losbreken.’
Volgende winter lig je in je luie zetel. Je vrouw zal eindelijk iets aan je hebben.
‘Dat is niet het aard van het beestje en mijn vrouw zou dat luieren niet appreciëren. Ik heb al gekozen voor een ruimte bij mijn zoon waar ik mijn boeken mag plaatsen. Thuis mogen die niet binnen. Mijn vrouw zou niet om kunnen met die rommel. Het huis zou overhoop staan en dat duldt ze niet. Vaak krijg ik de vraag of mijn vrouw geen eenzaam leven leidt. Nee, ze is volmaakt gelukkig. Wat is een huwelijk? Het is een zoeken naar een soort eenheid en die wordt gerepresenteerd door de tegenstelling man-vrouw.’

Hoet laat weten dat hij een boekhouder heeft. Een goeie. Handig in een kunstwereld waarin het geld vaak de belangrijkste rol speelt? Jan Hoet: ‘Commercie en kunst, hoe kun je die met elkaar verzoenen? Hoe kun je begrijpen dat men voor Lucian Freud dertig miljoen euro neerlegt. Voor Francis Bacon ook enorme sommen en een Tuymans die een miljoen gaat. En dat voor een levende kunstenaar! De kunst is een hegemonie geworden. Die combinatie tussen geld en kunst is er altijd geweest, denk aan de pausen en de koningen. Dat had vooral te maken met prestige en imago. Maar nu gaat het ook om een identificatieproces. Men kan zich minder met zijn beroep vereenzelvigen. Een beroep is vaak routine geworden, men wordt zelfs in de hoogste functies minder gewaardeerd. Men vlucht in de kunst. Zélfs een berg geld zegt sommigen niks meer en ze zoeken iets hogers, de kunst. Maar meestal vergeten ze dat ze met hun euro’s de kunst verzieken. Dat deert hen niet; ze zetten een masker op.’
De tentoonstelling is een reactie daarop: ‘Met mijn laatste tentoonstelling heb ik geprobeerd dat masker te doorprikken. Ik wil concreet aantonen hoe absurd men met de werkelijkheid omgaat. Wat is het eerste dat je dan constateert? Er komt naar zo een evenement bijna geen kat kijken! Wat schrikt hen af? Misschien had ik beter op het affiche als titel laten aanbrengen: “Van Picasso tot Delvoye”. Namen, namen! Dát zou volk trekken. Dát klinkt populistisch. Als je vroeger een onbekende Italiaan exposeerde, kwamen de mensen écht nieuwsgierig naar zijn werk kijken. Nu brengen we een gast uit Stockholm, je googelt, je denkt dat je weet wat hij maakt en je doet de moeite niet meer om naar het museum te wandelen. Wat is het resultaat? Een museum dat alleen nog functioneert als verzamelplaats voor ouderen van dagen die hun maandelijkse uitstap plannen. Collectioneurs zie je al helemaal niet meer in een museum. Die kopen op de veiling. Ze dromen van een museum binnen de muren van hun eigen huis.’
Conclusie: de musea kunnen beter sluiten?
‘Nee, gij! Het museum wordt belangrijker dan ooit. Vooral voor de toekomst. Het is de enige plek waar je over tweehonderd jaar nog echt interessant werk terugvindt. De meeste werken gaan de markt op en verdwijnen. En alles wordt bepaald door de smaak van de meest kapitaalkrachtige. Er moet meer, véél meer geld in musea worden gestoken. Een museum heeft een belangrijk bijkomend aspect. De directeurs die elkaar opvolgen drukken hun eigen visie op het aankoopbeleid. Die verschillen maken een museum in de toekomst razend interessant.’
Vanaf je zestiende was je bezeten door kunst. Wat zou er met Jan Hoet geworden zijn als hij die passie niet had?
‘Een gangster! Maar een goeie. Sowieso zou ik een anarchist geweest zijn, maar dan eentje zonder doel. Nu had ik een streefdoel: de kunst. Ik ben altijd een goeie leraar geweest. Misschien ben ik altijd een leraar gebleven. Ik heb een mooi schilderij van Charlier gekregen, die mij afbeeldt als een priester die zegt: “C’est très facile l’art, je vais vous expliquer.” En ik ben ook gelovig in de zin van Spinoza. Het gaat altijd om harmonie en evenwicht. Of het nu om God gaat of wat anders, dat maakt niks uit. Hoe meer we erover weten, hoe meer raadsels er zijn. In de volksmond zeggen ze ook: er is er nog niemand teruggekomen, maar waarom zouden we terugkomen.’