Zonder schepper

In een overhoop gehaaldewoonkamer in Arkansasstaart een koe, rustend op een kleed, onder een langzaam heen enweer schommelende, glinsterende kroonluchter,onverstoorbaar de verbijsterde vrouw des huizes aan die zojuistis teruggekeerd van boodschappendoen in de stad.

Mustafa Stitou, Tempel

Medium stitou tempel

Poëzie kan op verschillende manieren worden gedefinieerd, maar één aspect komt in veel visies terug: het zou gaan om taalgebruik dat uitnodigt tot traag en herhaald lezen. Hoe langer je naar een gedicht kijkt, des te groter is de kans dat het betekenispotentieel ervan zich ontvouwt. Poëzie­lezers zijn over het algemeen dan ook langzame lezers. Een twaalf jaar oude malt­whisky sla je ook niet in één teug achterover.

Speelt tijd een vergelijkbare rol bij het schrijven van poëzie? Mogen we stellen dat gedichten die langdurig hebben kunnen rijpen daardoor beter zijn dan teksten die de dichter in een roes van een half uur heeft uitgespuwd? Ik vrees dat het niet zo eenvoudig ligt. Om de whisky-vergelijking aan te houden: als de ingrediënten niet deugen, heeft het weinig zin het destillaat jarenlang te laten liggen. Bovendien kunnen spontaan ontstane gedichten een zekere frisheid ademen die aan doorwrochte kunstwerken ontbreekt.

Mustafa Stitou (1974) is een trage dichter. Zijn terecht veelgeprezen vorige bundel, Varkensroze ansichten, verscheen in 2003. Het recente Tempel telt 43 pagina’s poëzie. Voor iemand die, bij mijn weten, fulltime dichter is, lijkt me dat geen hoge productie. Is hij uitzonderlijk lui? Of uitzonderlijk goed? Of geen van beide? Ik zou mij kunnen voornemen er een decennium voor uit te trekken om deze gedichten in mijzelf tot gisting te brengen, maar de wetten van het literaire bedrijf staan dat niet toe. Ik kan later altijd terugkomen op wat ik nu schrijf.

Tempel bestaat uit vier afdelingen, waarin vier thema’s omspeeld worden. De eerste draait om generaties die elkaar aflossen, vaders, moeders en seksualiteit. In Koeiensuite staat onze omgang met de natuur centraal. De derde afdeling reflecteert vooral op religieuze verschijnselen, terwijl de vierde een politiek karakter heeft. Geen van die aspecten is nieuw in het werk van Stitou, en de ambitie en reikwijdte ervan zijn enorm. Dit is een filosofisch georiënteerd dichter die ons tijdsgewricht poogt te duiden, en daar soms nog in slaagt ook. Niet alle gedichten zijn even goed. Zo is een collage van persberichten over ontsnapte koeien een beetje te gemakkelijk, een eveneens uit readymades opgebouwd gedicht over een zorgboerderij is ronduit flauw, en Beginselen, geschreven voor het Nationaal Comité 4 en 5 mei, tekent een voorspelbare utopie van vrede en saamhorigheid. Oppervlakkig maakwerk, Stitou onwaardig.

Daar staan een paar magistrale gedichten tegenover. De bundel opent met een prozatekst die in zijn eenvoud zo aangrijpend is dat ik er graag de jaarproductie van de meeste andere dichters voor cadeau zou geven. ‘Op mijn rug torste ik de doodskist waarin mijn vader lag’, aldus het begin van wat het verslag van een droom lijkt te zijn. De spreker schuifelt voetje voor voetje voort, maar de last is te groot om te dragen. Hij zet de kist neer, licht het deksel op en verzoekt zijn dode vader een eindje mee te lopen:

Het duurde even voor hij zijn ogen opende. Zijn gezicht was ongeschoren, zijn haar zat verward. Hij droeg een lange witte onderbroek en een wit hemd. Toen zuchtte hij en schudde zijn hoofd, spottend-medelijdend, zoals altijd. Hij richtte zich op, stapte uit de kist, bewoog zich voort met kalme tred. Ik liep achter hem aan, ook ik zei niets.

Wanneer vader en zoon het gedolven graf bereiken, gaat de oude man er rustig in liggen, met zijn gezicht naar Mekka, ‘en met woeste arm­bewegingen dichtte ik het graf’. De beelden zijn zo levensecht en indringend dat ze ieder commentaar overbodig maken.

De heilige stad wordt ook genoemd in een gedicht dat een weinig florissant licht op de hadj werpt:

Mantelbavianen

scharrelen tussen het afval

dat de pelgrims achterlaten

op hun tocht naar de grot

in de top van de berg

waar aan de profeet

de engel verscheen.

Een vrouwtje steekt haar hand in een zak chips, een jong tuurt naar een ingedeukt blikje cola, een mannetje ‘geeuwt dreigend’ naar een ander mannetje, terwijl in de diepte van de vallei het heiligdom zichtbaar is:

de met een zwart kleed bedekte

kubus die de bijnaam draagt

Huis van God

en leeg is vanbinnen,

leeg op het schijnsel

van een paar lampen na.

God is dood of op z’n minst verhuisd en de mens onderscheidt zich niet wezenlijk van de baviaan. Dat zijn geen revolutionaire gedachten, maar door het gekozen perspectief maakt Stitou er een gedenkwaardig gedicht van.

Nu we het zonder schepper moeten stellen, zijn we zelf aan het knutselen geslagen. Wederom niet opzienbarend, maar wel pregnant geformuleerd is de monoloog van een commercieel plastisch chirurg: ‘al dat vet/ op je dijen (wij noemen dat/ rijbroek) en de rimpels in je/ bovenlip (je barcode), hoogste tijd/ er iets aan te doen, denk je niet?’ Na uitweidingen over de rimpelvuller, de Braziliaanse bilversteviging en de ‘inwendige bh’ is ten slotte de onderbuik aan de beurt:

God stierf een halfuur voor Hij

de schepping zou voltooien,

ontgoocheld en opgebrand. Zeg dus maar

dag tegen je haveloze vagina,

wuif je morsige labia maar uit, wij

leveren maatwerk.

Stitou is een bedachtzaam schepper. Maar Tempel is niet zijn meesterstuk.


Mustafa Stitou, Tempel, De Bezige Bij, 64 blz., € 16,50