«Zonder papaver redden we het niet»

De Afghaanse regering heeft de strijd tegen de opium uitgeroepen tot heilige oorlog. Maar het verzet van de boeren tegen de vernietigingscampagne groeit en in het Westen gaan al stemmen op om de opiumteelt te legaliseren. Bericht uit de papavervelden.

HERAT – Abdel Karim is verdwenen. Op zijn erf staat een huis in aanbouw. Hij zou er binnenkort intrekken, zodra hij in het huwelijk was getreden met zijn verloofde. De trouwerij was al gepland en er werden voorbereidingen getroffen voor een groot feest. Het dorp was blij voor hem. Eindelijk, op zijn 27ste, kon Abdel Karim een eigen gezin stichten. Tot nog toe had hij kromgelegen om de tien monden te voeden van zijn ouders en het vaderloze gezin van zijn zus. Maar nu is hij weg, en niemand weet waar hij is. «Abdel Karim werd krankzinnig toen de politie hier kwam om zijn papaverveld te vernietigen», vertelt zijn vader Said Ahmed, «hij greep naar zijn hoofd en rende weg.» Hij toont een foto van zijn zoon. Abdel Karim lijkt op zijn vader, hij heeft dezelfde fonkelende ogen en uitgesproken wenkbrauwen. «Mijn zoon had duizend dollar geleend voor kunstmest en voor zijn huwelijk. Dat geld kan hij nu niet terugbetalen, daarom is hij gevlucht. Hij wilde zelf een gezin stichten en ons onderhouden met de opbrengst van de opium. Nu moet ik werken op andermans land, maar ik verdien niet genoeg om onze familie te voeden.»

Een jong meisje met een vies gezichtje en sliertig, onverzorgd haar kijkt ons boos aan. Haar twee broertjes staan er snotneuzend bij. Het zijn kinderen van Abdel Karims zus. Hun kleding is vuil en gescheurd, net als die van Said Ahmed. Zijn handen zitten vol kloven en scheuren en hij loopt een beetje krom. «Misschien is mijn zoon bij de Taliban gegaan», zegt hij. «Die geven geld om te vechten in het zuiden. Abdel Karim haat de regering, net als wij. De regering vernietigt ons leven, we hadden het beter onder de Taliban.»

Het dorp Barnabad, zestig kilometer van de West-Afghaanse stad Herat en veertig kilometer van de Iraanse grens, leeft van de opium. Kom hier niet aan met mooie praatjes over de regering van de door westerse troepen gesteunde president Hamid Karzai en het democratisch gekozen parlement in Kaboel. De democratie kwam hier twintig dagen eerder kennismaken in de gedaante van een vernietigingsteam van veertig zwaarbewapende agenten, die met sikkels de papaverplanten te lijf gingen. Elk gezin heeft hier minstens één kalasjnikov in huis, wordt ons verzekerd. Toch verzetten de mensen zich nauwelijks. «De agenten komen uit de streek, het zijn onze mensen», zegt een boer die eveneens zijn hele oogst vernietigd zag worden. Bij een van de velden kwam het tot een vuistgevecht, maar dat kon de vernietigers niet stoppen. «Als ze terugkomen, zullen we de wapens moeten opnemen», zeggen de dorpelingen. De schande alles te verliezen en niet meer te kunnen zorgen voor hun naasten, een islamitisch gebod, is ondraaglijker dan de angst het leven te laten in een vuurgevecht. Het verzet tegen de vernietigingscampagne neemt toe. Afgelopen week vielen in de provincie Sari Pul, 230 kilometer ten noorden van Kaboel, negen gewonden en twee doden toen dorpelingen een vernietigingsteam te lijf gingen.

De Afghaanse regering heeft de strijd tegen de opium officieel uitgeroepen tot heilige oorlog. Vorig jaar voorzag Afghanistan in 87 procent van de illegale wereldbehoefte aan opium, dat wordt gewonnen uit het sap van de uitgebloeide papaverbol. De miljoenenverslindende vernietigingscampagne van vorig jaar leidde slechts tot een afname van drie procent van de opiumopbrengst. Samen met Groot-Brittannië investeren de Verenigde Staten honderden miljoenen in de Afghaanse drugsbestrijding. De resultaten zijn minimaal. De projecten en alternatieve gewassen waarmee de regering beloofde de boeren te steunen, schieten te kort. Vaak bereikt de hulp de armste boeren niet. Dat laat hun geen andere keus dan terug te vallen op de opium. Dit jaar wordt een recordoogst verwacht, ondanks de vernietiging, die nóg groter wordt aangepakt dan vorig jaar.

