De voorgangers van de Syriëstrijders

‘Zonder onze inzet is geen leven mogelijk’

De Syriëstrijders van nu zijn niet de eersten die Nederland verlaten om in het buitenland te vechten. Eerder waren er de zouaven, de Spanjestrijders en de Oostfrontstrijders die respectievelijk de paus, de antifranquisten en de Duitsers te hulp schoten.

Een van de nieuwe woorden van 2013 is Syrië­strijder. De term verwijst naar de tientallen of misschien zelfs enkele honderden jonge moslims die vanuit Nederland en België naar Syrië zijn vertrokken om daar mee te vechten tegen het regime van Hafiz al-Assad. De Nederlandse en Vlaamse media kunnen bijna geen genoeg krijgen van het verhaal van deze Syriëstrijders. Wat bezielt hen? Zijn zij geronseld of gaan ze vrijwillig? Hoe gevaarlijk zijn ze bij terugkeer? Zo heeft de bekeerde moslim Abdelkarim Honing al verschillende malen op televisie mogen uitleggen dat de Syriëstrijders uit idealisme hun broeders in Syrië te hulp zijn geschoten omdat het Westen zulks verzuimt te doen. De Volkskrant ruimde twee pagina’s in voor een interview met een zekere Abu Fidaa, die de woordvoerder zou zijn van de Nederlandse strijders. Ook zijn verhaal stond bol van de retoriek over opoffering, ontberingen, strijdbaarheid en hartverwarmende solidariteit.

Het deelnemen aan een buitenlands conflict vanuit ideële motieven en een sterk gevoel van urgentie is geen nieuw verschijnsel. Verschillende historische parallellen zijn inmiddels de revue gepasseerd. Zo wees Bart Somers, de liberale burgemeester van Mechelen, in een opiniestuk in het Vlaamse dagblad De Morgen op zijn oom Karel die zich in 1942 vrijwillig had aangemeld voor het Oostfront. Net als veel andere vrijwilligers beschouwde de jonge Vlaamse nationalist de Duitse inval in de Sovjet-Unie als een allesbeslissende kruistocht tegen het goddeloze communisme dat de wereld naar de afgrond hielp. Een andere veelgehoorde vergelijking is die tussen de Syriëstrijders en de vrijwilligers die eind jaren dertig naar Spanje trokken om te strijden tegen ‘het fascisme’ van de opstandige generaal Franco. Een enkeling riep zelfs de zouaven in herinnering, de groep katholieken uit alle windstreken die de paus rond 1860 te hulp schoot om zijn door de Italiaanse nationalisten bedreigde staat te beschermen.

Het is met zulke vergelijkingen vaak een beetje als met horoscopen. Er zit altijd wel iets herkenbaars in, maar meestal zijn ze te oppervlakkig om het inzicht werkelijk te vergroten. Nuttig zijn zulke vergelijkingen eigenlijk alleen als ze worden uitgediept en er behalve overeenkomsten ook verschillen worden aangewezen. Op die manier kunnen zowel meer diepgewortelde patronen als het unieke en tijdgebonden karakter van deze verschillende verschijnselen aan het licht komen.

Een eerste belangrijke verschil bijvoorbeeld betreft de aantallen waarover het gaat. In het geval van de Syriëstrijders is nog steeds niet duidelijk of het om slechts tientallen of om een paar honderd Nederlanders gaat. Zeker is dat hun aantal in het niet valt bij de ruim drieduizend Nederlandse zouaven in de jaren 1860 en de meer dan twintigduizend Nederlandse vrijwilligers in de Waffen SS. Het contingent Spanjestrijders was kleiner, rond de 750, maar toch nog beduidend groter dan het aantal Syriëstrijders. Vooralsnog gaat het momenteel kortom om een getalsmatig tamelijk onbeduidend verschijnsel.

