Jan Baeke, Het Tankstation op de Route

Zonder voegwoorden redden we het niet

uit: ‘Tellen en gaan’:

Wat ik bezat viel slecht te tellen
maar er waren dagen dat ik de schuur repareerde.
Een aantal dagen, net als een aantal vogels
dat neerstreek op de bomen bij het huis.
Ik repareerde de gedachte aan mijn been
en de woorden die mij bij het tellen overvielen.

Medium baeke tankstation

Literatuur en de beeldende kunsten zijn duizenden jaren oud, dus het nieuwe is er wel zo’n beetje van af, wat niet betekent dat er niet steeds pogingen gedaan worden bestaande technieken te verfijnen, passé te verklaren of grondig te herzien. Wie schildert of schrijft staat, of hij dat nu wil of niet, in een eerbiedwaardige traditie. Veel jonger is de filmkunst. Hoewel het medium er ruim een eeuw op heeft zitten, wordt film nog steeds geassocieerd met experiment en moderniteit. Natuurlijk zijn ook hier intussen tradities ontstaan, om niet te spreken van de clichés waarop bioscopen drijven, maar inventieve cineasten construeren beelden die nieuw en vervreemdend zijn. Blijkbaar gebeurt dat op een zo indringende wijze dat we soms filmjargon gebruiken om de werkelijkheid te duiden. Het leven wordt waargenomen als een film, in plaats van omgekeerd.

Jan Baeke (1956), die jarenlang verbonden was aan het Filmmuseum in Amsterdam, heeft nooit een geheim gemaakt van zijn fascinatie voor liefst enigszins obscure rolprenten. Zijn zesde bundel, Het tankstation op de route, roept in de titel al een roadmovie op. Enkele gedichten reageren op Visconti’s La caduta degli dei (1969), de internationale productie waarin verteld wordt hoe de Duitse industriële aristocratie reageert op de komst van de nazi’s. Twee gedichten heten ‘Scènewisseling’, en dit is een fragment van een ‘scenario’:

Een man slaapt.
Zijn hoofd ligt op tafel. Zijn lichaam hangt scheefgezakt in een stoel.
Het is nacht.
In de hoek van de kamer brandt een schemerlamp. Iets verder langs de muur de deur naar de keuken die open staat. Uit de keuken valt tl-licht de kamer binnen. In de hoek tegenover de keukendeur staat een televisie. De televisie staat aan.

Wie de man is, waarom hij niet gewoon de televisie uitzet en naar bed gaat, wordt niet opgehelderd. Baeke registreert minutieus, formuleert afstandelijk en verschaft geen context. We moeten het doen met wat oog en oor waarnemen.

Het effect van die techniek is verre van neutraal. Om te beginnen ben je geneigd te veronderstellen dat waar geen achtergrond en betekenis worden gegeven, de in beeld gebrachte levens inderdaad fundamenteel onbegrijpelijk en zinloos moeten zijn. De fragmentarische montage suggereert een gitzwart wereldbeeld. Daar komt nog bij dat Baeke, door terloops te refereren aan roadmovie en film noir, associaties oproept met alle troosteloze films die we in ons hoofd hebben. Als we al een poging doen de gaten op te vullen, is het met nog meer droefenis dan de woorden op zichzelf aanbieden.

Dat is een vorm van manipulatie. ‘Het was theater’, constateert de spreker in het laatste gedicht, maar dan wel een theater van de wreedheid: ‘We schoven langzaam op van een gereserveerde theatervoorstelling met mooi eindlicht naar een kelder waar hormonen en verveling en de kans op kwetsuren iedereen kort aangebonden houdt.’ Hier imiteren film en kunst elkaar niet meer, maar lopen ze naadloos en verontrustend in elkaar over.
Hoe gedenkwaardig zijn Baeke’s shots? ‘Draaidagen’ begint zo:

Iedere avond wind die het roken in de weg zit
zeelui bij het hek
, een agent die ik kende
als het vriendje van mijn vriendin

en alsof dat nog niet genoeg was
een aardig gespreksonderwerp
waardoor we niet in de problemen kwamen
.

De cameraman vereenzelvigt zich dermate met zijn ambacht dat hij ook zijn liefdesleven beoordeelt op de filmische aspecten ervan. ‘“Ik doe niet veel”, zegt hij, een sigaret volstaat./ Na de goede gesprekken en de romantische vergissing/ draai ik andere scènes.’

Andere personages zijn minder laconiek. Enkele gedichten tonen, vanuit verschillende perspectieven, flarden van een misdaadverhaal waarin steeds dezelfde namen opduiken. Daar is sprake van ‘rotstreken die zelfs vrienden/ hadden geflikt en het schijnheilige drinken/ van Tonnie de Sexy en Zwart van de Lamp’. Dat loopt natuurlijk slecht af:

Het werd pas rustig toen de ziekenbroeders
alle drank hadden geruimd en met slappe koffie
op de bank zaten
.

Er wordt zelfs sectie verricht op ‘de resten van een Barbara’, waarover de forensische experts zo enthousiast zijn dat ze uitzien naar ‘de vondst van een Herman, een Eva en/ zelfs een Gertrude’. Wie dat zijn krijgen we niet te horen.

Een techniek als die van Baeke loopt het risico te resulteren in gedichten die uit elkaar vallen. Indien de afzonderlijke regels of strofen voldoende spankracht bezitten, rollen de gedichten voorbij als een vaag bekend landschap. Het is dan niet nodig dat je alle details kunt duiden. Er zijn echter ook fragmenten die zo weinig indruk maken dat het gebrek aan coherentie zich gaat wreken. ‘Het is vermoeiend om achter alles een grotere wereld te denken’, aldus een van de acteurs. Dat moge zo zijn, toch is het onvermijdelijk daarnaar te zoeken. ‘Het beeld wil ons laten wennen aan de vraag/ of de woorden daarom, als, omdat, in werkelijkheid/ ofschoon van toepassing zijn.’ Akkoord, maar zonder voegwoorden redden we het niet.

Midden in de bundel staat het lange titelgedicht, dat in twee delen uiteenvalt. In een stream of consciousness komt eerst een man aan het woord, daarna een vrouw. De context is wederom ongewis, maar het zou gesitueerd kunnen zijn op de Balkan, na de oorlog. De vrouw zegt: ‘dan moeten we het nog hebben (…) over alles wat we begrijpen/ maar waarvan de bedoeling ons niet duidelijk is’. Dit is een vrouw die ik, dankzij de dichter, wel zou willen leren kennen.


Jan Baeke

Het tankstation op de route

De Bezige Bij, 72 blz., € 17,50