Papaver levert vijftien keer meer op dan graan. Een boer in Barnabad rekent het voor. «Als ik graan verbouw op mijn land, houd ik na aftrek van de kosten voor het pompen van water en kunstmest driehonderd dollar over. Daarvoor ben ik een half jaar aan het werk. Als ik op één vijfde van mijn land papaver verbouw, werk ik drie maanden op het land en mijn winst is duizend dollar.» In de oostelijke en zuidelijke provincies, waar de overheid wel vernietigt, maar vervolgens de boeren aan hun lot overlaat, stijgt de steun voor de Taliban explosief. Dat blijkt nu ook het geval in de westelijke provincie Herat, waar de steun voor de Taliban vorig jaar nog klein was. We verbleven enkele dagen in het district Ghoryan, waarvan het dorp Barnabad deel uitmaakt.

De papavervelden van Barnabad liggen verscholen achter muurtjes, opgetrokken uit steen en modder, die door de brandende zon keihard wordt. Droogte teistert het gebied. De rivier die langs het dorp stroomt, bevat nauwelijks water. Langs smalle paadjes worden we geleid naar verborgen velden. Op één veld bloeit de papaver volop, in prachtig paars. Het ligt zo afgelegen dat het de vernietigers ontgaan is. Het meet twee djeribs, de gangbare oppervlaktemaat in West-Afghanistan. Vier djeribs zijn één hectare. Het land is van vijf families en levert meer dan dertig kilo opium op. Het is een van de weinige gespaarde velden in het dorp. Overal elders is het tafereel eender. Dorre grond, afgehakte stengels en hier en daar een eenzaam bloeiende paarse bloem.

«We zijn thuis met zijn dertienen. Mijn zoon is ziek, ik heb geen geld voor medicijnen. Hier rekenden we op, we hebben niks anders. Als we geen steun krijgen, moeten we volgend jaar opnieuw papaver inzaaien. Anders moeten we uit stelen gaan of sterven», zegt Hassan Moudin op het ene veld. «We hebben ze gesmeekt en gedreigd, maar ze hebben alles vernietigd», zegt Fakhir Ahmad, die tien monden moet voeden, op een ander veld. «Zonder papaver zullen we het hier niet redden, dus beginnen we volgend jaar opnieuw, in de hoop dat ze ons vergeten. Ik had geld geleend om de winter door te komen, dat moet ik terugbetalen. Ik heb geen keus, de rente loopt, ze zullen me doden.»

Abderrahman, een grote vent met een zwarte baard en een weldoorvoede pens, staat er zwijgend bij. Hij is de arbab van dit dorp, de machtigste man met het meeste land. Zijn wil is hier wet. Hij vertegenwoordigt het dorp bij de autoriteiten, en hij is begaan met het lot van «zijn» armen, verzekert hij. «Luister naar mijn mensen, hun verhalen spreken voor zich.» Hij neemt ons mee naar zijn koele huis – de hitte is nu ondraaglijk – om daar de lunch te genieten. We zitten op kussens langs de wanden van het gastenvertrek. Aan de muur hangen plaatjes van de ka’aba in Mekka en de al-Aqsa-moskee in Jeruzalem. Een van zijn zonen gaat rond met een bakje water en een doek, om de handen te wassen. Keer op keer verlaat hij het vertrek om terug te keren met alweer een rijk gevulde zilverkleurige schaal. Ergens staat een vrouw lekker te koken, maar we zullen haar niet zien. Traditie schrijft voor dat ze zich niet mag laten kennen aan andere mannen dan haar echtgenoot, zonen en broers.

«Het zijn de armen die hier papaver verbouwen om te kunnen overleven», vertelt hij. «Nu hun oogst is vernietigd, zullen ze honger lijden. De regering heeft beloofd dat de wereldgemeenschap ons zou helpen, maar daar hebben we niets van gemerkt. Als we steun zouden krijgen, kunnen we hier een cementfabriek opzetten. En vlakbij zit olie, ook dat biedt mogelijkheden. Ik heb het verteld aan de gouverneur. ‹Geef ons geld voor fabrieken›, zei ik, ‹dan is de papaver binnen 24 uur verdwenen›. Ik heb niets meer van hem gehoord.»

