Pam Emmerik, Het wonder werkt

Zonder schild over straat

Pam Emmerik

Het wonder werkt: Verhalen over kunst

Querido, 216 blz., € 21,95

Eindelijk las ik deze zomer De kartuize van Parma van Stendhal in de nieuwe vertaling van Theo Kars. Me over drie dingen verbaasd: over hoe saai en vervelend die roman eigenlijk is; over de gemaniëreerde vertaling van Kars; over het labbekakkerige nawoord van Arnon Grunberg. De laatste bewijst dat je je een bepaald soort toon — los, persoonlijk — alleen kunt permitteren als je ofwel beroemd bent (iedere drol van jou afkomstig is toch maar mooi van jou afkomstig), ofwel jong en terrible (op z’n Frans), maar het liefst gewoon beide.

Dacht ik, tot ik de gebundelde essays en verhalen van Pam Emmerik las, onlangs verschenen onder de titel Het wonder werkt: Verhalen over kunst. De meeste van deze stukken verschenen eerder in de krant, maar zo in boekvorm achter elkaar geplaatst komen ze veel beter tot hun recht. Meer nog dan wát ze te berde brengt, is bij Emmerik de manier waaróp van belang. Zij hanteert een schrijfstijl, heeft een toon, die je je blijkbaar niet alleen kunt permitteren als je beroemd en terrible bent, maar ook als je de tijd krijgt de lezer aan je te laten wennen en voor je te winnen.

Het openingsstuk bewijst in deze goede diensten, ondanks de afschrikwekkende titel Het spijt me dat ik voor 100 % uit boterhammen besta. Anderhalve bladzijde lang staart Emmerik navel («Toen ik vijftien was en school meestal meed alsof er varkenspest was uitgebroken, kwam de conrector, een pater jezuïet, een keer bij ons thuis op bezoek») en net als je die geëtaleerde rebellie wel weer voor gezien wilt houden, schrijft ze: «Het is me opgevallen dat heel wat artikelen over beeldende kunst beginnen met jeugdherinneringen.» Vanaf dat moment heeft ze het pleit gewonnen. Moeiteloos schakelt ze van zichzelf over naar Superman, Francis Bacon, en weer terug, om bijna al babbelende uit te komen op het werk van Tracey Emin, en, losjes associërend, te reflecteren op de eeuwige kwestie van kunst en werkelijkheid.

Nadrukkelijk niet-eerbiedig schrijft Emmerik over grote onderwerpen — echt en nep, lef en angst, dood en leven — en haalt en passant komende en gaande reputaties overhoop. «Wat een reactionaire oude zak was die Cela, net als Bunuel overigens.» Mensen die niet voor paal durven staan vind ik nooit interessant, schrijft ze op een van de eerste bladzijden. Misschien is dat het wel. Emmerik durft voor paal te staan. Hard te roepen, te sarren en te gniepen, bij voorkeur net zo lang tot iemand wat terug zegt of doet. En zélf kunst te maken! In het midden van het boek is een beeldverhaal afgedrukt: HomeMadeArt presents: Goudkoorts. Een hartveroverende cowboystrip waarin en passant allerlei noten worden gekraakt over wat kunst is («iets maken is niet zelden een ombuiging van het verlangen iets kapot te maken») en wat er zo aantrek kelijk is aan het kunstenaar schap («als kunstenaar heb je het gevoel dat je altijd in het stralende zonlicht loopt»).

Een van de mooiste, tevens geestigste stukken in het boek is Boeddha, mon amour. Het begint met een herinnering aan beelden van Khmer-boeddha’s die Pam Emmerik ooit in Parijs zag. Ze schrijft hoe ze, naarstig op zoek naar weer zo’n spirituele ervaring want ongelukkig verliefd op een «fenomenaal computermeisje met prachtige borsten», afreist naar een tentoonstelling in Keulen: «Ik was nooit eerder in Keulen geweest. Daarom bezocht ik de beroemde Dom. Van buiten was hij oké, van binnen vond ik er geen reet aan.» Tussendoor wijdt ze enkele regels aan wat boeken over boeddhisme die ze ter voorbereiding las. En krijgen we een uiteenzetting over de verschillende houten boeddhabeelden die ze in het museum treft (met jaartallen en al). Ondertussen dringt de Keulse werkelijkheid zich op. Op een kademuur staat geschreven dat ene Aaltje een zure bom is, en Lia een spetter. Emmerik: «Mij maakte het nieuwsgieriger naar Aaltje dan naar Lia.» In haar hotel blijken twee Japanse monniken te logeren. En ja, het is waar, zo constateert ze bij het ontbijt: ver van huis vreten monniken alles wat ze voorgezet krijgen.

Gelouterd, maar ook een beetje bedroefd, keert Emmerik huiswaarts. «De tijd tikt door; je wordt ouder», leest ze voor het slapen gaan in een boek van Douglas Coupland, om op de valreep door een «ongelooflijk boeddhistisch» idee voor de volgende dag overvallen te worden. Zonder schild over straat te gaan. Het is Emmerik op haar best.