Dat de aantallen in het verleden groter waren, wijst op een ander belangrijk verschil met het heden. Achter de werving en zending van de vrijwilligers voor de strijd in Italië, Spanje en de Sovjet-Unie zaten een uitgebreide organisatie en centraal aangestuurde propaganda. Zo volgde de rekrutering van de Nederlandse zouaven op een oproep van paus Pius IX aan ongehuwde katholieke mannen om hem bij te staan in de strijd tegen de goddeloze legers van de Italiaanse liberaal-nationalist Garibaldi. De werving en zending van de Nederlandse zouaven kwam in handen van de pastoor van Oudenbosch, Willem Hellemons. De meest blijvende herinnering aan Hellemons’ grote pausgezindheid is de van heinde en verre zichtbare Basiliek van de H.H. Agatha en Barbara in Oudenbosch, een verkleinde kopie van de Sint Pietersbasiliek.

De rekrutering van vrijwilligers voor de Spaanse Burgeroorlog verliep aanvankelijk chaotisch, zoals onder meer blijkt uit George Orwells Homage to Catalonia. Na een half jaar waren de werving en het transport van de Spanjestrijders reeds grotendeels in handen van de Komintern en haar Nederlandse sectie, de Communistische Partij Nederland. De Nederlandse vrijwilligers werden via diverse smokkelroutes en met de hulp van Belgische, Franse en Spaanse communisten naar Spanje gebracht, waar zij terechtkwamen in de Internationale Brigades. Dankzij de geschriften van deelnemende schrijvers als Jef Last en Gerard van ’t Reve senior (de vader van Gerard en Karel) werden de achterblijvers op de hoogte gehouden van de lotgevallen van de dappere Hollandse jongens aan het Spaanse front.

De rekrutering van de Oostfrontstrijders was helemaal een verhaal apart omdat de wervende instantie hier de zittende machthebber was. De Duitse bezetter bezat daardoor het charisma van de macht en het succes, terwijl zij bovendien enorme financiële, logistieke en propagandistische middelen had. In 1941 en 1942 hing Nederland vol met propagandaposters waarop de Waffen SS kloeke Hollandse jongens probeerde te werven.

Bij deze groepen steekt de organisatie van de huidige Syriëstrijders schril af. Van een ­eenduidige oproep vanuit een centrale instantie is geen sprake: een woordvoerder van het Vrije Syrische Leger kwam zelfs naar Nederland om jongeren af te raden om naar zijn land te komen. Voorzover er van organisatie sprake is, lijkt die in Nederland in handen te zijn van enkele obscure netwerkjes en clubjes. Nu is er dankzij de nieuwe communicatiemogelijkheden (internet, sociale media) wellicht minder organisatie nodig dan zeventig jaar geleden, maar er is weinig dat wijst op het bestaan van een grootschalige jihad_-community._ Niet voor niets komen journalisten die op zoek zijn naar het verhaal achter de Syriëstrijders steevast uit bij dezelfde paar personen, zoals bij de reeds genoemde Abdelkarim Honing.

Bestaan er behalve deze grote verschillen ook overeenkomsten? Zeker wel, en ze bieden bovendien een belangrijk inzicht in het hedendaagse verschijnsel van de Syriëstrijders. Allereerst gaat het in alle gevallen om een ‘heilig doel’ dat zowel de eigen natiestaat overstijgt als ook het conflict waarin men zich vrijwillig mengt. In alle gevallen ging het om een strijd waarvan de afloop als beslissend werd gezien voor het verdere verloop van de gehele geschiedenis. Het waren immers geen conflicten over macht en grondgebied, maar over fundamentele waarden die door toedoen van de duivelse vijand dreigden te verdwijnen. Dat althans is een geloof dat de vrijwilligers in zowel Italië, Spanje, de Sovjet-Unie als Syrië met elkaar lijken te delen. Voor veel zouaven was de aanval op de pauselijke staat niets minder dan een aanval op het ware katholieke geloof door verderfelijke nieuwlichters die uit waren op vernietiging van de kerk. ‘De zaak des Pausen is de zaak van God’, zo is nog steeds te lezen op het standbeeld van Nederlands bekende zouaaf Pieter Jong in Lutjebroek.

De Spanjestrijders meenden dat Spanje het eerste slagveld vormde van de grote strijd tegen het oprukkende fascisme dat volgens tal van linkse profeten het laatste obstakel richting de heilstaat was. Uit de vele brieven van de Spanjestrijders, die op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te raadplegen zijn, komt steeds dezelfde boodschap naar voren: in Spanje staat de toekomst van de gehele beschaving op het spel en werkloos toekijken is geen optie.