Het vervaardigen van drugs is haram, verboden volgens de islam. De koran leert dat een gelovige niets mag doen dat schadelijk is voor zijn eigen gezondheid of die van anderen. «Dat weten we», zegt Abderrahman, «maar in onze religie geldt ook dat alles beter is dan onze gezinnen laten verhongeren of uit stelen gaan. En dat is het enige wat rest als we geen hulp krijgen.»

Er is natuurlijk nóg een mogelijkheid, zegt de arbab. Hij vouwt zijn benen wat steviger over elkaar en kijkt ons strak aan. «Er zijn mensen die bereid zijn de armen geld te geven. Maar in ruil daarvoor moeten ze iets opblazen. Sommigen worden zelfs zelfmoordterrorist. Ik geloof niet dat ze dat doen om naar het paradijs te gaan. Het zijn mensen die zich onteerd voelen door de regering en haar zo willen terugbetalen. Hun familie kunnen ze niet meer onderhouden, dus wat heeft het leven dan nog voor zin?» Hij vertelt dat veel mensen die berooid zijn, hun zonen naar Iran sturen om te werken. Daar ontmoeten ze extremisten. «Ik ken verhalen van mensen die vanuit Iran naar Zabul gingen, in het zuiden, om daar te vechten. We denken dat ze getraind zijn en betaald door al-Qaeda. Ze kwamen uit ons dorp, uit families die niet extremistisch waren. Waarom zouden ze dat anders gedaan hebben dan uit armoede en woede? Dat al-Qaeda en de Taliban versterkt worden, is geen politieke kwestie. Jullie roepen maar dat het terrorisme groeit. Nou, koop onze oogsten dan, geef ons geld. De armen hebben geen ideologie. Ze willen gewoon eten.»

Zelf heeft Abderrahman weinig te klagen, geeft hij toe. Hij zit er warmpjes bij. Verbouwt hij wellicht papaver? Hij moet lachen. «Waar denk je dat ik mijn auto van heb betaald? Het is geen geheim dat de politie in ons dorp kwam, omdat ze weten dat ik de grootste opiumboer uit de streek ben. Maar ik heb meer bronnen om mijn familie te onderhouden. Ik heb werkende zonen in Iran en Dubai, ik heb winkels.» Hij geeft zijn zoon een teken. Die verlaat de kamer en komt terug met een zwaar pakket, gewikkeld in een doek. Hij legt het op de grond en slaat de doek weg. Een enorme donkerbruine, kleverige klont komt tevoorschijn. «Dit is acht kilo bewerkte opium», zegt Abderrahman. «Je kunt er voor bijna honderdduizend dollar heroïne uit halen. Hier levert het nog geen elfhonderd dollar op.»

Nu raakt de arbab op dreef. Hij blijkt handel te drijven met Iraanse mannen met zonnebrillen. Van «een of andere veiligheidsdienst», denkt hij. «Reken maar dat ze nu in Teheran weten dat ik met een Nederlandse journalist zit te lunchen.» Het dorp Barnabad voert jaarlijks tweeduizend kilo opium uit naar Iran. Driemaal raden wie de deals sluit. «Het wordt ’s nachts aan de Iraanse kant van de grens overgeladen in terreinwagens. Een deel gaat naar Turkije waar er heroïne van wordt gemaakt. De rest blijft in Iran, daar wordt veel meer opium gerookt dan hier.» Het nobele dorpshoofd doet er alles aan om te beletten dat zijn eigen bevolking aan de opium gaat. Van de ongeveer negenduizend bewoners van Barnabad zijn er tien verslaafd, schat hij. Hij wil niet in details treden, maar één ding is zeker: ondanks de vernietigingsmissie die zijn dorp aandeed, zal hij binnenkort opnieuw een kilo of tweeduizend naar Iran sturen. «Je dacht toch niet dat die verwoeste velden van mij waren», zegt hij met een geheimzinnig lachje.

Inmiddels is tot het Westen doorgedrongen dat het huidige vernietigingsbeleid in het door en door corrupte Afghanistan niet werkt. De Amerikanen houden er hardnekkig aan vast, de Britten twijfelen openlijk. De Britse bevelhebber David Richards, die de Navo-troepenmacht gaat commanderen in Zuid-Afghanistan, waartoe de Nederlanders in Uruzgan behoren, heeft verklaard niet van zins te zijn om de papaverteelt te gaan bestrijden, omdat hij vreest daarmee mensen in het kamp van de Taliban te drijven.

