zonder staart

De Dreieck-Kuh van Ewald Mataré laat zien: zo ligt een koe. Mataré’s tedere vormgeving is terug te vinden in het werk van zijn leerling Joseph Beuys.

GODZIJDANK ZIJN VEEL MUSEA in het Rijnland nog niet zo doorgemoderniseerd als bij ons. In het mooie Museum Kurhaus Kleve kwam je daarom wel eens dingen tegen van een zekere Ewald Mataré - zorgvuldige houtsneden van geabstraheerde landschappen, warm van toon in grijsgroen of bruin, vaag romantisch of misschien ook wel sentimenteel in hun natuurbeschouwing. Hij placht natuurlijke motieven (bomen, beesten in het veld) terug te brengen tot eenvoudige, semi-abstracte vormen in evenwichtige, rustige composities, zonder grote opwinding in de lijnvoering. Ze vielen op omdat ze gemaakt waren met zoveel beschouwelijke aandacht. Hij kon kennelijk lang kijken, en elk detail was de moeite waard. Datzelfde gold voor zijn Kleinplastik. Onlangs zag ik een bronzen beeldje van nog geen twintig centimeter, Dreieck-Kuh (Kopf wendend) - even zorgvuldig gemaakt als het in de titel wordt beschreven. Niet alleen zorgvuldig maar ook trefzeker: zo ligt een koe. Kijk eens hoe die in de wei ligt te herkauwen, zwaar en log en amechtig. Dan draait ze, langzaam en lichtelijk verveeld, haar kop om te kijken wie naar haar staat te kijken: de kunstenaar. Behalve de traag malende kaken beweegt er niets. Misschien zwiept ze een keer met haar staart om vliegen weg te jagen. Omdat het erom ging het liggende gewicht van het dier zo sterk mogelijk uit te drukken, heeft Mataré de onrustige staart weggelaten - die zou de symbolistische compactheid van het kleinood alleen maar verstoren. Om verder de idee van het gewicht van het beest visueel te versterken, heeft hij de lichaamsvormen, zowel klein (kop, kruin, muil, ogen) als groot (schoft, buik, schonk) getekend als driehoeken. Ik weet niet of Mataré zich ooit voelde aangetrokken door de morfologie van abstracte kunst. Het soort kleine sculptuur waarin hij een meester was heeft ook formele oorsprongen in de sierkunst - denk maar aan de slanke ornamentele abstrahering van natuurmotieven in de Jugendstil. In de grote traditie van het klassieke Kunsthandwerk werden bijvoorbeeld bloemen en schelpen en dieren vaak tot half abstracte ornamenten verwerkt. Hoe het ook zij, als een kunstenaar van de generatie van Mataré (1887-1965) een liggende koe uit driehoeken samenstelde, kan het bijna niet anders dan dat hij ook aan abstractheid heeft gedacht - de opkomst van die moderne manier van vormgeving was in de kunst toen aan de orde.
Wat mij bij het zien van zulke houtsneden en sculpturen echter vooral biologeerde, was het rustige geduld waarmee ze gemaakt waren en de zorgvuldigheid ervan. Dezelfde weemoed overkomt mij als ik, lopend in Amsterdam, omhoog kijk naar de gevels van gewone woonhuizen van rond 1900 of later, uit de tijd van de Amsterdamse School. Die zitten namelijk vol met ornamenten en wonderlijke baksteenpatronen die in de ateliers van al die architecten op een of andere manier door tekenaars zijn ontworpen. Daar namen ze de tijd nog voor!
Dezelfde eigenaardige professor Ewald Mataré was in 1947-51, aan de Düsseldorfse academie, ook een leermeester van Joseph Beuys. In de zachtaardige en soms tedere vormgeving van diens vroegste werk, uit de jaren vijftig, zijn duidelijk nog sporen te vinden van de leraar, en ook trouwens van de door hem bewonderde beeldhouwer Wilhelm Lehmbruck. Maar het ging dieper: in wezen is Beuys altijd een symbolistisch kunstenaar gebleven, met een heilig geloof in de geestelijke zeggingskracht van beelden - dat die in hun compacte vorm wezenlijk gedachten kunnen uitdrukken, zoals Mataré om zo te zeggen het koe-zijn in een klein bronzen object wist te formuleren. De ijzeren elementen van het grootse ensemble Strassenbahnhaltestelle liggen nu in het Museum Kröller-Müller uitgestald als op een begraafplaats. Op de Biënnale van Venetië in 1976 stonden de dingen overeind, als een monumentale herinnering (maar ook meer) aan hoe Beuys had gevoeld plastisch kunstenaar te moeten worden. Vlak bij de tramhalte in Kleve, waar hij als jongen in- en uitstapte om naar school te gaan, stond wat er over was gebleven van een zeventiende-eeuws monument: een oude kanonsloop met rond de voet vier mortieren die er als ketels uitzien, alles van stevig gietijzer. Daar kon je op zitten om op de tram te wachten. De ijzeren man was het ding in de volksmond gaan heten. Daar, herinnerde Beuys zich, kwam de gedachte dat je met plastische vormen, op een unieke manier, verre gedachten kunt uitdrukken en oproepen. Dat wilde hij ook gaan doen. In Venetië werden afgietsels van de elementen uit Kleve gebruikt. De slanke figuur van Cupido op het oorspronkelijke monument, lang geleden verloren gegaan, werd door Beuys vervangen door een smartelijk uitziende kale kop van ijzer - een suggestie van zijn eigen hoofd. Er werd ook een stuk tramrails neergelegd en door de tegelbodem van het paviljoen werd een diep gat geboord tot op de harde aardbodem onder de lagune. Daardoor stroomde de energie van de herinnering als het ware uit de oude aarde van Kleve naar het heden. De stukken staaf die in Venetië in dat gat waren neergelaten, en de zwengel, liggen in Kröller-Müller nu ook als werktuigen op de grond. Het stille arrangement is zo een herinnering aan een herinnering geworden - brokstukken als uit een opgraving die ons aan het denken zetten, herinnering vorm geworden.

PS Werk van Mataré vindt men in Museum Kurhaus Kleve, in het sierlijke gebouw waarin hij van 1957 tot 1963 zijn atelier had. Voor meer over de tramhalte, nu dus in Kröller-Müller, zie de publicatie van het Kleefse museum: Joseph Beuys: Strassenbahnhaltestelle, 2000