In zijn studie Jongens van Nederland: Nederlandse vrijwilligers in de Waffen-SS heeft historicus Evertjan van Roekel tal van dagboeken van Oostfrontstrijders doorgenomen. Veel van hen dachten eveneens deel te nemen aan een kruistocht tegen het Aziatische bolsjewisme dat de westerse beschaving onder de voet dreigde te lopen. ‘Wij weten, dat zonder onze inzet, geen leven meer mogelijk is. Al het goede zou uitgeroeid worden, indien de Bolsjewisten overwinnen. Zij die geloven dat ze dan nog leven, vergissen zich. Zij vegeteren slechts nog, gelijk de dieren. Geen Ideaal zal dan het leven mooi maken, geen goed, geen slecht zal zijn’, zo noteert een van hen.

Uit de spaarzame interviews met Syrië­strijders en hun sympathisanten komt hetzelfde bijna apocalyptische gevoel voor urgentie naar voren. De strijd tegen Assad gaat niet om het ten val brengen van een wrede dictator, maar is onderdeel van de jihad tegen ongelovigen en de vestiging van de islamitische ummah. Abu Fidaa verwacht zelfs het aanstaande Armageddon die volgens de profetische overleveringen in Syrië zou gaan plaatsvinden. ‘Wij zien de Arabische lente ook als een voorteken van deze grote gebeurtenis. Met als piek de opstand in Syrië. Het is ongekend in de geschiedenis van de mensheid dat vier tirannen halsoverkop in minder dan een jaar tijd omver worden gegooid. Dit is niet zomaar een gebeurtenis, mensen moeten dit niet aan hun ogen voorbij laten gaan alsof het niets is. Dit is een bijzondere overwinning voor de Ummah en een unieke kans om onze landen te genezen.’

Natuurlijk zijn er levensgrote verschillen tussen het katholicisme van de zouaven, het revolutionaire socialisme van de Spanjestrijders, het nationaal-socialisme van de Oostfrontstrijders en het islamisme van de Syriëstrijders. Maar zij delen in meerdere of mindere mate het idee dat de mensheid op een kruispunt staat en dat het er meer dan ooit op aankomt om aan de juiste kant te gaan staan. Dit ideologische enthousiasme leidde tot een vaak wat naïeve en romantische opvatting van oorlog. In de bittere realiteit van het frontleven sloeg het idealisme bij de één om in psychische ineenstorting en desertie: in Spanje deserteerden bijvoorbeeld zeker meer dan honderd Nederlandse vrijwilligers. Bij anderen zorgde de combinatie van idealistische geestdrift en frontervaring ervoor dat zij uiterst gedreven en fanatieke vechtmachines werden. Zo werd het gewapende verzet in bezet Nederland voor een niet onbelangrijk deel gedomineerd door voormalige Spanjestrijders. De vrees van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (nctv) dat de Nederlandse ‘jihadreizigers’ uit Syrië terugkeren als fanatieke terroristen is zo bezien niet ongegrond.

Behalve ideologische overeenkomsten bestaan er ook in meer sociologisch opzicht opvallende parallellen. De meeste vrijwilligers behoren in eigen land tot de rafelranden van de samenleving. Rond 1860 waren katholieken in Nederland een in sociaal-economisch en sociaal-­cultureel opzicht zeer achtergestelde groep, die wel als ‘niet-volk’ werd aangeduid. De voorzichtige pogingen om als groep meer erkenning te krijgen, riepen steevast felle antipapistische reacties op. De Spanjestrijders behoorden voor het merendeel tot de meest verdachte groep in het Nederland van de jaren dertig: de communisten. Hoewel het beeld van de vrijwilligers in de Spaanse Burgeroorlog sterk bepaald wordt door deelnemende intellectuelen als George Orwell, Jef Last en André Malraux, bestond het gros uit werkloze jonge handarbeiders uit industriegebieden die hun dagen vulden met wachten bij de stempellokalen, ‘kringetjes­spugen’ vanaf de bruggen en discussiëren over politiek. De behoefte een daad te stellen was bij veel van hen groot en de Spaanse Burgeroorlog bood daartoe een uitgelezen mogelijkheid.