Senlis Council, een denktank die wordt gefinancierd door een batterij Europese fondsen en liefdadigheidsinstellingen en onder anderen de voormalige Duitse voorzitster van de Bondsdag en de Portugese ex-president Mario Soares in zijn Comité van Wijzen opvoert, heeft de mogelijkheid onderzocht om de Afghaanse opiumteelt te legaliseren. De opium kan worden gebruikt om het grote tekort aan de pijnstillers morfine en codeïne op de wereldmarkt te bestrijden. De organisatie houdt kantoor op de bovenste verdieping van een hotel in Kaboel. «Zelfs als de volledige opiumproductie van Afghanistan voor medicijnen zou worden gebruikt, is nog maar 35 procent van de wereldbehoefte gedekt», zegt Guillaume Fournier. De organisatie onderzocht de verkrijgbaarheid van codeïne en morfine in Afghanistan, waar de behoefte aan zware pijnstillers groot is wegens de voortgaande oorlog en de vele mijnen, die nog altijd slachtoffers eisen. «We vonden slechts morfine en codeïne uit Iran en Pakistan, waarvan de houdbaarheidsdatum was overschreden. Dat is absurd in een land dat negentig procent van ’s werelds opiumproductie voor zijn rekening neemt.» Legalisering zou de economie een geweldige opkikker geven en de steun voor de Taliban doen afnemen. De regering-Karzai staat sympathiek tegenover het initiatief en het Europees Parlement heeft het door middel van een resolutie omarmd. De Amerikanen willen er niets van weten, «maar in privé-gesprekken geven zelfs Amerikaanse commandanten ons te kennen dat vernietiging niet werkt», zegt Fournier.

Senlis Council is nu bezig de praktische kanten van haar initiatief te onderzoeken. Daartoe behoort het opzetten van een proefproject om te bekijken of te werken valt met een systeem van vergunningen voor papavertelers en hoe te voorkomen dat opium op de illegale markt belandt. Momenteel houdt Senlis Council bijeenkomsten door het hele land met vertegenwoordigers van de boeren. Zij krijgen er informatie en kunnen vragen stellen. In enkele provincies stonden de boeren erop ondertekende verklaringen aan te nemen om hun steun uit te spreken voor de legalisering. «Er zijn soms kritische vragen, maar iedereen beseft dat legalisering de beste optie is», zegt Fournier.

Dat blijkt ook op een bijeenkomst in Herat. Spreker na spreker betoont zijn steun aan de legalisering. «Wie hiertegen is, is een vijand van Afghanistan», wordt geroepen. Achter het spreekgestoelte hangt een poster van president Karzai, een beetje slordig op karton geplakt. Zijn wenkbrauwen zijn iets opgetrokken. Hij kijkt bijna verontwaardigd.

De politiechef van het district Ghoryan zou het erg druk moeten hebben. Er resten nog maar tien dagen voordat ook de traagst bloeiende papaver gereed is voor de oogst en de orders vanuit Kaboel zijn helder: alles dient vernietigd te worden. Maar hij zit maar wat te lummelen in zijn kantoortje. Abdulrahman Maldar heet hij, «dat betekent ‹eigenaar van veel schapen›», zegt hij als hij zich voorstelt. Hij was het die met zijn agenten korte metten maakte met de papaverveldjes van de arme boeren in Barnabad en die van arbab Abderrahman ongemoeid liet. Hij lacht niet en laat geen thee schenken, een teken dat wij hier niet welkom zijn. Er is onlangs een vernietigingsmissie geweest waarbij hij lokale media meenam, jammer dat wij daar niet bij waren, maar nu kan hij niets meer voor ons betekenen. Een telefoontje van onze fixer naar zijn chef in Herat doet wonderen. We kunnen mee op een vernietigingsmissie die zal voeren naar het dorpje Ghaza, waar tweeduizend families wonen.

Buiten bij de poort liggen politiehelmen weerloos te glimmen op een tafel. De gebruikelijke zware bewaking die zo’n beetje elk politiebureau in Afghanistan hanteert, is afwezig. De commandant voelt zich veilig, terwijl hij toch degene is die menige familie te gronde richt. «Ik doe wat de regering mij opdraagt», zegt commandant Maldar. «We hebben de mensen gewaarschuwd. Toen ze een halfjaar geleden papaver zaaiden, heb ik de dorpsoudsten verteld dat hun velden vernietigd zouden worden. Ze zeiden dat ze het begrepen. Daarna heb ik nog twee keer laten vragen of ze zich zouden verzetten als we de papaver vernietigden. Dat ontkenden ze. Iedereen heeft hier wapens, we zullen maar weer eens zien vandaag.» De groep vernietigers is alarmerend klein. We gaan op pad met de commandant, zijn adjudant en drie met bewapende agenten.

