Guus Kuijer, Het boek van alle dingen

Zonder vrijheid geen geluk

Guus Kuijer

Het boek van alle dingen

Illustraties: Peter-Paul Rauwerda

Querido (10+), 96 blz., € 11,50 (verschijnt 10 februari)

Marco Kunst

Gewist

Querido (12+), 352 blz., € 14,50

«In mijn prille jeugd waren er maar twee schrijvers. God, die de bijbel had geschreven en Jac. P. Thijsse die de Albums van Verkade had geschreven», vertelt Jan Wolkers in zijn essaybundel Mondriaan op Mauritius (1997). Het Boek der Boeken als het enige, alomvattende boek, dienend als levensbeginsel in streng gereformeerde milieus, lijkt ook in het leven van de negenjarige Thomas, Guus Kuijers nieuwste creatie in Het boek van alle dingen, allesbepalend. Dat maakt Het boek van alle dingen tot een opmerkelijk en onvergelijkelijk jeugdboek, waarin Thomas’ zoektocht naar geluk centraal staat. Het is 1951…

«Er is maar één echt boek op deze wereld en dat is de bijbel», zegt Thomas’ vader. Maar Thomas, die dolgraag wil weten waar boeken eigenlijk over gaan en zegt «dat hij later gelukkig wil worden», komt dankzij zijn vrijdenkende buurvrouw Van Amersfoort, «een kommenist of zoiets», toch in aanraking met andere boeken dan de bijbel. Met klassiekers als Alleen op de wereld en versjes van Annie M.G. Schmidt die hij aan zijn buurvrouw voorleest. «Thomas las en las. (…) Thomas wilde nooit meer ophouden met voorlezen, nooit meer.» Hij ondervindt dat teksten niet altijd iets hoeven te betekenen, maar ook «gewoon mooi» kunnen zijn. Zijn literaire verbeelding brengt hem vrijheid, de voorwaarde voor geluk.

Maar het geluk ligt voor Thomas niet voor het oprapen. Hij is een dromerige fantast, die «dingen zag die niemand anders zag». Een soort Kees de Jongen die is opgesloten in een streng gereformeerd milieu, dat doet denken aan werk van schrijvers als Jan Wolkers en Maarten ’t Hart. Deze situatie leidt tot een onvermijdelijk conflict tussen Thomas en zijn godvrezende, autoritaire vader, die aan het Woord vasthoudt en er niet voor terugschrikt vrouw en kinderen te slaan. Het boek van alle dingen is aangrijpend en roept een beklemmende sfeer op. Maar Thomas’ verbeelding, zijn «gesprekken» met Jezus «in een wapperende witte jurk» en mevrouw Van Amersfoort, die Thomas bijbrengt dat «geluk begint met niet meer bang zijn», geven het boek genoeg humor en hoop.

Zoals ook Kuijers veelgeprezen Polleke- en Madelief-boeken is Het boek van alle dingen realistisch en vertelt over alledaagse gebeurtenissen. Toch is het onderwerp, in de Nederlandse jeugdliteratuur, bepaald niet alledaags. Maar Kuijer verheft het streng gereformeerde geloof niet tot doel, hij gebruikt het als middel om in heldere taal, doorspekt met jaren-vijftigjargon als «mieters» en «grutjes», op luchthartige wijze te vertellen wat er in Thomas’ hoofd omgaat. Hoe hij al lezend zijn vrijheid ruikt en het geluk voorzichtig omarmt.

Even opmerkelijk als Het boek van alle dingen is Gewist, Marco Kunsts debuut als jeugdboekenschrijver. In deze heuse sciencefiction, een genre waar op Tonke Dragt na weinig Nederlandse jeugdboekenschrijvers zich aan wagen, ervaart de dertienjarige jongen Sig, net als Thomas, hoe vrijheid en menselijk geluk verweven zijn. Kunst durfde het genre aan en versmolt avontuur, idee en taal in een fascinerende, driedelige toekomstroman.

Gewist toont een verre toekomst waarin de mens gedoemd is in voorspoed en onwetendheid te leven in «de Stad». «Overzichtelijk, rustig… en onecht», opgesloten binnen kilometers hoge stadsmuren, tussen kantoren en duizenden woontorens. En alles, «tot je gedachten, gevoelens en herinneringen aan toe», wordt door de Centrale Computer, «de CC» geregeld. Een samenleving vergelijkbaar met Aldous Huxleys Brave New World (1932), waarin een milde dictatuur de mensheid stuurt door al haar behoeften te bevredigen. Maar Sig, door een ongeluk buiten de stadsmuren op een vuilnisbelt gedumpt, ontdekt dat «de Stad» «een computergestuurde illusie» is. Een «geordende zinloze machine (…), los van haar omgeving, los van de geschiedenis».

Op de belt, een «woestijnig niemandsland dat grijsgroen glinsterde in het lage licht», wordt Sig gered door Plijster. Een oud «versleten mannetje met flapperoren», die praat zoals hij eruitziet: «krakkemikkig krom». Samen met deze zonderling voorkomt Sig dat zijn persoonlijkheid en geheugen door de CC gewist worden, waarna ze een avontuurlijke reis ondernemen met als doel «de bewoners van de Stad te bevrijden van de stadsmuur». Tijdens deze reis ontdekt Sig dat de mens eigenlijk een complex geheel is van vrije wil, bewustzijn en emoties. Sig is vastbesloten: «Geef de mensen in de Stad hun vrijheid terug door ze hun geschiedenis terug te geven.» Hun dromen, vergissingen, gevoel, herinneringen… Pas dan ervaren ze écht geluk.

Gewist is een gedurfd debuut met een waarschuwing: pas op voor manipulatie en beheersing van menselijk gedrag. Toch pleit Kunst niet voor totale anarchie. De leer van Montesquieu’s trias politica, de wetgevende, uitvoerende en controlerende macht die elkaar in balans houden, blijkt de sleutel voor de bevrijding van de Stad. Een origineel idee in een spannend, woordenrijk verhaal. Beeldende landschapsbeschrijvingen, krachtige uitspraken en Plijsters humorvolle brabbeltaaltje maken Gewist bijzonder. Bijzonder zoals Het boek van alle dingen, dat, ofschoon zo’n ander genre, evenals Gewist het onlosmakelijke verband tussen vrijheid en geluk subtiel en mooi verwoordt.