Ook de vrijwilligers aan het Oostfront waren, zo blijkt uit de studie van Van Roekel, meestal personen die ‘lager dan wel niet geschoold ambachtelijk werk verrichten’. Er waren ook wel hoger geschoolden, maar deze kwamen vaak uit typische nationaal-socialistische gezinnen die al voor de Duitse inval aan de rand van de samenleving waren komen te staan.

Uit wat bekend is over de Syriëstrijders is ook hier sprake van een groep die zowel in sociaal-economisch als in cultureel opzicht achtergesteld is. Het lijkt te gaan om vaak werkloze jongeren, soms al met een strafblad, die weinig uitzicht op een betaalde baan hebben. Zij voelen zich vernederd in een steeds feminiener wordende samenleving waarin hun capaciteiten en waarden niet meer van belang worden geacht. Als moslims staan zij bloot aan een stroom van verdachtmakingen en beledigingen van een partij die kan rekenen op grote steun onder de bevolking. Waar in Syrië een heilig doel en mogelijk martelaarschap lonken, wachten in Nederland slechts nutteloosheid en discriminatie. De gang naar Syrië is zo bezien ook een vlucht naar voren uit een situatie van sociaal-economische en culturele vernedering.

Die vernedering zal bij terugkeer waarschijnlijk alleen maar groter worden. In Antwerpen heeft burgemeester Bart de Wever reeds aangekondigd alle Antwerpse Syriëstrijders uit het bevolkingsregister te schrappen zodat zij al hun sociale rechten zullen verliezen. Door deelname in een vreemde krijgsmacht lopen de Syriëstrijders bovendien het risico dat ze hun nationaliteit verliezen. Zowel de zouaven, de Spanjestrijders als de Oostfrontstrijders overkwam dit, wat hun reïntegratie in de Nederlandse maatschappij bemoeilijkte. In het geval van de zouaven werd dit verlies ruimschoots gecompenseerd door het eerbetoon dat hun in de grote katholieke gemeenschap ten deel viel. Tot in de jaren twintig luisterden de oude zouaven in hun traditionele uniform katholieke massamanifestaties op.

Spanjestrijders en Oostfrontstrijders hadden het beduidend zwaarder na terugkeer. De Oostfrontstrijders die de gruwelijke strijd overleefden werden bij terugkeer in Nederland als landverraders in interneringskampen opgesloten. Sommigen kozen voor een bestaan in Duitsland, enkelen meldden zich aan bij het Nederlandse detachement in de Korea-oorlog, waar zij wegens hun gevechtservaring meer dan welkom waren. Veel oud-strijders echter leidden als statenloze landverraders een leven in de marge van de Nederlandse samenleving.

Het lot van de meeste Spanjestrijders was niet veel beter. In de jaren van de Koude Oorlog werden zij vanwege hun communistische achtergrond aanvankelijk met de nek aangekeken. Ondanks verzetsactiviteiten en/of kampverleden kregen velen van hen dan ook niet hun Nederlandse nationaliteit terug. Het naturalisatieproces kostte hun soms zelfs meer moeite dan de Oostfrontstrijders. In 1969, dertig jaar na afloop van de Spaanse Burgeroorlog, debatteerde de Tweede Kamer over naturalisatie van de laatste statenloze Spanjestrijders. Toch kregen zij uiteindelijk hun rehabilitatie in de vorm van het Spanjemonument in Amsterdam-Noord en de symbolische aanbieding van de Spaanse nationaliteit door de Cortes in 1996.

Mogelijk dat de Syriëgangers in Damascus na de val van Assad eenzelfde eerbetoon te wachten staat. Of dat op korte termijn zal zijn is uiterst twijfelachtig. De lotgevallen van hun voorgangers stemmen niet tot optimisme. Zowel de ­zouaven als de Spanjestrijders en Oostfrontvrijwilli­gers streden uiteindelijk allen aan de kant van de verliezende partij. De nuchtere constatering dat de mensheid ook na het verlies van deze ­oorlo­gen is blijven bestaan, zal de rouwverwerking nauwelijks hebben bevorderd. De wereld die verging was vooral de wereld van de vrijwilliger.