In Ghaza is alles rustig. Achter in het dorp komen we bij een groot stuk land. Het ligt lager dan de weg en is omgeven door een laag muurtje. De helft ervan is bebouwd met papaver. Een boertje in vuile kleding is in een van de bedden aan het werk met een sikkel. Hij wordt in zijn kraag gegrepen door de commandant en zijn bewapende agenten. Het halve dorp loopt uit, in een mum van tijd staan zeker dertig mannen met tulbanden over het muurtje te koekeloeren. Het boertje wordt niet gearresteerd, alleen de velden worden vernietigd. Hij moet het zelf doen, de agenten staan erbij en kijken ernaar. Stengel voor stengel gaat neer onder de slag van de sikkel. Het gaat de commandant niet snel genoeg, hij banjert door het veld en begint papaverplanten uit de grond te rukken. De agenten sommeren dorpelingen mee te helpen, er worden sikkels gehaald, in een mum van tijd is het bed vernietigd. De andere helft van het land is van een andere boer. Hij wordt van huis gehaald door twee agenten. Ze komen met hem aanlopen, tussen hen in, hun kalasjnikovs losjes bungelend over de schouder, één agent houdt hem bij de elleboog en duwt hem voort. Hij wil niet, maar hij moet. De menigte groeit. De mannen zijn niet vijandig, ze lachen wat. Het is alsof ze weten dat het bij dit veldje zal blijven. In nog geen tien minuten is ook deze boer zijn jaarinkomen kwijt.

Er staan nog zeker drie djeribs papaver hard bloeiend overeind, meer dan de helft van het totale veld. Die worden niet aangeraakt. «We vernietigen per keer eenderde van de velden», vertelt de commandant, «om de mensen wat lucht te geven.» Maar de oogst is al over een ruime week, wanneer komt hij hier terug? Daar heeft hij geen antwoord op. «Desnoods laten we versterkingen aanrukken uit een ander district», zegt hij. «Die hebben het zelf veel te druk met mensen lastig vallen», mompelt een dorpeling. «Of we betalen de dorpelingen om het zelf te doen», zegt de commandant bars. Zijn ogen zoeken de mompelaar. Maar is er wel geld? De commandant maakt een zwaai met zijn arm. «Dat is hun probleem, daar in Herat. De gouverneur moet het maar oplossen.» Hij vertrekt met een verongelijkt gezicht. Hij wilde al geen journalisten meenemen, en nu prikken ze ook nog eens door zijn schertsvertoning heen.

Sultan Ahmed, een lange dunne man met een zorgelijk gezicht, is de arbab van Ghaza. Zoals bij elke vernietigingsmissie is het de arbab die bepaalt wiens oogst eraan gaat, vertelde de politiecommandant. Sultan Ahmed bevestigt het, evenals de afspraken met de politie dat de bevolking zich niet zou verzetten tegen vernietiging. «We weten dat de politie te weinig mankracht heeft om alles te vernietigen. Er zullen papavervelden overblijven, we weten niet wat daarmee gebeurt», zegt hij verlegen. Hij bevindt zich binnen gehoorafstand van twee gewapende agenten die zijn achtergebleven.

In de schaduw van een muur, achter in het dorp, zit Gulam Hazrat in hurkzit. Hij draagt nog dezelfde vuile kleding die hij aan had toen de politie hem in de kraag greep en zijn veld vernietigde. «Ik heb geen geld om mooie kleding te betalen», zegt hij. Hij is diepbedroefd. Hoe moet hij nu zijn tienkoppige gezin voeden? Hij begrijpt niet waarom ze juist hém eruit pikten, iedereen verbouwt hier papaver. «Ze liepen recht op mijn veld af.» Eerst weigert hij te geloven dat het de arbab was die heeft bepaald dat hij het slachtoffer werd. Dan lijkt het hem te dagen. «Ik ben arm», zegt hij, «maar als ze denken dat ze van mij niets te duchten hebben, hebben ze het mis. Als er na de vernietigingscampagne velden overblijven in dit dorp, ga ik heel veel lawaai maken. Ik zal protesteren bij de gouverneur, bij de regering, in de media, overal.»