Koen Vossen is historicus en publicist. Dit voorjaar verscheen zijn boek Rondom Wilders: Portret van de pvv
Nederlanders in vreemde krijgsdienst

Pieter Jong (1842-1867)

Pieter Jong uit Lutjebroek was een van de vele West-Friese katholieken die gehoor gaven aan de roep van de paus. De meer dan twee meter lange Jong, bijgenaamd de reus van Lutjebroek, zou niet meer terugkeren. Hij sneuvelde in de slag bij Monte Libretti op 13 oktober 1867 toen zijn kleine eenheid werd overvallen door een overmacht van het leger van Garibaldi. Jong verkocht zijn huid echter duur: zelfs toen zijn munitie op was wist hij volgens de overlevering nog veertien garibaldisten te doden door met de kolf van zijn geweer hun schedels in te slaan.

De heldendaad van Jong was een van de legendes in de vooroorlogse katholieke zuil. In 1927 verscheen van de hand van J.M. Reynders zelfs een jongensboek getiteld Pieter Jong, de held van Lutjebroek, uitgegeven door het RK Jongens­weeshuis. In Lutjebroek is bij de Sint-Nicolaaskerk een monument geplaatst ter nagedachtenis aan de reus van Lutjebroek. Ook is er een straat naar hem vernoemd. En als eerbetoon is een voetbalvereniging vernoemd naar de West-Friese strijders voor de paus: VV de Zouaven uit Groote­broek.

Piet Laros (1901-1997)

Piet Laros, type ruwe bolster, klein hartje, was als een van de eerste Nederlanders met de fiets naar Parijs vertrokken om zich aan te melden voor de strijd in Spanje. In Spanje raakte hij meermalen gewond aan het front, maar steeds keerde hij vastberaden terug om zijn Spaanse makkers te helpen. Toen er een speciale Nederlandse compagnie werd gevormd, werd Laros tot commandant benoemd. Ook over Laros verscheen een kinderboek, getiteld Nederlanders onder commando van Hollander Piet in Spanje. Schrijver was niemand minder dan Vanter, het pseudoniem van Gerard van ’t Reve senior, de vader van Gerard en Karel.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat Laros in het verzet en belandde uiteindelijk in concentratiekamp Buchenwald. In 1946 kreeg hij als een van de weinigen zijn Nederlandse nationaliteit terug, die hij als strijder in een vreemde krijgsmacht had verloren. Het weerhield Laros er niet van om te blijven vechten voor de teruggave van de Nederlandse nationaliteit aan alle oud-Spanjestrijders. In 1976 werd Laros bij een groter publiek bekend als gevolg van een documentaire die Cherry Duyns over hem maakte. Op nieuwjaarsdag 1997 stierf Laros, 95 jaar oud.

Gerard Mooyman (1923-1987)

Korte tijd was Gerard Mooyman een van de meest bejubelde Nederlanders, althans in het openbaar. De pas negentienjarige Mooyman ontving als eerste Nederlander begin 1943 het IJzeren Kruis voor zijn grote heldenmoed aan het Oostfront. In de strijd rondom het Ladogameer in februari 1943 had Mooyman 23 tanks uitgeschakeld. De held, een eenvoudige zoon van een melkboer uit Apeldoorn, werd vervolgens gebruikt voor een grote publiciteitscampagne in bezet Nederland. In verschillende plaatsen werden zelfs straten naar hem vernoemd.

Na de Duitse capitulatie werd Mooyman veroordeeld tot zes jaar gevangenschap. In 1949 kwam hij al vrij en hij vestigde zich als ondernemer in Groningen. Mooyman meed de publiciteit en leidde een onopvallend leven. In 1967 kwam daar even verandering in toen hij zich liet interviewen in het blad Revu. Mooyman nam daarin in krachtige bewoordingen afstand van zijn verleden: ‘Ik beschouw alles wat ik in de Duitse tijd heb meegemaakt, als een grote persoonlijke tragedie. Als jeugdig nationaal-socialist en fanatiek vechter voor dit ideaal ben ik later tot de conclusie gekomen dat ik gestreden en geleden heb voor een misdadige zaak.’ In 1987 kwam Mooyman bij een verkeersongeval om het leven.