Bij terugkeer op het politiebureau blijkt de commandant ontdooid. «Ik doe dit alléén vanwege mijn uniform en de sharia. Het is omdat we arm zijn, bij jullie wil niemand die troep verbouwen. Het is voor mij en mijn mannen moeilijk om te zien hoe hard de mensen geraakt worden door de vernietiging. We komen allemaal hier uit de dorpen, daarom gaat het ook zo langzaam.» Er moet een oplossing komen, zegt hij, en misschien is dat wel de legalisering die Senlis Council voorstaat. «Ik ben daar voorstander van, maar ik zou niet weten hoe ik met de weinige middelen die ik heb, moet voorkomen dat er illegaal wordt verbouwd.» Hij ontkent dat alleen de armste boeren gepakt worden. De vraag of de politie deelt in de opbrengst van niet-vernietigde velden, wuift hij weg. «Willen jullie lunchen samen met mijn mannen?» Maar vriendelijkheid kan de geruchten niet wegnemen. Als we met een lege maag weer op weg gaan, komen we een arbab tegen uit een naburig dorp, die eerst een mooi verhaal houdt over de geneugten van de legalisering, om vervolgens op fluistertoon uit te leggen waarom die ten dode is opgeschreven. «Het is geen toeval dat er velden gespaard worden. De politiecommandant en de geheime dienst delen in de opbrengst. Wat hebben zij te winnen bij legalisering?»

Wie er wel bij te winnen hebben, zijn de kleine Afghaanse papaverboeren, die nu aan de bedelstaf raken en vatbaar worden voor extremisme, en de Afghanen en andere inwoners van ontwikkelingslanden die behoefte hebben aan betaalbare opiumhoudende pijnstillers. Als de Afghaanse opiumproductie kan worden aangewend voor het vervaardigen van codeïne en morfine, zal de prijs ervan kelderen.

Legalisering zou ook de familie Rahimi flinke winst kunnen opleveren. Zij beheren het farmaceutische bedrijf Hochpharma in Kaboel. In 1968 werd de fabriek geopend, toen nog als onderdeel van de Duitse farmaceutische gigant Hoechst. Tijdens de oorlogen die Afghanistan vanaf 1979 teisterden, en de hoofdstad grotendeels tot as verpulverden, bleef het bedrijfsterrein gespaard. «Elke strijdende partij dacht onze medicijnen nodig te hebben», zegt Walid Rahimi, financieel directeur van Hochpharma. Zijn broer is algemeen directeur. Inmiddels is het bedrijf weer gestart en worden pijnstillers, antibiotica en vitaminepreparaten geproduceerd. Het is nu voor vijftig procent in handen van het Afghaanse ministerie van Gezondheidszorg. Een prachtige uitgangspositie om volop te profiteren van de opiumlegalisering, zou je denken. Maar hoe ondernemend Walid Rahimi ook is – Hochpharma heeft zich ten doel gesteld de belangrijkste speler te worden op de Centraal-Aziatische markt – zodra Senlis Council en de opium ter sprake komen, wordt hij voorzichtig.

«Het is waar, als de regering overgaat tot legalisering en we de opium hier aan de poort kunnen kopen, kunnen wij er moeiteloos medicijnen van maken. Morfine is in Afghanistan en elders heel erg nodig, maar het zal lastig zijn het op de markt te brengen, want er is hier ook een groot verslavingsprobleem.» Hij wijst erop dat de doelstelling van de regering én van de internationale gemeenschap juist is om de papaverteelt te bestrijden. Dat kan niet zomaar veranderd worden. «Senlis Council heeft belangrijke Europese spelers achter zich, maar de Britten en vooral de Amerikanen liggen dwars. Dit is politiek op het allerhoogste en allergevoeligste niveau.»

De risico’s zijn groot, zegt Rahimi. Wat als de overheid de legale teelt niet weet te controleren? Wat zullen de gewelddadige war lords doen, die de bron van hun rijkdom zien opdrogen? Hoe zit het met de corruptie, die aan de illegale opium kleeft als een vlieg aan de stront? Wie kun je vertrouwen in de strijd voor legalisering, waarmee vele miljoenen zijn gemoeid? «De Senlis Council neemt stappen die erg groot zijn voor dit land», zegt Rahimi. «Afghanistan is een wespennest. Je moet er niet in poken voordat je de juiste bescherming hebt.»